Personen- en familierecht
Noodzaak tot verhuizing in verband met te betalen kinder- en partneralimentatie.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 18 augustus 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:6351 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 18 augustus 2015
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2015-6351
Zaakgegevens
Op 18 augustus 2015 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 18 augustus 2015
- Datum publicatie
- 31 augustus 2015
- Zaaknummer
- 200.145.223/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. C.M de Jonge, mr. J Dam-de Haan
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2015:6351
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Noodzaak tot verhuizing in verband met te betalen kinder- en partneralimentatie.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.145.223/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/99976/FA RK 13-1854)
beschikking van de familiekamer van 18 augustus 2015
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [A] (Duitsland),
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. C.M. de Jonge, kantoorhoudend te Emmen,
tegen
[verweerster],
wonende te [B] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J. Dam-de Haan, kantoorhoudend te Emmen.
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 29 januari 2014, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 14 april 2014;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 25 juni 2014;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 20 augustus 2014;
- een journaalbericht met bijlagen van 28 mei 2015, ingediend door mr. De Jonge;
- een journaalbericht met bijlagen van 23 juni 2015, ingediend door mr. Dam-de Haan.
Bij het beroepschrift heeft de man verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, het hof begrijpt voor zover het de daarbij vastgestelde kinder- en partneralimentatie betreft, en opnieuw beschikkende te bepalen:
1. dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen zal worden gesteld op een bedrag van € 360,50 per kind per maand, althans op een bedrag dat het hof redelijk en billijk zal oordelen;
2. dat de door de man ten behoeve van de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud op nihil zal worden gesteld;
3. dat de verplichting tot het betalen van partneralimentatie zal worden gelimiteerd tot een periode van vijf jaar.
Bij de nadere akte van de zijde van de man d.d. 28 mei 2015 heeft hij zijn verzoek onder 1. aldus gewijzigd dat hij thans verzoekt de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen in de periode van 1 september 2014 tot 1 januari 2015 te bepalen op een bedrag van € 369,- per maand en in de periode vanaf 1 januari 2015 op een bedrag van € 252,- per maand.
Bij het verweerschrift, tevens incidenteel beroepschrift, heeft de vrouw het principaal hoger beroep van de man bestreden en verzocht dit hoger beroep af te wijzen.
Tevens heeft de vrouw bij haar verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarbij verzocht de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de behoefte van de minderjarige kinderen van partijen en de bijdrage van de man in de kosten van hun verzorging en opvoeding, en opnieuw beschikkende:
- de behoefte van de kinderen vast te stellen op een bedrag van € 1.445,- voor beide kinderen tezamen en de door de man te betalen bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding op een bedrag van € 559,- per kind per maand, zulks bij vooruitbetaling met ingang van 29 januari 2014;
althans subsidiair:
- de behoefte van de vast te stellen op een bedrag van € 1.195,- voor beide kinderen tezamen en de door de man te betalen bijdrage in hun kosten van verzorging en opvoeding op een bedrag van € 452,50 per kind per maand, zulks bij vooruitbetaling met ingang van 29 januari 2014.
Partijen hebben het hof bij journaalberichten van 1 oktober 2014 bericht dat zij, in verband met de door hen gestarte schikkingsonderhandelingen, gezamenlijk afzien van de mondelinge behandeling, welke stond gepland voor 2 oktober 2014. Het hof heeft daarop de beslissing aangehouden en partijen verzocht om het hof uiterlijk op 1 maart 2015 in te lichten over het verloop van de schikkingsonderhandelingen.
Mr. De Jong heeft het hof - na verleend uitstel - op 29 april 2015 bericht dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen en verzocht om een nadere schriftelijke ronde te gelasten.
Het hof heeft de man in de gelegenheid gesteld om zich uiterlijk op 29 mei 2015 nader schriftelijk uit te laten over de zaak, zo nodig onder overlegging van nadere stukken.
Bij voormeld journaalbericht d.d. 28 mei 2015 heeft mr. De Jonge zich nader schriftelijk uitgelaten over de zaak, onder overlegging van nadere stukken.
De vrouw is vervolgens in de gelegenheid gesteld om zich uiterlijk op 26 juni 2015 nader schriftelijk uit te laten over de zaak, zo nodig onder overlegging van nadere stukken.
Bij voormeld journaalbericht d.d. 23 juni 2015 heeft mr. Dam-de Haan zich namens de vrouw nader schriftelijk uitgelaten over de zaak, onder overlegging van nadere stukken.
Het hof zal de zaak afdoen op grond van de stukken in het dossier.
3 De vaststaande feiten
Partijen zijn [in] 2001 in de gemeente [C] met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk [in] 2003 is geboren de minderjarige [de minderjarige1] en [in] 2006 de minderjarige [de minderjarige2] (verder gezamenlijk ook: de kinderen). Het huwelijk van partijen is op 22 mei 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
Bij inleidend verzoekschrift van 9 juli 2013, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 10 juli 2013, heeft de man, voor zover te dezen van belang, verzocht te bepalen dat hij dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 262,50 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd en, voor zover te dezen van belang, na vermeerdering van eis zelfstandig verzocht te bepalen dat:
- de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag van € 542,50 per kind per maand, met ingang van de datum van de beschikking omtrent het hoofdverblijf, althans een datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen;
- de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 886,- per maand zolang de man de woonlast van de echtelijke woning draagt en een bedrag van € 1.500,- per maand na het wegvallen van deze woonlast, met ingang van de datum van de beschikking van de rechtbank, dan wel met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.
In de - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank, voor zover te dezen van belang, bepaald:
- dat de man met ingang van 29 januari 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vrouw - voor zover het betreft niet verstreken termijnen - telkens bij vooruitbetaling een bedrag van € 439,- per kind per maand dient te betalen;
- bepaald dat de man vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 886,- bruto per maand, zolang de man de woonlast van de echtelijke woning draagt, dient te betalen;
- bepaald dat de man vanaf het moment dat de woonlasten van de echtelijke woning wegvallen, als bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de vrouw, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, een bedrag van € 1.500,- bruto per maand dient te betalen.
4 De omvang van het geschil
In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw
De man is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de draagkracht van de man voor kinderalimentatie, meer specifiek op zijn inkomen. De tweede grief ziet op de verhouding waarin partijen dienen bij te dragen in de (resterende) behoefte van de kinderen. De derde, vierde, vijfde en zesde grief zien op de draagkracht van de man voor partneralimentatie, meer specifiek op de reiskosten ten aanzien van de zorgregeling, de aflossing op de schuld aan de moeder van de man en het verplichte eigen risico ziektekostenverzekering. De zevende grief ziet tot slot op de limitering van de partneralimentatie.
De vrouw is op haar beurt met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen, welke zien op de behoefte van de kinderen.
5 De motivering van de beslissing
De kinderalimentatie
Ingangsdatum
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum van de bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, te weten 29 januari 2014, is tussen partijen niet in geschil.
De behoefte van de kinderen
De rechtbank heeft het eigen aandeel van partijen in de kosten van de kinderen op basis van de tabel eigen aandeel kosten kinderen 2012 vastgesteld op een bedrag van
€ 1.165,- per maand, geïndexeerd naar 2013 op € 1.184,- per maand.
Het gegeven dat de tabel eigen aandeel kosten van kinderen sinds 2014 een nieuwe categorie voor inkomens van € 6.000,- of meer bevat, op grond waarvan een hogere maximumbehoefte kan worden vastgesteld, vormt naar het oordeel van het hof - anders dan de vrouw betoogt - onvoldoende grond om af te wijken van het uitgangspunt dat de tabel wordt toegepast zoals deze gold ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen, in casu in 2012.
De vrouw stelt wel terecht in haar incidenteel beroep dat voormeld bedrag van
€ 1.165,- per maand dient te worden geïndexeerd naar 2014, en niet naar 2013, zoals de rechtbank heeft gedaan. De ingangsdatum van de onderhavige onderhoudsverplichting is immers gelegen in 2014.
Het geïndexeerde eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bedraagt in 2014 afgerond € 1.195,- per maand. Dit bedrag dient nog te worden verminderd met het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget. Op grond van het toetsingsinkomen zoals dat blijkt uit de door de vrouw overgelegde jaaropgaven over het jaar 2014 van € 6.072,- bedraagt het kindgebonden budget in 2014 € 129,- per maand. De man heeft gesteld dat het kindgebonden budget van de vrouw in 2014 € 149,- per maand bedroeg, maar uit de door hem overgelegde berekening blijkt dat hij daarin ten onrechte is uitgegaan van het toetsingsinkomen van de vrouw over 2013. Het hof zal daarom uitgaan van een kindgebonden budget van € 129,- per maand. Dit betekent dat de resterende behoefte van de kinderen in 2014 € 533,- per kind per maand bedraagt [(€ 1.195,- € 129,-) : 2].
Per 1 januari 2015 bedraagt het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen als gevolg van de wettelijke indexering € 1.205,- per maand. Conform de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen zal het hof per 1 januari 2015 het kindgebonden budget inclusief de alleenstaande ouderkop in mindering brengen op het eigen aandeel in de kosten van de kinderen. De man heeft in hoger beroep gesteld dat de vrouw in 2015 een kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop ontvangt van € 425,- per maand. Nu de vrouw deze stelling niet heeft betwist, zal het hof dit als vaststaand aannemen. Dit betekent dat de resterende behoefte van de kinderen in 2015 € 390,- per kind per maand bedraagt [(€ 1.205,- minus € 425,-) : 2].
Het aandeel van de ouders in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen
De rechtbank heeft het gelet op het grote verschil aan draagkracht tussen de man en de vrouw redelijk geacht om de resterende behoefte van de kinderen niet naar rato van hun beider draagkracht tussen de ouders te verdelen.
De man heeft zich hiertegen in zijn tweede grief in het principaal hoger beroep verzet. Het hof is met de man van oordeel dat in dit opzicht de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen dient te worden gevolgd. Dit houdt in dat het hof de behoefte tussen de ouders zal verdelen naar rato van hun beider draagkracht. De tweede grief in het principaal hoger beroep slaagt derhalve.
De draagkracht van de vrouw
Tussen partijen is niet in geschil dat de draagkracht van de vrouw € 50,- per maand bedraagt.
De draagkracht van de man
* De periode van 29 januari 2014 tot 1 september 2014
De draagkracht van de man zal in de periode van 29 januari 2014 tot 1 september 2014 worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI - (0,3 NBI + € 860,-)], nu het een netto besteedbaar inkomen betreft dat hoger is dan € 1.500,- per maand.
Vast staat dat de man tot 1 september 2014 werkzaam was bij [D] B.V. De rechtbank heeft het netto besteedbaar inkomen van de man in deze periode berekend op
€ 5.165,- per maand, daarbij uitgaande van een bruto jaarinkomen volgens de loonspecificatie over december 2013 van € 110.120,-.
De man stelt zich in zijn eerste grief in het principaal hoger beroep op het standpunt dat zijn netto besteedbaar inkomen dient te worden vastgesteld aan de hand van zijn basisinkomen, nu hij met ingang van 1 januari 2014 geen overuren meer heeft gemaakt. De man berekent zijn basisinkomen op € 77.316,- bruto per jaar.
Ter onderbouwing hiervan heeft de man in eerste aanleg gesteld dat zijn werkzaamheden met ingang van 1 januari 2014 aanzienlijk zijn teruggelopen, nu voor de extra taak die hij op zich had genomen een nieuwe manager is aangesteld. In dat verband heeft de man een brief d.d. 24 januari 2014 overgelegd van [E] B.V., waarin Sr. HR Manager [F] onder meer het volgende verklaart:
" In December 2013 we hired a new Project Manager to oversee the remainder of this project based in Germany. As a result Mr. [verzoeker] will no longer be required to travel as frequently to customer site and he will no longer be in receipt of overtime payments from 1 January 2014 onwards."
Met hetgeen de man naar voren heeft gebracht en aan producties heeft overgelegd heeft hij zijn stelling dat met ingang van 1 januari 2014 voor de berekening van zijn draagkracht van een lager inkomen moet worden uitgegaan naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De man heeft weliswaar een brief overgelegd, waarin wordt verklaard dat met ingang van 1 januari 2014 geen overuren meer aan hem zullen worden uitbetaald, maar de vrouw heeft de betrouwbaarheid van deze brief in twijfel getrokken, nu deze niet afkomstig is van de werkgever van de man [D] B.V., maar van [E] B.V. Ook als het hof de brief wél voldoende betrouwbaar zou achten, heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat vanaf 1 januari 2014 daadwerkelijk geen overuren meer aan hem zijn uitbetaald. De man heeft immers slechts de salarisspecificaties over de maanden januari, februari en maart 2014 in het geding gebracht, terwijl de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat deze salarisspecificaties een reëel beeld geven van zijn inkomen. In het licht van de betwisting door de vrouw heeft de man onvoldoende andere gegevens overgelegd die kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stelling. Het had op zijn weg gelegen om, conform het geldende procesreglement, de jaaropgave 2014 in het geding te brengen, alsmede de aangifte inkomstenbelasting 2014 (met bijbehorende aanslag). Gelet op het feit dat de man in de aan 2014 voorafgaande jaren structureel veel overuren uitbetaald heeft gekregen, wat blijkens de overgelegde jaaropgaven heeft geleid tot een bruto inkomen in 2012 van € 132.605,- en in 2013 van € 117.279,-, is het enkel overleggen van drie salarisspecificaties onvoldoende om tot de conclusie te leiden dat vanaf 2014 uitgegaan moet worden van een jaarinkomen exclusief overuren van € 77.316,- per jaar. De eerste grief in het principaal appel faalt derhalve.
Het door de rechtbank aan de hand van de salarisspecificatie van december 2013 vastgestelde netto besteedbaar inkomen van de man van € 5.165,- per maand is overigens tussen partijen niet in geschil, zodat het hof dit verder als uitgangspunt zal nemen voor de berekening van zijn draagkracht.
* De periode vanaf 1 september 2014
De man is met ingang van 29 augustus 2014 naar [A] (Duitsland) verhuisd. Met ingang van 1 september 2014 is hij in dienst getreden bij [G] Gmbh, gevestigd in [H] (verder ook: [G] ). De man stelt dat hij bij [G] een inkomen genereert van € 45.420,- netto per jaar, oftewel € 3.785,- netto per maand. De man is van mening dat dit (lagere) inkomen in de periode vanaf 1 september 2014 tot uitgangspunt moet worden genomen voor de vaststelling van zijn draagkracht. De vrouw is echter van mening dat het hof dient uit te gaan van voormeld inkomen van € 5.165,- netto per maand, nu de man zijn werk bij [D] B.V. vrijwillig heeft beëindigd en het inkomensverlies herstelbaar is.
Voor zover de man al voldoende zou hebben onderbouwd dat hij sinds 1 september 2014 een lager inkomen geniet - hetgeen door het slechts overleggen van vier - niet vertaalde - salarisspecificaties over de maanden februari, maart, april en mei 2015 in het licht van de betwisting door de vrouw niet het geval is - is het hof van oordeel dat geen rekening kan worden gehouden met dit lagere inkomen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
Bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige komt het niet alleen aan op het inkomen dat hij verwerft, maar ook op het inkomen dat hij redelijkerwijs geacht kan worden te verwerven. Het kan zich voordoen dat de onderhoudsplichtige door zijn gedragingen zelf een vermindering van zijn inkomen heeft teweeggebracht. Of een dergelijke vermindering bij het bepalen van zijn draagkracht buiten beschouwing moet blijven, zal in de eerste plaats afhangen van de vraag of hij redelijkerwijs in staat moet worden geacht zich opnieuw het oorspronkelijke inkomen te gaan verwerven en of de onderhoudsgerechtigde dit ook van hem kan vergen.
Het hof is van oordeel dat de man niet, althans onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn inkomensverlies niet voor herstel vatbaar is. Vast staat dat de man zijn baan bij [D] B.V. zelf heeft opgezegd. De man stelt weliswaar dat dit was ingegeven door de teruggang in de bedrijfsactiviteiten van [D] B.V. en het feit dat er steeds verdergaande eisen aan de werknemers werden gesteld, maar deze stelling heeft hij, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, onvoldoende met stukken onderbouwd. De man heeft derhalve onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet kan terugkeren in zijn oude baan. Evenmin is gebleken dat de man inspanningen verricht om in Duitsland een soortgelijk inkomen te genereren. Naar het oordeel van het hof moet de man in staat worden geacht opnieuw het voormalig inkomen zoals hij dat genoot bij [D] B.V te verwerven, inclusief de vergoeding voor gemaakte overuren, zoals hiervoor vastgesteld op € 5.165,- netto per maand. De door de man gestelde geringere belastbaarheid heeft hij naar het oordeel van het hof onvoldoende met stukken onderbouwd. De onderhoudsgerechtigden kunnen dan ook van hem vergen dat hij opnieuw het oorspronkelijke inkomen gaat verwerven.
* De fiscale behandeling / noodzaak om te verhuizen
Hoewel de man met de door hem overgelegde in- en uitschrijvingsbewijzen voldoende heeft onderbouwd dat hij met ingang van 21 augustus 2014 in Duitsland woont, en derhalve daar belastingplichtig is, ziet het hof aanleiding om voor de berekening van zijn draagkracht aansluiting te zoeken bij de Nederlandse belastingheffing. In dit verband volgt het hof de vrouw in haar primaire stelling dat voor de man geen noodzaak bestond om naar Duitsland te verhuizen. Ook ten tijde van het huwelijk was de man, onbetwist, her en der in Duitsland te werk gesteld. De man stelt weliswaar dat hij feitelijk werkzaamheden verricht in [A] , maar deze stelling, alsmede de noodzaak om daar te werken in plaats van bijvoorbeeld in [H] , heeft hij naar het oordeel van het hof onvoldoende met stukken onderbouwd. Door ondanks het ontbreken van de noodzaak daartoe toch naar [A] te verhuizen heeft de man zijn recht op hypotheekrenteaftrek en fiscaal voordeel t.a.v. de kinder- en partneralimentatie prijsgegeven. Het hof ziet aanleiding om, zowel ten aanzien van de kinderalimentatie als ten aanzien van de partneralimentatie, ook in de periode vanaf 1 september 2014 volledig aan te sluiten bij het Nederlandse belastingstelsel. Dit houdt in dat het hof rekening zal houden met het fiscaal voordeel kinderalimentatie en het fiscaal voordeel partneralimentatie. Voorts zal in het kader van de partneralimentatie rekening worden gehouden met het eigenwoningforfait en de aftrekbare hypotheekrente, terwijl geen rekening zal worden gehouden met de door de man gestelde hogere ziektekostenpremie en zijn huur. Voor zover de vrouw heeft ingestemd met het in aanmerking nemen van (een gedeelte van) deze posten, moet dit worden opgevat als een subsidiair verweer, dat uitsluitend aan de orde komt indien het primaire verweer ten aanzien van de noodzaak tot verhuizing zal worden afgewezen.
De draagkracht van de man voor kinderalimentatie bedraagt op grond van voormelde formule in 2014 derhalve afgerond € 1.929,- per maand, welk bedrag in de periode tot 1 januari 2015 nog dient te worden verhoogd met het fiscaal voordeel dat de man kan genieten van € 93,- per maand. Zijn draagkracht bedraagt in de periode tot 1 januari 2015 derhalve
€ 2.022,- per maand. Met ingang van 1 januari 2015 zal geen rekening meer worden gehouden met fiscaal voordeel, aangezien de aanspraak van de man hierop zou zijn vervallen als gevolg van de Wet hervorming kindregelingen. Zijn draagkracht bedraagt in de periode vanaf 1 januari 2015 derhalve € 1.929,- per maand.
* Draagkrachtvergelijking
In de periode van 29 januari 2014 tot 1 januari 2015 bedraagt de totale draagkracht van de man en de vrouw € 2.072,- per maand (€ 2.022,- + € 50,-).
Aangezien de totale draagkracht van de man en de vrouw groter is dan de resterende behoefte van de kinderen, zal het hof het aandeel van de man bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking. De verdeling van de resterende behoefte over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de resterende behoefte.
Het aandeel van de man in de resterende behoefte van de kinderen bedraagt aldus in de periode van 29 januari 2014 tot 1 januari 2015 afgerond € 520,- per kind per maand
(€ 2.022,- / € 2.072,- x € 533,-).
Met ingang van 1 januari 2015 is de draagkrachtformule in de Aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen aangepast aldus dat die voor inkomens hoger dan € 1.525,- is komen te luiden 70% x [NBI – (0,3 NBI + 875)].
De man heeft in zijn nadere akte d.d. 28 mei 2015, uitsluitend voor de periode vanaf 1 januari 2015, een beroep gedaan op de aanvaardbaarheidstoets ten aanzien van de lasten van de voormalige echtelijke woning van partijen en de reiskosten die hij maakt in verband met de zorgregeling.
Het hof begrijpt dat de man heeft bedoeld een beroep te doen op de in §7.2 van het Rapport Alimentatienormen opgenomen mogelijkheid tot verhoging van het draagkrachtloos inkomen. Voor zover de man wel heeft bedoeld een beroep te doen op de aanvaardbaarheidstoets, is het hof van oordeel dat hij dit beroep onvoldoende heeft onderbouwd, nu hij niet geconcretiseerd en onderbouwd heeft aangegeven dat bij het opleggen van de hierna te melden kinderbijdrage sprake is van rechtens onaanvaardbare gevolgen, in die zin dat hij niet meer in zijn noodzakelijke kosten van levensonderhoud zal kunnen voorzien.
Ingevolge §7.2 van het Rapport Alimentatienormen kan, als bepaalde niet vermijdbare en niet verwijtbare lasten vaststaan, zoals bijvoorbeeld betalingen in verband met de restschuld voor de voormalige echtelijke woning of andere (huwelijkse) schulden, daarmee rekening worden gehouden door het draagkrachtloos inkomen, zoals vermeld in de tabel, te verhogen.
Vast staat dat de vrouw de voormalige echtelijke woning op 1 maart 2014 heeft verlaten en dat de woning vanaf dat moment niet meer wordt bewoond.
Tussen partijen is niet in geschil dat de lasten van de voormalige echtelijke woning bestaan uit de hypotheekrente van € 1.781,33 per maand, de eigenaarslasten van
€ 95,- per maand en de premie kapitaalverzekering van € 407,- per maand. De man stelt dat hij deze lasten volledig betaalt.
De vrouw betwist dat de man de hypotheekrente en de premie kapitaalverzekering betaalt. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een e-mailbericht van [I] d.d. 15 juni 2015 overgelegd.
Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat hij de woonlasten van de voormalige echtelijke woning met ingang van 1 januari 2015 nog altijd volledig betaalt, gelet op de onderbouwde betwisting hiervan door de vrouw, onvoldoende met relevante bescheiden heeft onderbouwd. Uit het door de vrouw overgelegde e-mailbericht van [I] d.d. 15 juni 2015 blijkt dat er een achterstand is ontstaan in de betaling van de hypotheekrente van € 7.573,98. In verband met deze betalingsachterstand zijn de twee verpande levensverzekeringspolissen uitgekeerd en is een bedrag van
€ 25.793,22 voorlopig op de hypotheekachterstand afgeboekt. Daarmee is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat de woonlasten van de voormalige echtelijke woning in elk geval ten dele ook ten laste komen van de vrouw. Het hof kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen welk deel van de lasten van de voormalige echtelijke woning voor rekening komt van de man en ziet om die reden geen aanleiding tot verhoging van het draagkrachtloos inkomen met een bedrag ter zake van door de man voldane lasten van de voormalige echtelijke woning.
De man stelt zich voorts op het standpunt dat zijn draagkrachtloos inkomen dient te worden verhoogd met de reiskosten die hij maakt voor de zorgregeling en die hij heeft berekend op een bedrag van € 348,- per maand. Nu zoals hiervoor overwogen de noodzaak voor de verhuizing van de man naar [A] ontbreekt, terwijl bovendien gelet op de sinds 1 april 2013 geldende nieuwe richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen bij de berekening van de draagkracht reeds forfaitair rekening is gehouden met de lasten van partijen, ziet het hof geen aanleiding om rekening te houden met voormeld bedrag.
De draagkracht van de man bedraagt in de periode vanaf 1 januari 2015 op grond van voormelde formule afgerond € 1.918,- per maand en de totale draagkracht van de man en de vrouw bedraagt in deze periode € 1.968,- per maand (€ 1.918,- + € 50,-).
In de periode vanaf 1 januari 2015 bedraagt het aandeel van de man in de resterende behoefte van de kinderen aldus afgerond € 380,- per kind per maand (€ 1.918,- / € 1.968,- x
€ 390,-) .
De zorgkorting
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de zorgkorting invloed heeft op de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen.
De kosten van de zorgregeling worden bepaald aan de hand van de behoefte van de kinderen en het gemiddeld aantal dagen per week -vakanties meegerekend- dat het kind doorbrengt bij of voor rekening komt van de ouder waar het kind niet zijn hoofdverblijf heeft. Onder behoefte wordt in dit verband conform de Aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatienormen begrepen het tabelbedrag verminderd met het kindgebonden budget, oftewel de resterende behoefte. De eerste grief van de vrouw in het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre. Als vuistregel worden de zorgkosten uitgedrukt in een percentage van de behoefte hetgeen de volgende zorgkorting oplevert:
- 15% bij gedeelde zorg op gemiddeld 1 dag per week;
- 25% bij gedeelde zorg op gemiddeld 2 dagen per week;
- 35% bij gedeelde zorg op gemiddeld 3 dagen per week.
Indien de ouders andere afspraken maken over de kosten- en zorgverdeling, dan kunnen zij een ander percentage hanteren.
De vrouw stelt dat [de minderjarige1] al vanaf december 2014 niet meer naar de man gaat. Er dient daarom volgens de vrouw rekening te worden gehouden met en totale zorgkorting van 7,5%. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw echter niet onderbouwd dat van een zorgregeling geen sprake meer is en behoort te zijn, zodat het hof een totale zorgkorting van 15% zal hanteren.
De draagkracht van de man en de vrouw is voldoende om in de resterende behoefte van de kinderen te voorzien. De zorgkorting bedraagt in de periode van 29 januari 2014 tot 1 januari 2015 afgerond € 160,- per maand (15% van € 1.066,-), oftewel € 80,- per kind per maand, en in de periode vanaf 1 januari 2015 afgerond € 117,- per maand (15% van € 780,-), oftewel € 58,50 per kind per maand.
Conclusie ten aanzien van de kinderalimentatie
Gelet op het vorenstaande zal het hof de door de man in de periode van 29 januari 2014 tot 1 januari 2015 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen bepalen op afgerond € 440,- per kind per maand (€ 520,- minus € 80,-) en in de periode vanaf 1 januari 2015 op afgerond € 322,- per kind per maand (€ 380,- minus
€ 58,50).
De partneralimentatie
De behoefte van de vrouw
De man heeft in zijn nadere akte d.d. 28 mei 2015 voor het eerst de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw aan de orde gesteld. Hoewel de vrouw zich op het standpunt stelt dat de man deze grieven te laat heeft ingesteld, nu hij dit reeds in het beroepschrift had kunnen doen, is het hof van oordeel dat het gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in zaken als de onderhavige mogelijk is om nog in dit stadium van de procedure nieuwe grieven op te werpen.
De man stelt de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie en wel op het punt van de berekening van de welstand aan de hand van de 60%-norm.
De hoogte van de behoefte van een onderhoudsgerechtigde is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk, waarbij als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de onderhoudsgerechtigde wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij (mede) gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de alimentatiebehoefte dient volgens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven in de laatste periode van het huwelijk, en daarnaast dient de behoefte zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde te worden bepaald. Hiertoe kan door de onderhoudsgerechtigde een gespecificeerde behoeftelijst worden opgesteld.
Indien geen gespecificeerde behoeftelijst voorhanden is of kan worden vastgesteld, wordt de behoefte doorgaans, indien daartegen van de zijde van de onderhoudsplichtige geen bezwaren naar voren zijn gebracht, gelijkgesteld aan 60% van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, verminderd met de (eventuele) kosten van de kinderen en zonder overigens rekening te houden met de fiscale voordelen.
De man heeft weliswaar de toepasselijkheid van de 60%-norm betwist, maar deze betwisting is in deze naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat de behoefte van de vrouw niet gelijkgesteld kan worden aan 60% van het netto gezinsinkomen van partijen in de laatste periode van het huwelijk. Het hof is van oordeel dat het op de weg van de man had gelegen om gemotiveerd te stellen waarom toepassing van de 60%-norm volgens hem leidt tot een te hoge behoefte van de vrouw. Nu hij dit heeft nagelaten, en het hof overigens geen reden heeft om aan te nemen dat de behoefte in casu niet gelijkgesteld zou kunnen worden aan 60% van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk, is het hof van oordeel dat de 60%-norm dient te worden toegepast.
Vast staat dat partijen in 2012 feitelijk uit elkaar zijn gegaan. Het netto besteedbaar gezinsinkomen van € 6.387,- per maand, aan de hand waarvan de rechtbank de behoefte van de vrouw heeft berekend, is tussen partijen niet in geschil. Het hof zal de behoefte van de vrouw dan ook berekenen aan de hand van dit inkomen. Uitgaande van de kosten van de kinderen die in 2012 € 1.165,- per maand bedroegen, kan de behoefte van de vrouw worden becijferd op 60% van € 5.222,- (€ 6.387,- minus € 1.165,-) = afgerond € 3.133,- netto per maand, oftewel geïndexeerd naar 2014 (afgerond) € 3.215,-.
De behoeftigheid van de vrouw
Werkelijke of redelijkerwijs te verwerven eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de alimentatiebehoefte. Voor het bepalen van de behoeftigheid wordt daarom rekening gehouden met de inkomsten dan wel de redelijkerwijs te verwerven inkomsten van de onderhoudsgerechtigde.
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij voor een groter deel in haar eigen behoefte voorziet en dat zij in dat verband inzage dient te geven in de inspanningen die zij verricht om meer uren of een andere baan te verkrijgen.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw voldoende onderbouwd dat zij op dit moment niet meer kan werken dan zij al doet. Het hof neemt daartoe mede in aanmerking dat nu de man naar Duitsland is verhuisd, de vrouw de volledige zorg draagt voor de beide (kwetsbare) minderjarige kinderen van partijen. De kinderen krijgen op dit moment hulpverlening om de echtscheiding van partijen te verwerken en de vrouw begeleidt hen daarbij. Van de vrouw kan daarom naar het oordeel van het hof op dit moment niet worden verlangd dat zij meer gaat werken dan zij thans doet en zij kennelijk ook ten tijde van het huwelijk van partijen deed.
Dit laat onverlet dat het hof van oordeel is dat de vrouw op langere termijn, waarbij gedacht kan worden aan een periode van vijf jaar - aangezien beide kinderen dan naar de middelbare school zullen gaan en hun problematiek in verband met de echtscheiding van partijen zal zijn verminderd - van de vrouw kan worden verwacht dat zij meer gaat werken dan de huidige 11,54 uur per week. Het hof neemt daartoe in aanmerking dat de vrouw nog maar 37 jaar oud is en dat van haar mag worden verwacht dat zij zich in de tussenliggende periode inspant om haar mogelijkheden op de arbeidsmarkt te vergroten. Voor het thans limiteren van de onderhoudsverplichting tot een periode van vijf jaar, zoals door de man verzocht, ziet het hof echter geen aanleiding, nu naar het oordeel van het hof na ommekomst van voornoemde termijn van vijf jaar - indien partijen daar in onderling overleg niet uitkomen - een beoordeling dient plaats te vinden naar de situatie zoals die op dat moment is, waarbij niet op voorhand vast staat dat de vrouw alsdan volledig in de kosten van haar eigen levensonderhoud zal (moeten) kunnen voorzien. De zevende grief in het principaal hoger beroep faalt derhalve.
Het door de rechtbank vastgestelde netto inkomen van de vrouw van € 500,- netto per maand is door partijen niet bestreden. Het hof stelt de netto behoefte van de vrouw in 2014 daarom vast op een bedrag van € 2.715,- per maand (€ 3.215,- minus € 500,-).
De draagkracht van de man
* Het inkomen
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat ook in het kader van de vaststelling van de partneralimentatie in de periode van 22 mei 2014 tot 1 september 2014 rekening dient te worden gehouden met zijn lagere basissalaris van € 77.316,- bruto per jaar en in de periode vanaf 1 september 2014 met zijn lagere netto salaris van € 45.420,- per jaar.
Het hof is van oordeel dat de man ten aanzien van de periode tot 1 september 2014 onvoldoende heeft onderbouwd dat hij daadwerkelijk een lager inkomen genoot dan voorheen en verwijst in dit verband naar de overwegingen 5.11 tot en met 5.15. Ten aanzien van de periode vanaf 1 september 2014 is het hof van oordeel dat sprake is van voor herstel vatbaar inkomensverlies en verwijst in dat verband naar de overwegingen 5.16 tot en met 5.19.
Het hof zal de draagkracht van de man voor partneralimentatie derhalve ten aanzien van beide perioden berekenen aan de hand van het tussen partijen overigens niet in geschil zijnde inkomen van de man in 2013 van € 110.120,-. Het hof verwijst voorts naar rechtsoverweging 5.20.
* De woonlasten van de voormalige echtelijke woning
De vrouw heeft zich er niet tegen verzet dat de rechtbank bij de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie rekening heeft gehouden met de woonlasten van de voormalige echtelijke woning, te weten een bedrag van € 1.781,- ter zake van aftrekbare hypotheekrente, een bedrag van € 407,- ter zake van premie levensverzekering en een bedrag van € 95,- ter zake van forfait eigenaarslasten, met dien verstande dat zij zich op het standpunt stelt dat niet langer rekening kan worden gehouden met deze lasten vanaf het moment dat de man deze niet langer betaalt.
Het hof zal daarom, in aansluiting op hetgeen ten aanzien van de kinderalimentatie is overwogen, in de periode tot 1 januari 2015 rekening houden met bovenvermelde lasten van de voormalige echtelijke woning en in de periode vanaf 1 januari 2015 niet meer. Vast staat echter dat deze lasten uiteindelijk wel door partijen zullen moeten worden voldaan. In dat verband acht het hof het raadzaam dat partijen hierover met elkaar in overleg treden en zo nodig geld daarvoor reserveren. Uit de overgelegde stukken blijkt niet of de voormalige echtelijke woning inmiddels in de verkoop is gezet. Voor zover dat nog niet is geschied acht het hof het - ter voorkoming van het verder oplopen van de reeds voorziene restschuld - raadzaam dat partijen hier zo spoedig mogelijk toe overgaan, nu vast staat dat noch de man, noch de vrouw de woning zal overnemen.
* De huur
Het hof zal, zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 5.20 geen rekening houden met de door de man betaalde huur voor zijn woning in [A] .
* De premie ziektekostenverzekering
Zoals hiervoor overwogen onder rechtsoverweging 5.20 zal het hof met ingang van 1 september 2014 geen rekening houden met de door de man opgevoerde ziektekostenpremie van € 350,63. Het hof in de periode vanaf 1 september 2014, gelijk de daaraan voorafgaande periode, een bedrag van € 194,- in aanmerking nemen (€ 97,- + € 68,- + € 29,-).
* De aflossing op de lening van partijen bij de moeder van de man
De man stelt dat partijen in verband met de aankoop van de voormalige echtelijke woning een bedrag van € 10.000,- bij zijn moeder hebben geleend en dat hij op de thans nog openstaande restsom, die volgens hem € 7.250,- bedraagt, maandelijks een bedrag van
€ 250,- aflost.
Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde aflossing op deze schuld, nu de vrouw gemotiveerd heeft betwist dat hiermee rekening moet worden gehouden en uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de man tot periodieke aflossing op deze schuld verplicht is. Vrijwillig aflossen op een dergelijke schuld heeft geen voorrang op de onderhoudsverplichting van de man.
* De reiskosten in verband met de zorgregeling
De man stelt zich op het standpunt dat in de periode vanaf 1 september 2014 rekening dient te worden gehouden met een bedrag van € 348,- per maand ter zake van de reiskosten die hij moet maken om uitvoering te kunnen geven aan de zorgregeling. De man stelt in dit verband dat hij een weekend per veertien dagen de reisafstand tussen [A] en [J] aflegt.
Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde reiskosten, nu de noodzaak voor het maken van deze kosten onvoldoende vast is komen te staan, terwijl de vrouw voorts heeft gesteld dat deze kosten wellicht niet ten laste van de man komen en de man een en ander niet nader heeft onderbouwd.
Conclusie ten aanzien van de partneralimentatie
Het voorgaande en mede in aanmerking genomen de niet betwiste posten in de draagkrachtberekeningen van de rechtbank in eerste aanleg, leidt tot de aan deze beschikking gehechte en door de griffier van het hof gewaarmerkte berekeningen van de draagkracht van de man voor partneralimentatie.
* De periode van 22 mei 2014 tot 1 januari 2015
Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de draagkrachtruimte van de man in de periode van 22 mei 2014 tot 1 januari 2015 € 2.754,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is in beginsel 60%, oftewel € 1.652,- per maand beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de vrouw.
Deze voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte dient evenwel te worden verminderd met het aandeel dat de man levert, inclusief de zorg, in de kosten van de kinderen, in de periode van 22 mei 2014 tot 1 januari 2015 van € 1.040,- per maand, en te worden vermeerderd met het fiscaal voordeel dat de man kan genieten uit de buitengewone lastenaftrek van € 93,- per maand.
Op grond van het vorenstaande resteert voor de vrouw in de periode van 22 mei 2014 tot 1 januari 2015 een bedrag van € 705,- per maand (€ 1.652,- minus € 1.040,- plus
€ 93,-).
Gelet op de het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw in de periode van 22 mei 2014 tot 1 januari 2015 een bedrag van € 1.468,- per maand betalen. De door het hof op te leggen bijdrage wordt echter begrensd door de bijdrage die de rechtbank heeft opgelegd van € 886,- bruto per maand.
* De periode vanaf 1 januari 2015
Uit de draagkrachtberekening blijkt dat de draagkrachtruimte van de man in de periode vanaf 1 januari 2015 € 3.987,- per maand bedraagt. Van deze draagkrachtruimte is in beginsel 60%, oftewel € 2.392,- per maand beschikbaar voor alimentatie ten behoeve van de vrouw.
Deze voor partneralimentatie beschikbare draagkrachtruimte dient evenwel te worden verminderd met het aandeel dat de man levert, inclusief de zorg, in de kosten van de kinderen, in de periode vanaf 1 januari 2015 € 760,- per maand.
Op grond van het vorenstaande resteert voor de vrouw in de periode vanaf 1 januari 2015 een bedrag van € 1.632,- per maand (€ 2.392,- minus € 760,-).
Gelet op de het door de man te genieten fiscaal voordeel wegens de mogelijkheid om betaalde partneralimentatie van zijn inkomen af te trekken, kan de man ten behoeve van de vrouw in de periode van 22 mei 2014 tot 1 januari 2015 een bedrag van € 3.400,- per maand betalen. De door het hof op te leggen bijdrage wordt echter begrensd door de bijdrage die de rechtbank heeft opgelegd van € 1.500,- bruto per maand.
* Conclusie ten aanzien van de partneralimentatie
Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de man met ingang van 22 mei 2014 dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 886,- per maand en met ingang van 1 januari 2015 met een bedrag van € 1.500,- per maand.
De slotsom
Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.
6 De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2014 voor zover het de daarbij vastgestelde kinderalimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren [in] 2003 in de gemeente [C] en [de minderjarige2] , geboren [in] 2006 in de gemeente [C] :
- met ingang van 29 januari 2014 tot 1 januari 2015 met een bedrag van € 440,- per kind per maand;
- met ingang van 1 januari 2015 met een bedrag van € 322,- per kind per maand;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 29 januari 2014 voor zover het de daarbij vastgestelde partneralimentatie betreft, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw:
- met ingang van 22 mei 2014 tot 1 januari 2015 met een bedrag van € 886,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2015 met een bedrag van € 1.500,- per maand;
bepaalt dat voormelde bedragen telkens bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan aan de vrouw;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.P. den Hollander, mr. J.D.S.L. Bosch en
mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van
18 augustus 2015 in bijzijn van de griffier.