Personen- en familierecht
Zorgtekort en zorgkorting. Kinderalimentatie.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 maart 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:2464 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 20 maart 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2014-2464
Zaakgegevens
Op 20 maart 2014 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 20 maart 2014
- Datum publicatie
- 26 maart 2014
- Zaaknummer
- 200.134.028-01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. F.E van Nisselrooij, mr. M.M Broeks
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2014:2464
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Zorgtekort en zorgkorting. Kinderalimentatie.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.134.028/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel C/07/206744/FA RK 13-338)
beschikking van de familiekamer van 20 maart 2014
inzake
[appellant],
wonende te [woonplaats 1],
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. F.E. van Nisselrooij, kantoorhoudend te Zutphen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats 2],
verder te noemen: de vrouw,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. M.M. Broeks, kantoorhoudend te Zwolle.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 21 juni 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 20 september 2013;
- een journaalbericht met bijlagen van mr. Van Nisselrooij van 9 januari 2014, ingekomen op 13 januari 2014; en
- op verzoek van het hof een faxbericht met van mr. Van Nisselrooij van 22 januari 2014 met bijgevoegd de toestemming van de bewindvoerder van de man voor het voeren van de onderhavige procedure.
Van de zijde van de vrouw is - hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld - geen verweerschrift binnengekomen.
De mondelinge behandeling heeft op 23 januari 2014 plaatsgevonden. Namens de man is verschenen mr. Van Nisselrooij. De man is niet in persoon verschenen. De vrouw en haar advocaat zijn - hoewel behoorlijk opgeroepen - eveneens niet ter zitting verschenen.
3 De vaststaande feiten
Uit de - inmiddels verbroken - relatie tussen de man en de vrouw is het thans nog minderjarige kind, [minderjarige] (hierna: [minderjarige]), geboren op [geboortedatum] in de gemeente [geboorteplaats]. De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw oefent het eenhoofdig gezag over [minderjarige] uit. [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
De vrouw heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift, binnengekomen bij de griffie van de rechtbank op 12 maart 2013, verzocht - voor zover hier van belang - te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met een bedrag van € 450,-- per maand, vermeerderd met elke wettelijke kindertoelage waarop de man aanspraak kan maken, bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te betalen aan de vrouw.
De man heeft in eerste aanleg geen schriftelijk dan wel mondeling verweer gevoerd.
4 De omvang van het geschil
In geschil is de bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 12 maart 2013 vastgesteld op € 450,-- per maand.
De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van 21 juni 2013. De grieven van de man zien op de behoefte van [minderjarige], de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van de man.
De man verzoekt in hoger beroep om de beschikking waarvan beroep te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] met ingang van 12 maart 2013, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum, op nihil, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag wordt vastgesteld.
5 De motivering van de beslissing
De ingangsdatum
Het hof hanteert - evenals de rechtbank - als ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift (te weten: 12 maart 2013), nu hiertegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht.
De behoefte van [minderjarige]
De man stelt in hoger beroep de behoefte van [minderjarige] aan de orde. Hij betwist dat de behoefte van [minderjarige] € 450,-- per maand bedraagt. De man stelt dat partijen niet in 2006
- zoals de vrouw in eerste aanleg heeft betoogd -, doch in 2009 definitief uit elkaar zijn gegaan, zodat het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen uit die periode relevant is voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige].
Het hof zal bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige] rekening houden met het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2009, nu de man in hoger beroep onbestreden heeft gesteld dat partijen in 2009 uiteengegaan zijn en de vrouw haar stellingen in eerste aanleg onvoldoende heeft onderbouwd. De man stelt dat de vrouw destijds een netto inkomen van € 700,-- per maand en hij een netto inkomen van € 1.300,-- per maand had. Nu de vrouw in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd, zal het hof - rekening houdend met de summiere stellingen van de vrouw in eerste aanleg - rekening houden met een netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan van € 2.000,-- per maand.
Daar de ingangsdatum van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] is gelegen na 1 januari 2013, zal het hof de behoefte van [minderjarige] berekenen aan de hand van de nieuwe rekenwijze zoals die vanaf 1 januari 2013 geldt. Dit brengt met zich dat bij het netto besteedbaar inkomen van partijen het kindgebonden budget, waarop partijen destijds recht hadden, dient te worden opgeteld.
Door partijen is geen informatie overgelegd over het kindgebonden budget ten tijde van hun feitelijk uiteengaan. Het hof heeft derhalve aanleiding gezien om het kindgebonden budget ambtshalve te berekenen aan de hand van gegevens over het kindgebonden budget over 2009 die raadpleegbaar zijn via de website van de Belastingdienst. Daaruit blijkt dat het maximale toeslagbedrag voor één kind € 1.011,-- per jaar, derhalve (afgerond) € 84,-- per maand bedroeg. Het hof gaat er vanuit dat partijen voor dit maximale toeslagbedrag in aanmerking kwamen, daar zij gelet op de hoogte van voornoemd netto besteedbaar gezinsinkomen niet boven het (gezamenlijke) toetsingsinkomen van € 29.914,-- uitkwamen.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan komt derhalve in totaal op een bedrag van (afgerond) € 2.084,-- per maand. De behoefte van [minderjarige] kan daarmee - aan de hand van de NIBUD-tabellen van 2009 en rekening houdend met 4 kinderbijslagpunten - op een bedrag van € 294,-- per maand worden gesteld. Echter, hierop dient - conform de nieuwe rekenwijze - het kindgebonden budget dat de vrouw thans ontvangt in mindering te worden gebracht. Het hof heeft ook dit bedrag, in verband met de afwezigheid van de noodzakelijke bescheiden, aan de hand van de gegevens omtrent het kindgebonden budget over 2013 die raadpleegbaar zijn via de website van de Belastingdienst berekend (te weten: op € 84,-- per maand). De behoefte van [minderjarige] kan derhalve op een bedrag van € 210,-- per maand (€ 294,-- minus € 84,--) worden gesteld.
De behoefte van de minderjarige (te weten: € 210,--) vormt de bovengrens van de door de onderhoudsplichtige aan de onderhoudsgerechtigde te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Dit brengt met zich dat de bestreden beschikking, waarbij het verzoek van de vrouw om een bijdrage in de kosten van [minderjarige] vast te stellen van € 450,-- per maand is toegewezen, reeds om die reden niet in stand kan blijven.
De draagkracht van de man
De man stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zijn draagkracht niet toereikend is om de vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te voldoen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man tot 1 november 2013 inkomsten uit arbeid had en dat hij van 1 november 2013 tot 31 januari 2014 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Dit brengt met zich dat het hof de draagkracht van de man over verschillende perioden zal berekenen.
Het hof zal bij de beoordeling van de draagkracht van de man over de periode van
12 maart 2013 tot 1 november 2013 uitgaan van de uitgangspunten van de oude rekenwijze voor het berekenen van kinderalimentatie, zoals die tot 1 april 2013 golden.
Bij de beoordeling van de draagkracht van de man over de periode van 12 maart 2013 tot 1 november 2013 heeft het hof aansluiting gezocht bij de door de man als productie 3 overgelegde draagkrachtberekening, met uitzondering van de kosten omgangsregeling en de aflossing op de schulden.
Door de man is een bedrag van € 108,-- per maand aan kosten omgangsregeling opgenomen. Blijkens de bijgevoegde specificatie heeft de man rekening gehouden met zowel de verblijfskosten als de reiskosten. In beginsel wordt alleen rekening gehouden met de aan de omgangsregeling verbonden verblijfskosten, tenzij bijzondere omstandigheden worden gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan het redelijk is om tevens rekening te houden met een bedrag aan reiskosten. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Dit brengt met zich dat het hof slechts rekening zal houden met een bedrag van (afgerond) € 35,-- per maand aan verblijfskosten in het kader van de omgangsregeling met [minderjarige], zoals door de man in de bijlage achter de door hem overgelegde draagkrachtberekening nader is gespecificeerd.
Het hof zal - anders dan de draagkrachtberekening van de man - evenmin rekening houden met het door de man opgevoerde bedrag aan aflossing schulden, daar ter zitting is komen vast te staan dat de schulden van de man zijn ontstaan vanwege de verslaving van de man. Het hof is van oordeel dat de betaling van dergelijke schulden niet mag prevaleren boven de onderhoudsverplichting die de man jegens zijn kind heeft. Daarbij komt dat het niet duidelijk is met welk bedrag de man daadwerkelijk op zijn schulden aflost. Uit het dossier kan - op grond van enkele salarisspecificaties - slechts herleid worden dat er op het salaris van de man loonbeslag is gelegd ter inning van schulden, doch het is niet duidelijk voor welke schulden er beslag is gelegd en of er over de gehele periode op de schulden is afgelost.
Hoewel ter zitting aan de orde is gesteld dat de premie ziektekostenverzekering ter hoogte van € 160,12 door de werkgever van de man wordt betaald, zal het hof hiermee wel rekening houden daar er in de draagkrachtberekening wordt uitgegaan van het bruto inkomen van de man en de premie ziektekostenverzekering vanuit het netto inkomen van de man wordt betaald. Dit heeft tot gevolg dat de man wel zelf de lasten van de premie ziektekostenverzekering draagt.
Het vorenstaande brengt met zich dat de man over de periode van 12 maart 2013 tot
1 november 2013 in staat is om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] te voldoen van € 210,-- per maand. Het hof zal dienovereenkomstig bepalen.
Daar er met ingang van 1 november 2013 sprake is van een wijziging in het inkomen van de man, zal het hof de draagkracht van de man over de periode vanaf 1 november 2013 berekenen volgens de uitgangspunten van de nieuwe rekenwijze voor het berekenen van kinderalimentatie, zoals deze gelden vanaf 1 april 2013.
Het hof sluit bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man aan bij de door de man overgelegde brief van het UWV van 7 november 2013. In die brief staat dat aan de man een WW-uitkering wordt toegekend over de periode van 1 november 2013 tot en met 31 januari 2014.
Blijkens de brief van het UWV had de man over de periode van 1 november 2013 tot
1 januari 2014 recht op een bruto-uitkering per dag van € 85,62. Daarvan uitgaande bedraagt het netto besteedbaar inkomen van de man over de periode van 1 november 2013 tot
1 januari 2014 € 1.410,-- per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de van toepassing zijnde formule (70% [€ 1.410,-- - (0,3 x € 1.410,--) + 800]) afgerond € 131,-- per maand.
Over de periode van 1 januari 2014 tot 1 februari 2014 had de man - blijkens de brief van het UWV - recht op een bruto-uitkering per dag van € 79,91. Derhalve heeft de man over de periode van 1 januari 2014 tot 1 februari 2014 een netto besteedbaar inkomen van
€ 1.349,-- per maand. De draagkracht van de man bedraagt volgens de van toepassing zijnde formule (90% [€ 1.349,-- - (0,3 x € 1.349,--) + 810]) afgerond € 121,-- per maand.
Daar er door de man geen gegevens zijn overgelegd over het inkomen dat hij vanaf
1 februari 2014 zal ontvangen, zal het hof over de periode vanaf 1 februari 2014 geen nieuwe berekening maken, maar uitgaan van de berekening over de periode vanaf 1 januari 2014. De algemene stelling van de advocaat van de man ter zitting dat de man naar alle waarschijnlijkheid zal terugvallen op een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand, is voor het hof onvoldoende om anders te beslissen.
De man heeft gesteld dat er bij de beoordeling van zijn draagkracht rekening dient te worden gehouden met de extra last die hij heeft vanwege zijn hoge schuldenlast. Een dergelijke last kan - volgens de nieuwe rekenwijze - worden meegenomen in de berekening van de draagkracht, indien de last niet vermijdbaar en niet verwijtbaar is. Daarvan is hier geen sprake, zoals uit het bovenstaande al blijkt. Problematisch in deze is bovendien dat het onduidelijk is met welk bedrag de man maandelijks op zijn schulden aflost. Hoewel uit de salarisspecificaties bleek van een loonbeslag, zijn er door de man geen (recentere) stukken overgelegd waaruit blijkt dat er beslag op zijn WW-uitkering is gelegd, dan wel dat de man op zijn schulden aflost. Gelet op het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om het draagkrachtloos inkomen in de formule te corrigeren met de extra last van de man vanwege zijn hoge schuldenlast, te meer nu onduidelijk is gebleven hoe hoog deze extra last überhaupt is. Overigens merkt het hof op dat er in de formule een forfaitair bedrag is opgenomen voor onder meer de woonlasten, terwijl de man in werkelijkheid geen woonlasten heeft. Deze extra ruimte kan de man derhalve aanwenden voor de aflossing van zijn schulden.
De draagkracht van de vrouw
De man heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vrouw in ieder geval met een bedrag van € 25,-- per maand kan bijdragen in de behoefte van [minderjarige]. Uit de stukken uit de eerste aanleg blijkt dat de vrouw (in ieder geval) een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet, die lager was dan € 1.250,-- netto per maand. Het hof zal, mede gelet op de stellingen van de man, aansluiting zoeken bij het uitgangspunt en bij de draagkrachtvergelijking over de periode met ingang van 1 november 2013 uitgaan van een minimumdraagkracht van de vrouw van € 25,-- per maand. Over de periode tot 1 november 2013 zal het hof geen rekening houden met de minimumdraagkracht, gelet op de uitgangspunten van de oude rekenwijze.
De draagkrachtvergelijking
Daar de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, wordt het tekort aan beide partijen voor de helft toegerekend. Voor de man betekent dit dat de helft van dit tekort in mindering komt op zijn zorgkorting, zodat de door hem te betalen bijdrage als volgt wordt berekend.
Uitgaande van een percentage van 15% - gelet op de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] - bedraagt de zorgkorting, gelet op de hiervoor vastgestelde behoefte van [minderjarige] van € 210,-- per maand, € 31,50 per maand.
Over de periode van 1 november 2013 tot 1 januari 2014 had de man een draagkracht van € 131,-- per maand. Dit betekent dat het tekort over die periode (€ 210,-- minus € 131,-- minus € 25,--) in totaal € 54,-- per maand bedroeg. De helft van dit tekort (te weten: € 27,--) wordt aan de man toegerekend. Dit brengt met zich dat de door de man te betalen bijdrage over de periode van 1 november 2013 tot 1 januari 2014 op een bedrag van € 126,50 (te weten: € 131,-- minus (€ 31,50 minus € 27,--)) kan worden gesteld.
Over de periode vanaf 1 januari 2014 heeft de man een draagkracht van € 121,-- per maand. Dit betekent dat het tekort over deze periode (€ 210,-- minus € 121,-- minus € 25,--) in totaal € 64,-- per maand bedraagt. De helft van dit tekort (te weten: € 32,--) wordt aan de man toegerekend. Nu het tekort groter is dan de door de man te verzilveren zorgkorting, zal de door de man te betalen bijdrage over de periode vanaf 1 januari 2014 op € 121,-- worden gesteld.
Voor zover de man tevens een beroep heeft willen doen op de aanvaardbaarheidstoets, merkt het hof op dat de man volstrekt onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn inkomens- en vermogenspositie en zijn bestedingen, zodat het hof een beroep op de onaanvaardbaarheid van de op te leggen bijdrage zal afwijzen.
6 Aanhechten (draagkracht)berekeningen
Het hof heeft berekeningen van de draagkracht c.q. het netto besteedbaar inkomen van de man gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.
7 De slotsom
Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw beslissen als na te melden.
8 De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel van 21 juni 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige], geboren op [geboortedatum], met ingang van 12 maart 2013 tot 1 november 2013 € 210,-- per maand, met ingang van 1 november 2013 € 126,50 per maand en vanaf
1 januari 2014 € 121,-- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Idsardi, mr. J.D.S.L. Bosch en mr. D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 maart 2014 in bijzijn van de griffier.