Personen- en familierecht
Het gerechtshof staat aanvullend grieven van de moeder, gericht tegen de splitsing van de kinderbijslag, toe…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6817 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6817
Zaakgegevens
Op 22 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 22 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.365.712/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen, mr. W.N. Sardjoe te 's-Gravenhage
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6817
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het gerechtshof staat aanvullend grieven van de moeder, gericht tegen de splitsing van de kinderbijslag, toe omdat die samenhangen met de kinderalimentatie, die in hoger beroep voorlag. Verzoek vader tot inschrijving kinderen in brp op zijn adres niet-ontvankelijk, omdat een dergelijk nieuw verzoek niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Voor het overige bekrachtiging met verbetering van een kennelijke verschrijving. Art 1:253a BW, art. 362 Rv
Uitspraak
GERECHTSGERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtsgerechtshof 200.365.712/01 en 02
(zaaknummer rechtbank Overijssel 299674)
beschikking van 22 oktober 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen,
en
[verweerder] (de vader),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe te 's-Gravenhage.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
locatie Zwolle.
1 De procedure in eerste aanleg
Het gerechtshof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 23 december 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 27 februari 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 5 maart 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 2 april 2026 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 18 mei 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de moeder van 10 augustus 2026 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 13 augustus 2026 met bijlage(n);
-
een journaalbericht namens de vader van 17 augustus 2026 met bijlage(n);
-
een journaalbericht namens de moeder van 18 augustus 2026.
-
een journaalbericht namens de moeder van 20 augustus 2026 met bijlage(n),
ingekomen op 21 augustus 2026; -
een journaalbericht namens de vader van 21 augustus 2026 met bijlage(n).
De minderjarige [de minderjarige1] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken met betrekking tot de zorgregeling. De moeder heeft het gerechtshof laten weten dat de ouders het erover eens zijn dat zij het niet in zijn belang vinden hem hiermee te belasten.
De mondelinge behandeling heeft op 25 augustus 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn: de moeder met haar advocaat, die mede het woord heeft gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen. Verder zijn de vader met zijn advocaat verschenen en een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
3 De feiten
Het huwelijk van partijen is op 20 februari 2025 ontbonden door echtscheiding door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 27 augustus 2024(hersteld bij beschikking van 21 januari 2025) in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2017 en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2019
over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.
Bij beschikking van 20 juli 2023 heeft de rechtbank voor de duur van de procedure onder andere:
- de kinderen voorlopig aan de moeder toevertrouwd;
- een zorgregeling bepaald waarin is opgenomen wanneer de kinderen bij de vader
verblijven;
- de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 augustus
2023 op € 147,- per kind per maand bepaald. Daarnaast heeft de rechtbank de definitieve beslissingen met betrekking tot de zorgregeling en de kinderalimentatie aangehouden.
Bij beschikking van 27 augustus 2024 heeft de rechtbank bepaald dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder zal zijn, een voorlopige zorgregeling vastgesteld en met ingang van 27 augustus 2024 de door de vader te betalen kinderalimentatie voorlopig op € 31,- per kind per maand bepaald, en voor het overige de beslissingen aangehouden.
Bij beschikking van 8 april 2025 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de voorlopige zorgregeling gehandhaafd. Daarnaast heeft de rechtbank de beslissingen over de definitieve zorgregeling, de geconcretiseerde vakantieregeling, de dwangsom en de kinderalimentatie (voor wat betreft de zorgkorting) aangehouden en de raad verzocht te adviseren over de zorgregeling en de geconcretiseerde vakantieregeling.
Bij beschikking van 23 december 2025 heeft de rechtbank als volgt beslist:
“- stelt inzake het recht van de minderjarige kinderen op een gelijkwaardige verzorging en
opvoeding door beide ouders de navolgende regeling vast:
> vanaf maandag 5 januari 2026 zijn [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in de even weken bij de moeder
en in de oneven weken bij de vader;
> op vrijdagmiddag worden de kinderen gehaald door de ouder bij wie de kinderen gaan
verblijven;
> Goede Vrijdag volgens de reguliere regeling;
> Pasen: Eerste Paasdag volgens de reguliere regeling, Tweede Paasdag bij de andere
ouder waarbij de ouder bij wie de kinderen verblijven de kinderen op maandag om 10.00
uur naar de ander brengt en om 20.00 uur weer ophaalt;
> Hemelvaartsdag en de daarop volgende vrijdag volgens de reguliere regeling;
> Pinksteren: Eerste Pinksterdag volgens de reguliere regeling, Tweede Pinksterdag bij
de andere ouder waarbij de ouder bij wie de kinderen verblijven de kinderen op maandag
om 10.00 uur naar de ander brengt en om 20.00 uur weer ophaalt;
> Koningsdag: in de oneven jaren bij de vader tenzij Koningsdag in het weekend valt en in
de even jaren bij de moeder tenzij Koningsdag in het weekend valt;
> Sinterklaas: in de even jaren bij de vader tenzij Sinterklaas in het weekend valt en in de
oneven jaren bij de moeder tenzij Sinterklaas in het weekend valt;
> Kerst: in de oneven jaren Eerste Kerstdag 10.00 uur tot Tweede Kerstdag 12:00 uur bij de
moeder en Tweede Kerstdag vanaf 12:00 uur tot 20.00 uur bij de vader waarna de
reguliere regeling hervat wordt. In de even jaren Eerste Kerstdag 10.00 uur tot Tweede
Kerstdag 12:00 uur bij de vader en Tweede Kerstdag vanaf 12:00 uur tot 20.00 uur bij
de moeder waarna de reguliere regeling hervat wordt;
> Oud en Nieuw: in de even jaren op 31 december vanaf 10:00 uur bij de vader en op
31 december 18:45 uur bij de moeder. In de oneven jaren op 31 december vanaf 10:00
uur bij de moeder en op 31 december 18:45 uur bij de vader;
> Verjaardagen van de kinderen: in de even jaren zowel de dag zelf als de voorgaande
nacht bij de vader los van de reguliere verdeling en in de oneven jaren zowel de dag zelf
als de voorgaande nacht bij de moeder los van de reguliere verdeling;
˃ Kinderfeestje en traktatie: in de oneven jaren het kinderfeestje van [de minderjarige2] en de
traktatie voor [de minderjarige1] bij de vader en het kinderfeestje van [de minderjarige1] en de traktatie van
[de minderjarige2] bij de moeder los van de reguliere verdeling en in de even jaren het kinderfeestje
van [de minderjarige1] en de traktatie voor [de minderjarige2] bij de vader en het kinderfeestje van [de minderjarige2] en
de traktatie van [de minderjarige1] bij de moeder los van de reguliere verdeling;
> Vaderdag: als deze dag niet in de week van de vader valt dan zowel de dag zelf als de
voorgaande nacht bij de vader;
> Moederdag: als deze dag niet in de week van de moeder valt dan zowel de dag zelf als
de voorgaande nacht bij de moeder;
> tweeweekse schoolvakanties conform de reguliere regeling;
> éénweekse schoolvakanties: deze worden bij helfte gedeeld waarbij op
donderdagmiddag om 13.00 uur de ouder waar de kinderen conform de reguliere
regeling verblijven, de kinderen naar de andere ouder brengt;
> de Zomervakantie 2026 en 2027:
- - week 28: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de vader, de moeder brengt
de kinderen.
- week 29: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de moeder, de vader brengt
de kinderen. De kinderen zijn ook week 30 bij de moeder.
- - week 31: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de vader, de moeder brengt
de kinderen. De kinderen zijn week 32 ook bij hun vader.
- - week 33: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de vader, de vader brengt
de kinderen.
> de Zomervakantie 2028:
- - week 29: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de moeder, de vader brengt
de kinderen °
- - week 30: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de vader, de moeder brengt
de kinderen. De kinderen zijn week 31 ook bij de vader.
- - week 32: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de moeder, de vader brengt
de kinderen. De kinderen zijn week 33 ook bij de moeder.
- - week 34: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de vader, de moeder brengt
de kinderen.
> de Zomervakantie 2029 en 2030:
- - week 30: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de vader, de moeder brengt
de kinderen
- - week 31: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de moeder, de vader brengt
de kinderen. De kinderen zijn week 32 ook bij de moeder.
- - week 33: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de vader, de moeder brengt
de kinderen. De kinderen zijn week 34 ook bij de vader.
- - week 35: de kinderen gaan maandags om 10.00 uur naar de moeder, de vader brengt
de kinderen;
- wijst af het verzoek van de vader tot het vaststellen van een dwangsom ten laste van de moeder;
- bepaalt de bijdrage van de vader aan de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding
van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 5 januari 2026 op nihil;
- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.”
4 De omvang van het geschil
De moeder is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 december 2025. Haar grieven zien op de zorgregeling en de bepaalde kinderalimentatie. De moeder verzoekt het gerechtshof (na aanvulling):
I. De bestreden beschikking te schorsen voor de duur van de inhoudelijke behandeling zodat de zorgregeling als bepaald bij beschikking van 27 augustus 2024 wordt voortgezet als volgt:
a. eenmaal per 14 dagen van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur
b. iedere dinsdag uit school tot 18.45 uur na het avondeten
c. of een regeling te bepalen die het gerechtshof juist acht
II. de bestreden beschikking te vernietigen
a. meer specifiek de reguliere zorgregeling:
i. in plaats van in de even weken bij moeder en in de oneven weken bij vader, op vrijdagmiddag worden de kinderen gehaald door de ouder bij wie de kinderen gaan verblijven;
ii. te bepalen dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bij vader verblijven
1. eenmaal per 14 dagen van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur
2. iedere dinsdag uit school tot 18.45 uur na het avondeten.
meer specifiek de vakantieregeling (zie alinea 65 van het beroepschrift) te wijzigen ten aanzien van
i. de verdeling van 1e en 2e kerstdag bij moeder tot tweede kerstdag 14.00 uur
ii. de splitsing van 1e en 2e Paasdag en Pinksterdag, moeder heeft de voorkeur voor de eerdere regeling waarin alleen de tweede feestdag – 2e Paasdag even jaren en 2e Pinksterdag oneven jaren – verdeeld wordt. En de terugbrengtijd van 18.45 uur aan te houden in verband met de bedtijd van de kinderen
iii. bij de verjaardagen van de kinderen: kind viert de verjaardag waar hij is volgens de reguliere regeling
iv. althans een zorgregeling te bepalen die het gerechtshof juist acht.
meer specifiek ten aanzien van de kinderalimentatie: te bepalen dat op basis van een zorgkortingspercentage van 25% de kinderalimentatie € 31,- per kind per maand zal blijven met ingang van 27 augustus 2024 conform de tussenbeschikking van die datum, of een kinderbijdrage te bepalen die het gerechtshof juist acht;
- Primair
te verklaren voor recht danwel te overwegen dat voor de beoordeling van de
kinderalimentatie in deze zaak de door de SVB gehanteerde redenering ("geen
afspraken over kinderbijslag + gedeelde zorg = automatische splitsing") onjuist
is, en dat bij de vaststelling van behoefte en draagkracht moet worden
uitgegaan van volledige toerekening van de kinderbijslag aan moeder, nu zij de
verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen draagt;
- te bepalen dat vader de kinderbijslag die hij op 1 juli jl. en daarna (1 oktober 2026
en 1 januari 2027) reeds heeft ontvangen ad € 358,30 + per kwartaal,
vermeerderd met eventuele wettelijke indexeringen aan moeder dient te voldoen
binnen veertien dagen na het in deze te wijzen arrest.
- Subsidiair
voor het geval de SVB (blijvend) kinderbijslag aan vader uitkeert
vader te veroordelen om, zolang hij kinderbijslag heeft ontvangen (tot aan de
datum van het in deze te wijzen arrest) én ontvangt over de minderjarigen, het
door hem ontvangen bedrag aan kinderbijslag telkens binnen 2 (althans een
termijn in goede justitie te bepalen) dagen na ontvangst aan moeder over te
maken;
- Meer subsidiair
door vader ontvangen kinderbijslag als inkomensbestanddeel aan zijn zijde in de
draagkracht betrekken.
De vader voert verweer en hij verzoekt het beroep van de moeder ongegrond te verklaren of haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. Bij brief van 21 augustus 2026 verzoekt de vader in het geval het hof ingaat op het aanvullend verzoek van de moeder van 10 augustus 2026 betreffende de kinderbijslag, de draagkracht van de vader en daarmee de hoogte van de kinderalimentatie te bepalen dat elke ouder een kind inschrijft op zijn/haar adres op het Basisregistratie Personen (BRP) en subsidiair vast te stellen dat de moeder maandelijks primair € 287,- per maand voor beide kinderen aan de vader betaalt en subsidiair een bedrag van € 345,- voor beide kinderen met indexering vanaf 2027.
5 De motivering van de beslissing
Verzoek tot schorsing
De moeder heeft verzocht de werking van de beschikking van de rechtbank te schorsen voor de duur van de behandeling. Omdat het gerechtshof nu uitspraak doet in het hoger beroep heeft de moeder geen belang meer bij haar schorsingsverzoek. Daarom zal het gerechtshof het verzoek tot schorsing afwijzen.
Het hoger beroep
In hoger beroep zijn de zorgregeling, de kinderalimentatie en de kinderbijslag in geschil. Het gerechtshof zal als eerste een beslissing nemen over de zorgregeling en vervolgens op het geschil met betrekking tot de kinderalimentatie en kinderbijslag. Daarna zal het gerechtshof onderzoeken of het toekomt aan de subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken van de ouders.
Zorgregeling
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere de zorgregeling omvatten.
Het gerechtshof zal de beslissing van de rechtbank bekrachtigen, met uitzondering van een onderdeel van de zomervakantieregeling 2026-2027 en dit hierna toelichten. Het gerechtshof ziet geen aanleiding om, zoals door de moeder is verzocht, de raad te vragen om een integraal onderzoek, omdat het gerechtshof over voldoende informatie beschikt om een beslissing te kunnen nemen. Bij de mondelinge behandeling heeft de raad opgemerkt dat het voor de kinderen ingewikkeld is om op te groeien in de huidige situatie. De ouders komen niet tot overeenstemming over een zorgregeling. De door de moeder gewenste regeling is niet voor de vader te dragen, en de door vader gewenste regeling niet voor de moeder. Zolang de ouders het niet eens zijn over de zorgregeling, hebben de kinderen daar last van. Uit de overgelegde stukken blijken naar het oordeel van het gerechtshof geen objectiveerbare zorgen op grond waarvan een co-ouderschapsregeling niet in het belang van de kinderen is. De door de rechtbank bepaalde regeling loopt vanaf begin 2026. Na een gewenningsperiode is niet gebleken dat het met de kinderen sindsdien slechter gaat. De school ziet geen zorgsignalen en ook de kindverslagen van [naam] geven daar geen aanleiding toe. Gebleken is dat de ouders in staat zijn om goed genoeg met elkaar te communiceren over de kinderen. Weliswaar heeft de vader bepaalde beslissingen over de hulpverlening voor de kinderen en de uitbetaling van de kinderbijslag eenzijdig genomen, maar dat is nu geen reden om uit te gaan van de door de moeder gewenste zorgregeling. De vader zal overigens wel moeten begrijpen dat het eenzijdig nemen van dergelijke beslissingen, die een rechtstreeks gevolg hebben voor de kinderen en de moeder, niet passend is bij het door hem gewenste co-ouderschap, niet in het belang van de kinderen is en ook niet helpend is voor het vertrouwen van de moeder in hem. De dynamiek tussen de ouders en de spanning die dit oplevert voor de kinderen maken dat het voor de voortzetting van het co-ouderschap van belang is dat de moeder doorgaat met het traject bij [naam] en dat ook de vader hulp vraagt. Op de zitting heeft de vader verklaard dat hij het advies van [naam] hierover opvolgt, zodat de kinderen in elk geval tot de kerst hulp krijgen. Het gerechtshof gaat ervan uit dat als [naam] verlenging van de hulp adviseert, de vader dat advies ook opvolgt. Onder deze omstandigheden ziet het gerechtshof dan ook geen aanleiding om een andere zorgregeling te bepalen dan de rechtbank heeft gedaan. Het is de dynamiek tussen de ouders die maakt dat een goede uitvoering van de zorgregeling voor de kinderen onder spanning staat, en die moet met de inzet van hulpverlening nu verder de kans krijgen om te normaliseren.
Zomervakantieregeling 2026-2027
Het gerechtshof maakt uit punt 63 van het verzoekschrift in hoger beroep op dat de moeder zich kan vinden in de door de rechtbank bepaalde zomervakantieregeling, met uitzondering van week 33 in de jaren 2026 en 2027, omdat daar sprake zou zijn van een typefout. Het gerechtshof constateert dat de vader tegen dit onderdeel van de grief van de moeder geen verweer heeft gevoerd. Daarbij komt dat het gerechtshof uit de bestreden beschikking afleidt, dat het de bedoeling is dat de kinderen gedurende de zes weken van de zomervakantie de helft van de vakantie bij elke ouder zijn, steeds in een schema van: de eerste week van de vakantie bij de ene ouder, de daaropvolgende twee weken bij de andere ouder, de daaropvolgende twee weken weer bij de ene ouder en de laatste week bij de andere ouder. Hieruit maakt het gerechtshof op dat de rechtbank voor de zomervakanties 2026 en 2027 kennelijk heeft bedoeld de zomervakantieregeling als volgt vast te stellen: in de periode van week 28 tot en met week 33 eerst een week bij de vader, dan twee weken bij de moeder, vervolgens twee weken bij de vader en tot slot een week bij de moeder. Het gerechtshof is van oordeel dat hier sprake is van een verschrijving, in plaats van dat de kinderen in week 33 naar de vader gaan, moet hier staan ‘naar de moeder’. Het gerechtshof zal de beschikking van de rechtbank op dit punt verbeteren.
Overige vakanties/feestdagen
De ouders zijn het met uitzondering van de één-, twee-weekse en zomervakantieregeling, niet eens over de door de rechtbank bepaalde regeling met betrekking tot de feestdagen. De moeder wenst aanpassing van de feestdagenregeling ten aanzien van de kerstdagen, Pasen, Pinksteren en de verjaardagen van de kinderen (inclusief de kinderfeestjes, traktaties en de verjaardag zelf). De vader heeft zich hiertegen verzet. Hij vindt dat de door de rechtbank bepaalde regeling gehandhaafd moet worden.
Het gerechtshof is van oordeel dat de door de rechtbank bepaalde regeling een duidelijke en evenwichtige regeling is, die al een aantal maanden wordt uitgevoerd. Niet is gebleken dat er problemen zijn gerezen ten aanzien van de uitvoering van de bepaalde regeling bij de verjaardagen van de kinderen, Pasen of Pinksteren. Daarom ziet het gerechtshof geen reden om die regeling aan te passen. Hoewel het gerechtshof er begrip voor heeft dat de moeder graag een andere regeling heeft voor de kerstdagen in verband met de overnachtingsmogelijkheid bij haar familie, is dit ook geen aanleiding om de bepaalde regeling op dit punt aan te passen. Dit, omdat de moeder om het jaar de mogelijkheid heeft om op eerste kerstdag bij familie te overnachten. Het door de rechtbank bepaalde wisselmoment (12.00 uur in plaats van 14.00 uur zoals de moeder wenst) doet daar niet aan af. Het gerechtshof herhaalt dat voor de kinderen rust en duidelijkheid over de regeling van belang is, evenals minder spanningen. Een nieuwe wijziging van de feestdagenregeling draagt daar niet aan bij. Gezien het voorgaande ziet het gerechtshof geen aanleiding om de door de rechtbank bepaalde feestdagenregeling verder aan te passen. Bovendien, in het geval ouders gezamenlijk andere afspraken maken, kan er van de vastgestelde zorgregeling, waaronder de vakantie- en feestdagenregeling worden afgeweken. Die ruimte blijft er voor zover ouders daar samen uit kunnen komen.
Kinderbijslag
Het gerechtshof maakt uit de toelichting van de moeder op de zitting bij haar aanvullende verzoek op dat als het gerechtshof van oordeel is dat de kinderbijslag geheel aan moeder toekomt, zij de draagkracht van de vader niet ter discussie stelt, enkel de zorgkorting. Daarom zal het gerechtshof eerst een oordeel geven over het verzoek van de moeder met betrekking tot de kinderbijslag.
De moeder voert aan dat zij pas na de indiening van het hoger beroep er mee bekend werd met dat de vader bij de Sociale verzekeringsbank (SVB) verzocht heeft, welk verzoek is toegewezen, dat de kinderbijslag wordt gesplitst en dat dit een nieuwe ontwikkeling is, die moet worden meegenomen bij de beoordeling van de zaak. Volgens de moeder hanteert de SVB als regel dat als er geen afspraken zijn over de kinderbijslag en sprake is van gedeelde zorg, automatische splitsing van de kinderbijslag plaatsvindt. De moeder is het niet eens met de splitsing van de kinderbijslag. Zij stelt dat zij de verblijfsoverstijgende kosten betaalt, zodat de kinderbijslag geheel aan haar zou moeten toekomen. Zij betwist dat de vader de hierna in 5.10 door hem genoemde kosten betaalt of moet betalen, omdat:
- de kinderen gratis zijn meeverzekerd bij de zorgverzekering;
- kleding met de kinderen kan meegaan, maar de vader dat niet wil;
- schooltassen een cadeau waren voor de kinderen, zo ook cadeaus voor moederdag;
- moeder de kinderen altijd heeft geknipt, zodat gemaakte kapperskosten niet hoefden te
worden gemaakt;
- vakanties geen verblijfsoverstijgende kosten zijn;
- medische kosten vallen onder de zorgverzekering van vader. Moeder regelt oogpleisters en
nachtluiers en schiet deze kosten voor. Ze stuurt een tikkie naar vader en vader declareert
en betaalt aan moeder, zodat vader feitelijk niets betaalt.
De vader stelt zich primair op het standpunt dat de moeder dit aanvullende verzoek in een te laat stadium in de procedure heeft gedaan, zodat zij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in dit verzoek. Hij verzet zich tegen de door de moeder verzochte verklaring voor recht. Volgens de vader worden de verblijfsoverstijgende kosten gedeeld. Hij voert aan dat in de door de moeder aangehaalde beschikking de kinderbijslag werd geabstraheerd. Daarbij was in die zaak niet in geschil dat de man geen verblijfsoverstijgende kosten betaalde, aldus de vader. Volgens de vader betaalt hij in elk geval mee aan:
- zorgverzekering;
- kleding en schoenen;
- winterjassen;
- schooltassen;
- cadeaus en kosten voor kinderfeestjes en traktaties;
- kapper;
- medische kosten van de kinderen, waaronder eigen risico.
- diverse andere kosten die voor de kinderen worden gemaakt.
De vader stelt zich op het standpunt dat als het gerechtshof het verzoek van de moeder zoals toegelicht ter zitting volgt, er op het adres van elke ouder een kind moet worden ingeschreven zodat beide partijen kindgebonden budget krijgen.
Ontvankelijkheid aanvullend verzoek moeder
Het gerechtshof constateert dat de moeder aanvankelijk alleen een grief heeft opgeworpen over de zorgkorting. De zorgkorting is van invloed op de te betalen kinderalimentatie. Daarmee was de kinderalimentatie dus een geschilpunt waarover een oordeel van het gerechtshof werd verzocht. De aanvullende verzoeken van de moeder hebben betrekking op de kinderbijslag en meer subsidiair op de kinderalimentatie. Volgens de Belastingdienst heeft degene die de kinderbijslag op zijn naam heeft staan bij de SVB recht op kindgebonden budget. Het kindgebonden budget is direct van invloed op de draagkracht van een ouder en dus op zijn of haar aandeel in de kosten van de kinderen. Kinderalimentatie is vatbaar voor wijziging en partijen hebben er belang bij dat de vaststelling ervan berust op een juiste en volledige waardering van de van belang zijnde omstandigheden. Wel brengen de eisen van een goede procesorde mee dat de wederpartij gelegenheid wordt geboden haar verweer aan te vullen en, voor zover nodig, ook haar standpunt te herzien. (ECLI:NL:HR:1991:ZC0225). Het gerechtshof heeft de vader in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de aanvullende verzoeken van de moeder en ook op de zitting hebben partijen over en weer hun standpunten naar aanleiding van de stukken die nog waren overgelegd, kenbaar kunnen maken. Gelet hierop acht het gerechtshof de moeder ontvankelijk in haar aanvullende verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Het gerechtshof verwijst naar ECLI:NL:GHARL.2023:5139, waarin is overwogen dat als uitgangspunt geldt dat de ouder bij wie de minderjarige het hoofdverblijf heeft alle verblijfsoverstijgende kosten voor zijn/haar rekening neemt. Van het eigen aandeel van de ouders wordt 70% geacht te worden besteed aan verblijfsgebonden kosten (eten & drinken, dagelijkse verzorging, energielasten etc.). De verblijfsoverstijgende kosten (kleding, schoeisel, leermiddelen etc.) belopen het restant (30%) van het eigen aandeel en een bedrag ter grootte van de kinderbijslag. Bij dit uitgangspunt hoort dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de volledige kinderbijslag ontvangt. Het staat partijen vrij om van dit uitgangspunt af te wijken door bijvoorbeeld af te spreken dat zij verblijfsoverstijgende kosten delen. Bij een dergelijke afspraak kan ook een andere verdeling van de kinderbijslag aan de orde zijn.
Het gerechtshof constateert dat uit de stukken niet blijkt dat partijen afspraken hebben gemaakt over de verdeling van de verblijfsoverstijgende kosten en de kinderbijslag. Ook blijkt dit niet uit de verklaringen van de ouders op de mondelinge behandeling. Daarom moet het gerechtshof terugvallen op het hiervoor onder 5.12 vermelde uitgangspunt.
De rechtbank heeft bij beschikking van 24 augustus 2024 bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. Deze beslissing is sinds die datum niet gewijzigd. Het logische gevolg hiervan is dat bij gebreke van nadere afspraken over de verblijfsoverstijgende kosten en de verdeling van de kinderbijslag, de kinderbijslag toekomt aan de moeder, die dus de verblijfsoverstijgende kosten moet betalen. Uit de door de rechtbank gehanteerde berekeningsmethode blijkt ook dat de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de kinderalimentatie daarvan is uitgegaan. Hieruit volgt dat dat de kinderbijslag aan de moeder toekomt.
Het gerechtshof verwijst verder nog naar r.o. 5.29 van ECLI:NL:GHARL:2021:10504 waaruit volgt dat het niet aan het gerechtshof is om te bepalen aan wie de SVB de kinderbijslag uitkeert. Dat betekent dat het gerechtshof de door de moeder verzochte verklaring voor recht niet kan toewijzen. Het gerechtshof ziet voor het overige geen aanleiding om overige aanvullende (resterende deel van het primaire, het subsidiaire en meer subsidiaire) verzoeken van de moeder toe te wijzen, omdat niet vaststaat of de SVB bij een eventuele herziening van zijn standpunt ten aanzien van de splitsing van de kinderbijslag de door de vader ontvangen bedragen terugvordert.
Verzoek vader met betrekking tot inschrijving kinderen
In zijn verweer op de aanvullende verzoeken van de moeder heeft de vader bij brief van 21 augustus 2026 aanvullend verzocht met ingang van de datum van de beschikking van het gerechtshof te bepalen dat ieder een kind inschrijft in de Basisregistratie Personen (BRP) per ouder.
Ontvankelijkheid
De rechtbank heeft bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de moeder en de kinderen staan op haar adres ingeschreven in het BRP. Los van de vraag of het verzoek van de vader zonder wijziging van het hoofdverblijf te vragen kan worden toegewezen, kan een dergelijk verzoek niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Daarom zal het gerechtshof de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek met betrekking tot de inschrijving van de kinderen.
Kinderalimentatie
Omdat het hof van oordeel is dat de volledige kinderbijslag aan de moeder toekomt, de moeder op de mondelinge behandeling heeft aangegeven dat een herberekening van de kinderalimentatie in dat geval achterwege kan blijven en de vader geen beroep heeft ingesteld of grieven heeft opgeworpen tegen de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie (anders dan dat hij bij wijze van verweer komt tot een standpunt dat aan hem kinderalimentatie betaald zou moeten worden), komt het hof niet toe aan een verdere beoordeling van de kinderalimentatie, buiten het punt van de zorgkorting.
Zorgkorting
De rechtbank heeft in de beschikking van 23 december 2025 – in tegenstelling tot bij de beschikking van 27 augustus 2024 – geen rekening gehouden met een zorgkorting van 25%, maar van 35% vanwege de dan geldende co-ouderschapsregeling.
In hoger beroep wenst de moeder uit te gaan van een zorgkorting van 25%. De vader verzet zich daartegen.
Gezien de beslissing van het gerechtshof om de co-ouderschapsregeling in stand te laten, acht het gerechtshof het door de rechtbank gehanteerde zorgkortingspercentage van 35% op zijn plaats en niet het door de moeder genoemde percentage van 25%.
Conclusie
De grieven van de moeder falen met uitzondering van dat deel van grief I dat zich richt tegen de bepaalde zorgregeling in week 33 van de zomervakantie van 2026 en 2027, waarin is bepaald dat de kinderen maandags om 10.00 uur naar de vader gaan. Het gerechtshof zal daarom beslissen als volgt:
6 De beslissing
Het gerechtshof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek met betrekking tot de inschrijving van de kinderen in het BRP;
vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 23 december 2025 voor zover in de zorgregeling is bepaald dat de kinderen in week 33 van de zomervakantie in 2026 en 2027 naar de vader gaan;
en
bepaalt dat de kinderen in week 33 van de zomervakantie in 2026 en 2027 naar de moeder gaan;
bekrachtigt voornoemde beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. L. Pieters en mr. M. Bootsma, bijgestaan door mr. J.M.G. van Wijk als griffier, en is op 22 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.