Personen- en familierecht
Artikel 1:255 lid 1 BW. Bekrachtiging ondertoezichtstelling.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 maart 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:1816 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 26 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-1816
Zaakgegevens
Op 26 maart 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 26 maart 2026
- Datum publicatie
- 26 maart 2026
- Zaaknummer
- 200.363.364
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.M. Bissumbhar
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:1816
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikel 1:255 lid 1 BW. Bekrachtiging ondertoezichtstelling.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummers gerechtshof 200.363.364/01 en 200.363.364/02
zaaknummer rechtbank Gelderland 458136
beschikking van 26 maart 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. R.M. Bissumbhar
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
die is gevestigd in Arnhem
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (de GI)
die is gevestigd in Utrecht.
1 Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft bij beschikking op 26 november 2025 [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld tot 26 november 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De moeder en [vader] zijn de ouders van:
-
[de minderjarige1] , geboren [in] 2012 en
-
[de minderjarige2] , geboren [in] 2015.
De moeder heeft het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder.
3 De procedure bij de kinderrechter
De raad heeft verzocht [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen. Die beslissing is vastgelegd in de beschikking van 26 november 2025.
De kinderrechter heeft ook beslist dat de ondertoezichtstelling mag worden uitgevoerd, ook al is er hoger beroep ingesteld (de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard).
4 De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter van 26 november 2025. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat de werking van de beschikking van de kinderrechter per direct wordt geschorst. Daarnaast wil zij dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
De raad en de GI willen dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift
-
het verweerschrift
-
de stukken van de moeder ingediend op 9 februari 2026.
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn uitgenodigd te vertellen wat zij vinden van de ondertoezichtstelling. De advocaat van de moeder heeft verteld dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] niet komen.
De zitting bij het hof was op 17 februari 2026. Aanwezig waren:
-
de moeder met haar advocaat
-
een vertegenwoordiger van de raad
-
een vertegenwoordiger van de GI.
5 Het oordeel van het hof
Schorsingsverzoek (200.363.364/02)
De moeder heeft het schorsingsverzoek tijdens de zitting ingetrokken. Dit brengt mee dat het hof de moeder niet-ontvankelijk zal verklaren in haar schorsingsverzoek.
Hoofdzaak (200.363.364/01)
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof is met de kinderrechter van oordeel dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voor de duur van een jaar onder toezicht van de GI moet worden gesteld. Het hof zal de beslissing van de kinderrechter daarom in stand laten (bekrachtigen). Het hof sluit zich na eigen onderzoek aan bij de motivering van de kinderrechter en voegt daaraan het volgende toe.
In het gezin van de moeder is al vanaf 2016 hulpverlening betrokken en dit met wisselend resultaat. Vanaf ongeveer 2023 namen de zorgen over het gezin toe. Er zijn veel zorgen op verschillende leefgebieden, zoals over de woonsituatie van de moeder (geen eigen woonruimte voor haar en de kinderen), haar financiële situatie (er zijn schulden) en het forse schoolverzuim van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] waardoor een leerachterstand is ontstaan. Omdat de aan de moeder aangeboden of geadviseerde vormen van ondersteuning niet of nauwelijks van de grond kwamen, is toen besloten een raadsonderzoek te starten. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, omdat bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] sprake was van langdurig schoolverzuim en daarnaast groeiden zij op in een instabiele thuissituatie.
Zoals uit het dossier blijkt en de moeder op de mondelinge behandeling heeft uitgelegd, is zij door de ondertoezichtstelling in actie gekomen. De moeder heeft op verschillende leefgebieden positieve stappen gezet. Zo is de moeder inmiddels bezig met het aflossen van haar schulden, is zij actief op zoek naar eigen woonruimte en is er meer hulpverlening vanuit Icare. Daarnaast werkt de moeder goed samen met de GI. Maar ondanks dat de moeder positieve stappen heeft gezet, is de ondertoezichtstelling in dit stadium nog steeds nodig. De huidige ontwikkelingen zijn nog té pril en onduidelijk is gezien het recente verleden of de moeder deze positieve ontwikkelingen kan vasthouden. Bovendien zijn er nog steeds zorgen over het schoolverzuim van [de minderjarige2] . [de minderjarige2] is vorig jaar blijven zitten omdat hij door het vele verzuim een leerachterstand heeft opgelopen. De school heeft aan de GI teruggekoppeld dat op dit moment nog steeds sprake is van schoolverzuim. De moeder heeft op de zitting verklaard waarom [de minderjarige2] soms later op school is, maar dit neemt niet weg dat het schoolverzuim in de weg staat aan het inlopen op zijn achterstand op school. Ook ontbreekt volgens de GI nog duidelijkheid over de medische toestand van [de minderjarige2] . De zorgen die er vorig schooljaar waren over [de minderjarige1] spelen dit schooljaar niet meer. Het gaat goed met [de minderjarige1] op school. De mentor heeft gesprekjes met [de minderjarige1] , maar het wordt nog niet duidelijk wat er echt omgaat in het hoofd van [de minderjarige1] .
Het hof is het eens met de raad dat sturing en begeleiding vanuit de GI noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat de positieve ontwikkeling die de moeder doormaakt wordt voortgezet. Dit gelet op de langdurige zorgen die er waren en de zorgen die er nog zijn, waarbij de moeder in het verleden adviezen vaak lange tijd niet of niet volledig opvolgde met ontwikkelingsachterstanden bij [de minderjarige1] en [de minderjarige2] tot gevolg. Om de patronen te doorbreken is het belangrijk dat er intensieve gezinsondersteuning wordt ingezet. Dit is eerder geprobeerd door hulpverlening van [naam1] van [naam2] in te zetten, maar toen niet gelukt omdat de ouderproblematiek voorliggend was. In overleg met de gemeente heeft de GI alsnog besloten weer de hulpverlening van [naam1] in te zetten, omdat zij de benodigde expertise hebben. Uit het raadsrapport blijkt dat ook de raad dit een passende interventie vindt.
Op de zitting is het hof duidelijk geworden dat de moeder haar twijfels heeft over deze vorm van hulpverlening omdat deze eerder niet passend leek. Naar het oordeel van het hof is regievoering door de GI daarom de komende tijd dan ook noodzakelijk. Ook omdat volgens de raad de moeder de ondersteuning van de GI kan gebruiken om samen met de GI te onderzoeken welke vorm van hulpverlening bij haar aansluit als opnieuw blijkt dat ouderproblematiek voorliggend is bij de intensieve gezinsondersteuning.
Het gezin staat op de wachtlijst bij [naam1] en een eerste gesprek staat gepland voor maart 2026. Nu dit hulpverleningstraject nog moet starten, ziet het hof niet in hoe de doelen van de ondertoezichtstelling binnen een kortere periode dan een jaar kunnen worden behaald. Dit alles leidt tot het oordeel dat er voldoende goede redenen zijn voor het uitspreken van een ondertoezichtstelling voor een jaar.
Proceskosten in beide zaken
Iedere partij moet de eigen kosten dragen (compensatie van proceskosten), omdat het hier gaat om een ondertoezichtstelling.
6 De beslissing
Het hof:
in de zaak met de nummer 200.363.364/02
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 november 2025;
in de zaak met de nummer 200.363.364/01
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 26 november 2025;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, P.B. Kamminga en H. Phaff, en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.