Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Hoger beroep · Personen- en familierecht
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21 juli 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:5693 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 juli 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2020-5693
Zaakgegevens
Op 21 juli 2020 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 21 juli 2020
- Datum publicatie
- 21 juli 2020
- Zaaknummer
- 200.262.822
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.L. Witteveen te Rotterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2020:5693
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Uithuisplaatsing
Procesgang
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 21 juli 2020deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2020:5693
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 12 februari 2021
ECLI:NL:PHR:2021:128Hoge Raad · 11 juni 2021
ECLI:NL:HR:2021:887(Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzenVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.262.822
(zaaknummer rechtbank Gelderland 343815)
beschikking van 21 juli 2020
inzake
[de ouders] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
verzoekers in hoger beroep,
verder afzonderlijk ook te noemen “de moeder” en “de vader” en gezamenlijk ook te noemen “de ouders”,
advocaat: mr. A.L. Witteveen te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Doetinchem,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
1 Het verloop van het geding in hoger beroep
Voor het verloop van het geding tot 27 augustus 2019 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
In de voormelde tussenbeschikking heeft het hof de GI verzocht te bewerkstelligen dat de ouders worden opgenomen in het familiegezinshuis te [plaats] en over het verloop daarvan te rapporteren. Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden voor de duur van zes maanden.
Het verdere verloop blijkt uit:
- een brief van de GI van 27 februari 2020;
- een journaalbericht van mr. Witteveen van 10 maart 2020;
- een journaalbericht van mr. Witteveen van 4 mei 2020 met producties;
- een brief van de GI van 11 mei 2020 met productie;
- een journaalbericht van mr. Witteveen van 4 juni 2020;
- een brief van de GI van 23 juni 2020 met producties.
Op 25 juni 2020 is de mondelinge behandeling bij het hof voortgezet. Aanwezig waren:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat, en
- [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.
De raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) was met berichtgeving vooraf niet aanwezig.
2 De motivering van de beslissing
Het hof blijft bij wat is overwogen en beslist in zijn tussenbeschikking van
27 augustus 2019, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
uithuisplaatsing
De periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] is verleend, is op 6 september 2019 verstreken. Gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van hun gezinsleven, hebben de ouders recht op een beoordeling van de rechtmatigheid van die maatregel.
Het hof vindt dat het verlenen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] van 16 april 2019 tot 6 september 2019 noodzakelijk was. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
In de periode van 16 april 2019 tot 6 september 2019 waren er zorgen over onveilig gedrag van de moeder, de mogelijke betrokkenheid van de moeder bij een zedenzaak van de vader, snel wisselende emoties en een inconsistente benadering van [het kind] door de moeder. Bij de moeder zou sprake zijn van ADHD, borderline persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling, een eetstoornis en concentratieproblemen. Hoewel de moeder dit ontkent, waren er sterke aanwijzingen van huiselijk geweld van de vader naar de moeder. Zo zijn er in juni 2019 door buren meerdere meldingen gedaan bij de politie van huiselijk geweld Tegen de vader zijn meerdere aangiftes gedaan van zedenzaken. Er zou bij hem sprake zijn van een lichte vorm van een autismespectrumstoornis. In de periode van de uithuisplaatsing waren er zoveel contra-indicaties over de veiligheid van [het kind] bij de ouders thuis dat een uithuisplaatsing noodzakelijk was. De ouders zijn er niet in geslaagd de hiervoor genoemde zorgen weg te nemen.
De ouders zijn op 23 augustus 2019 aangemeld voor een intake bij het gezinshuis in [plaats] . De bij de intake betrokkenen van het gezinshuis in [plaats] zijn na twee intakegesprekken tot de conclusie gekomen dat het gebrek aan samenwerking dat zij met de ouders hebben ervaren een contra-indicatie voor opname in [plaats] is. Vanuit het gezinshuis is aan de ouders meerdere keren uitgelegd dat samenwerking, bijvoorbeeld door het aanleveren van documentatie en het toelichten van feiten, een voorwaarde is om het traject te kunnen vervolgen. De ouders waren heel gemotiveerd voor dit traject, maar zijn toch onvoldoende bereid geweest openheid van zaken te geven. Zo gaf de vader tijdens het eerste intakegesprek zijn toestemming om gegevens over een incident in verband met kinderpornobezit op [A] op te vragen. Dit bleek bij navraag niet mogelijk omdat de vader dit dossier enkele jaren daarvoor heeft laten vernietigen. Tegen deze achtergrond vindt het hof de stelling van de ouders dat zij voldoende hebben samengewerkt met het gezinshuis in [plaats] niet aannemelijk.
De grief van de ouders faalt. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen.
verzoek nader onderzoek
Het hof wijst het verzoek van de ouders tot een nader onderzoek op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering af, nu dat niet mede tot een beslissing van de zaak kan leiden. Ook voor een onafhankelijk onderzoek, bijvoorbeeld door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie, is medewerking van de ouders nodig. Het hof vindt het gezien de hiervoor geschetste gang van zaken rondom de intake in het gezinshuis te [plaats] niet realistisch om te verwachten dat de ouders aan een dergelijk onderzoek hun volledige medewerking zullen geven.
3 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen,
van 1 april 2019;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A. Smeeïng-van Hees, R. Feunekes en
M.H.F. van Vugt, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier,
en is op 21 juli 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.