Personen- en familierecht

Uithuisplaatsing. Toestemming voor overplaatsing kind naar een ander pleeggezin. Beschikking in klare taal.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 juli 2019

Zaakgegevens

Op 30 juli 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
30 juli 2019
Datum publicatie
30 juli 2019
Zaaknummer
200.250.723
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. M.H van der Linden te [B], mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest (onttrokken)
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2019:6192
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Uithuisplaatsing. Toestemming voor overplaatsing kind naar een ander pleeggezin. Beschikking in klare taal.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.250.723

(zaaknummer rechtbank Overijssel 223994)

beschikking van 30 juli 2019

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [A] (Overijssel),

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.H. van der Linden te [B] ,

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel,

gevestigd te Hengelo (Overijssel),
verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de Jeugdbescherming.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

[de vader] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de vader,

en

[de voormalige pleegouders] ,

wonende te [C] ,

verder ook te noemen: de voormalige pleegouders,

advocaat: mr. G.R. Dorhout-Tielken te Soest (onttrokken).

1 De rechtszaak bij de rechtbank

In de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 oktober 2018 en 31 oktober 2018, staat hoe het proces bij de kinderrechter is gegaan.

2 De rechtszaak in hoger beroep

2.1.

In het dossier van het hof zitten de volgende stukken:

  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 3 december 2018;

  • de brief van de Jeugdbescherming van 11 maart 2019 met bijlagen;

  • een e-mail van de Jeugdbescherming van 25 juni 2019 met als bijlage de laatste beschikking van de kinderrechter over de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;

  • een journaalbericht van mr. Dorhout-Tielkens van 21 juni 2019, waarin zij schrijft dat zij niet langer optreedt als advocaat van de voormalige pleegouders.

2.2.

De zitting bij het hof was op 25 juni 2019. De moeder is die dag samen met haar advocaat gekomen. Namens de Jeugdbescherming zijn gekomen de heer [D] en mevrouw [E] . Ook waren aanwezig de vader en de voormalige pleegmoeder.

3 De voorgeschiedenis

3.1.

De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2015 in [B] . De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .

3.2.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] op 13 mei 2016 onder toezicht gesteld van de Jeugdbescherming. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling voor het laatst verlengd in de beschikking van 23 april 2019. De ondertoezichtstelling loopt tot 13 mei 2020.

3.3.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] op 20 oktober 2016 voor het eerst uit huis geplaatst. De kinderrechter heeft zijn uithuisplaatsing ook iedere keer verlengd en deze is in de beschikking van 23 april 2019 voor het laatst verlengd tot 13 mei 2020.

3.4.

Bij de eerste uithuisplaatsing is [de minderjarige] in een crisispleeggezin geplaatst. In een crisispleeggezin kan een kind maar voor korte tijd wonen en daarom is door de Jeugdbescherming gezocht naar een pleeggezin waarin [de minderjarige] zo lang kan blijven als nodig is. Dit wordt een perspectief biedend pleeggezin genoemd. De voormalige pleegouders hadden een plek als perspectief biedend pleeggezin en op 6 maart 2017 is [de minderjarige] bij de voormalige pleegouders komen wonen. Omdat de Jeugdbescherming het niet goed vond gaan bij de voormalige pleegouders, heeft zij een spoedverzoek bij de kinderrechter ingediend voor overplaatsing van [de minderjarige] naar een ander pleeggezin. De kinderrechter heeft in de beschikking van 22 oktober 2018 op dit spoedverzoek beslist en toestemming gegeven voor overplaatsing van [de minderjarige] naar een ander pleeggezin voor een periode van twee weken. In de beschikking van 31 oktober 2018 heeft de kinderrechter een beslissing voor een langere termijn genomen en bepaald dat [de minderjarige] mag blijven wonen in dit andere pleeggezin, namelijk het crisispleeggezin waar hij eerder al heeft gewoond. Het crisispleeggezin heeft verklaard dat [de minderjarige] bij hen mag blijven wonen en is nu een perspectief biedend pleeggezin voor [de minderjarige] . [de minderjarige] kan hier dus blijven wonen zolang als dat nodig is.

4 Waar het nu over gaat

4.1.

De moeder is het niet eens met de beschikkingen van 22 oktober 2018 en 31 oktober 2018. Zij is het niet eens met de overplaatsing van [de minderjarige] naar een ander pleeggezin dan het voormalige pleeggezin. Zij verzoekt het hof daarom om [de minderjarige] terug te plaatsen naar de voormalige pleegouders.

4.2.

De Jeugdbescherming is het niet eens met het verzoek van de moeder. Zij vraagt dit verzoek van de moeder af te wijzen. De Jeugdbescherming vindt dat het goed voor [de minderjarige] is dat hij blijft wonen in het pleeggezin waar hij nu woont.

4.3.

De vader heeft tijdens de zitting van het hof verklaard dat ook hij het niet eens is met het verzoek van de moeder. De vader wil dat [de minderjarige] blijft wonen in het pleeggezin waar hij nu woont.

4.4.

De voormalige pleegmoeder heeft tijdens de zitting van het hof verklaard dat zij het, net als de moeder, niet eens is met de overplaatsing van [de minderjarige] naar een ander pleeggezin.

5 De redenen voor de beslissing

Wat in de wet staat

5.1.

Het hof moet beoordelen of de kinderrechter terecht toestemming heeft verleend voor overplaatsing van [de minderjarige] naar een ander pleeggezin dan het voormalige pleeggezin. Hierbij moet het hof toetsen aan de wet. Voor de overplaatsing van [de minderjarige] toetst het hof aan artikel 1:265i, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek. Dit artikel komt erop neer dat een verzoek van de Jeugdbescherming voor overplaatsing van een kind alleen mag worden afgewezen als de kinderrechter dit in het belang van het kind noodzakelijk vindt.

Wat het hof ervan vindt

5.2.

[de minderjarige] heeft van 6 maart 2017 tot 22 oktober 2018 bij de voormalige pleegouders gewoond. Zij hebben een grote betrokkenheid laten zien en voor [de minderjarige] gezorgd alsof hij hun eigen kind was. Hoewel de voormalige pleegouders zich enorm hebben ingezet, is eind 2017 de relatie tussen de voormalige pleegouders en de vader verslechterd. De voormalige pleegouders hadden grote moeite met de omgang tussen [de minderjarige] en de vader. Dit was voor [de minderjarige] voelbaar, waardoor hij ook moeite kreeg met de omgang met zijn vader. Dit uitte hij door na de omgang probleemgedrag te laten zien. Hij huilde veel, hij was ontroostbaar en opstandig en hij wilde niet slapen. De voormalige pleegouders hebben dit aan de Jeugdbescherming laten weten en voorgesteld de omgang met de vader te verminderen. Daarop heeft de Jeugdbescherming de omgang tussen [de minderjarige] en de vader geobserveerd, maar daaruit kwamen geen zorgen over de omgang naar voren. Tijdens de omgang was te zien dat [de minderjarige] en de vader een sterke band met elkaar hebben en dat [de minderjarige] juist heel enthousiast was als hij met de vader omging. Ook bij de voormalige pleegouders thuis heeft de Jeugdbescherming geobserveerd. De Jeugdbescherming heeft toen kunnen zien dat er grote spanningen tussen de vader en de voormalige pleegouders zijn. Deze spanningen hebben gevolgen voor de ontwikkeling van [de minderjarige] , doordat de voormalige pleegouders hierdoor minder energie hebben voor de opvoeding van [de minderjarige] . De verslechterde relatie met de vader kost hen namelijk veel energie en daarnaast heeft ook hun (geadopteerde) dochter veel aandacht nodig. De voormalige pleegouders hebben daarom meerdere keren verklaard dat zij het op deze manier niet lang kunnen volhouden. De Jeugdbescherming heeft gezegd dat zij zeker heeft nagedacht over een vermindering van de omgang tussen [de minderjarige] en de vader, maar vindt een vermindering niet goed voor [de minderjarige] . Door een vermindering van de omgang zal de vader alleen maar nog minder vertrouwen in het voormalige pleeggezin krijgen en zijn onvrede hierover uiten. Dit zal bij het voormalige pleeggezin nog meer spanning en stress opleveren. Daarbij komt dat de Jeugdbescherming het erg belangrijk vindt dat [de minderjarige] een goed contact met beide ouders kan hebben. De ouders van [de minderjarige] zullen altijd zijn ouders blijven. De voormalige pleegouders hebben een belangrijke rol in de omgang tussen [de minderjarige] en zijn ouders. Zij moeten ervoor zorgen dat [de minderjarige] op een fijne manier omgang met zijn ouders kan hebben en dat hij op alle plekken zichzelf mag zijn. De Jeugdbescherming heeft hierover meerdere gesprekken met de voormalige pleegouders gehad, maar de situatie is hierdoor niet verbeterd. Daarom heeft de Jeugdbescherming uiteindelijk het verzoek bij de kinderrechter ingediend om [de minderjarige] over te plaatsen naar een ander pleeggezin. Het hof vindt dat de kinderrechter terecht toestemming heeft verleend voor deze overplaatsing. [de minderjarige] heeft namelijk bij de voormalige pleegouders veel last heeft van de spanningen, zolang hij bij hen woont is het moeilijk voor hem op een fijne manier omgang met zijn vader te hebben en er zijn zorgen over wat de voormalige pleegouders nog aankunnen. Het hof begrijpt dat een wisseling van pleeggezin spannend is voor [de minderjarige] en dat het verdrietig is voor de voormalige pleegouders. Voor de toekomst is het voor [de minderjarige] echter beter om in een pleeggezin te wonen zonder de spanningen. Vanuit deze rustige situatie kan [de minderjarige] op een fijne manier omgaan met zijn beide ouders en zich verder ontwikkelen.

5.3.

Op dit moment verblijft [de minderjarige] alweer een paar maanden in het andere pleeggezin. Het gaat daar heel goed met hem. Hij heeft geen achteruitgang in zijn ontwikkeling laten zien, terwijl dit eigenlijk wel valt te verwachten na een overplaatsing. Omdat [de minderjarige] eerder ook al in dit pleeggezin heeft gewoond, is dit voor hem een vertrouwde omgeving. Ook op school geven de leerkrachten aan dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt. De ontwikkeling van [de minderjarige] kan voor een deel worden verklaard doordat hij ouder is geworden, maar een deel van zijn ontwikkeling komt ook door de overplaatsing. Duidelijk is dat [de minderjarige] in dit pleeggezin tot rust komt. Hij heeft een goed contact met beide ouders en laat geen probleemgedrag meer zien na de omgang. Voor [de minderjarige] is het belangrijk dat hij op deze manier een goede band met beide ouders kan krijgen en in alle rust verder kan opgroeien. Daarom vindt het hof het belangrijk dat [de minderjarige] in het pleeggezin blijft waar hij op dit moment woont. Het hof ziet daarom geen redenen het verzoek van de Jeugdbescherming voor overplaatsing van [de minderjarige] naar het andere pleeggezin af te wijzen omdat dit in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk zou zijn. Dit betekent dat het hof is het niet eens met de moeder dat [de minderjarige] weer terug moet naar het voormalige pleeggezin. Het hof is het wel eens met de beschikking van de kinderrechter en wijst daarom het verzoek van de moeder af.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 22 oktober 2018 en 31 oktober 2018.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, H. Phaff en C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers, bijgestaan door mr. M. Knipping-Verbeek als griffier, en is op 30 juli 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.