Personen- en familierecht

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Bekrachtiging. Moeder ondergedoken met minderjarigen…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 7 juli 2026

Zaakgegevens

Op 7 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
7 juli 2026
Datum publicatie
7 juli 2026
Zaaknummer
200.369.467/01 en 200.369.477/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. M.E Terhorst te Alkmaar, mr. T.J.H. Zwiers te Hengelo, mr. M.E Terhorst te Alkmaar, mr. T.J.H. Zwiers te Hengelo
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:4398
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Bekrachtiging. Moeder ondergedoken met minderjarigen. Beschuldigingen seksueel misbruik vader.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.369.467/01 en 200.369.477/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 344914)

beschikking van 7 juli 2026

in de zaak met zaaknummer 200.369.467/01 van

[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. M.E. Terhorst te Alkmaar,

en

[verweerder] (de vader),

die woont in [woonplaats2] ,

advocaat: mr. T.J.H. Zwiers te Hengelo.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

de raad voor de Kinderbescherming (de raad),

die is gevestigd in Zwolle.

en

de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI),

gevestigd te Hengelo.

in de zaak met zaaknummer 200.369.477/01 van


[verzoekster] (de moeder),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. M.E. Terhorst te Alkmaar,

en


de gecertificeerde instelling

Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI),

gevestigd te Hengelo,

en

[verweerder] (de vader),

die woont in [woonplaats2] ,

advocaat: mr. T.J.H. Zwiers te Hengelo.

In zijn adviserende en/of toetsende rol is gekend:

de raad voor de Kinderbescherming (de raad),

die is gevestigd in Zwolle.

1 Samenvatting

De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld tot 4 maart 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 8 juli 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

2 De feiten

2.1.

De ouders hebben twee kinderen: [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . [de minderjarige1] is geboren [in] 2024 en [de minderjarige2] is geboren [in] 2020. De ouders hebben samen het gezag over hen.

2.2.

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan sinds 4 maart 2026 onder toezicht van de GI.

2.3.

De kinderen zijn op 13 mei 2026 met een spoedmachtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. De machtiging ten aanzien van [de minderjarige1] geldt voor plaatsing in een netwerkpleeggezin en de machtiging ten aanzien van [de minderjarige2] geldt voor plaatsing bij de vader.

3 De procedure bij de kinderrechter

3.1.

In de zaak met zaaknummer 200.369.467/01 heeft de raad de kinderrechter verzocht de kinderen onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De kinderrechter heeft het verzoek van de raad toegewezen en de kinderen onder toezicht gesteld tot 4 maart 2027.

3.3.

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 4 maart 2026.

3.4.

In de zaak met zaaknummer 200.369.477/91 heeft de GI de kinderrechter verzocht de kinderen voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te mogen plaatsen.

3.5.

Sinds 8 mei 2026 zijn de kinderen niet meer op hun school verschenen en is onbekend waar de moeder met de kinderen verblijft. Naar aanleiding hiervan heeft de GI een verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen ingediend bij de kinderrechter.

3.6.

De kinderrechter heeft op 13 mei 2026 een spoedmachtiging verleend voor uithuisplaatsing van de kinderen voor de duur van twee weken en het verzoek van de GI voor het overige aangehouden. Vervolgens heeft de kinderrechter het verzoek behandeld tijdens de mondelinge behandeling op 22 mei 2026. Tijdens die behandeling heeft de advocaat van de moeder de kinderrechter gewraakt. Bij beschikking van 22 mei 2026 heeft de kinderrechter het verzoek van de GI deels toegewezen en de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen verlengd tot 8 juli 2026 en in afwachting van de uitspraak van de Wrakingskamer de behandeling van het verzoek voor het overige geschorst.

4 De procedure bij het hof

4.1.

De moeder is het niet eens met de beslissingen van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter ongedaan maakt. Daarnaast verzoekt zij het hof – na nadere precisering van het verzoek ter zitting – om drie personen aan te merken als informant. Ten slotte verzoekt zij de raad te veroordelen in de proceskosten.

4.2.

De vader is het wel eens met de beslissingen van de kinderrechter. Hij wil dat het hof de beslissingen van de kinderrechter in stand laat.

4.3.

Ook de raad en de GI willen dat de beslissingen in stand blijven.

De informatie die het hof heeft ontvangen

4.4.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

In zaaknummer 200.369.467/01

  • het beroepschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2026;

  • het verweerschrift van de vader;

  • een e-mail namens de moeder van 12 juni 2026 met bijlagen;

  • een e-mail namens de moeder van 15 juni 2026 met bijlagen;

  • een e-mail van de GI 15 juni 2026 met bijlagen;

  • een e-mail van het Openbaar Ministerie (het OM) van 15 juni 2026;

  • een e-mail van de GI van 16 juni 2026 met bijlagen.


In zaaknummer 200.369.477/01

  • het beroepschrift van de moeder met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2026;

  • het verweerschrift van de GI;

  • het verweerschrift van de vader;

  • een e-mail namens de moeder van 12 juni 2026 met bijlagen;

  • een e-mail namens de moeder van 15 juni 2026 met bijlagen;

  • een e-mail van de GI 15 juni 2026 met bijlagen;

  • een e-mail van het OM van 15 juni 2026;

  • een e-mail van de GI van 16 juni 2026 met bijlagen.

4.5.

[de minderjarige1] is uitgenodigd te vertellen wat zij vindt van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Zij heeft niet gereageerd.

4.6.

De zitting bij het hof was op 16 juni 2026. Beide hoger beroepen zijn toen gelijktijdig behandeld. Aanwezig daarbij waren: de advocaat van de moeder, de vader bijgestaan door zijn advocaat, twee vertegenwoordigers van de GI en twee vertegenwoordigers van de raad.

5 Het oordeel van het hof

Informanten

5.1.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de advocaat van de moeder – na precisering van haar verzoek – verzocht de heer [naam1] (de partner van de moeder), mevrouw [naam2] (directeur bestuurder van [naam3] ) en de heer [naam4] (de vader van de moeder) als informanten ter zitting te horen. Het hof acht zich, op basis van wat hierna wordt overwogen, voldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de door de advocaat van de moeder verzochte informanten nog te horen. Het hof zal dit verzoek daarom afwijzen.

Aanhoudingsverzoek

5.2.

Daarnaast heeft de advocaat van de moeder het hof verzocht om de behandeling van haar verzoek in hoger beroep ten aanzien van de ondertoezichtstelling aan te houden voor de duur van drie maanden. Zij heeft daarbij gesteld dat zij door de complexiteit van de zaak en de spoed die erbij nodig was, te weinig gelegenheid heeft gehad om een uitgebreid beroepschrift op te stellen tegen beide beslissingen van de kinderrechter. Zij heeft daarom besloten de focus te leggen op de zaak over de uithuisplaatsing en heeft daarbij de grieven die zich tegen de ondertoezichtstelling richten op dat moment op de achtergrond gelaten.

5.3.

De vader, de raad en de GI vinden dat het aanhoudingsverzoek dat namens de moeder is gedaan, moet worden afgewezen.

5.4.

Het hof ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding om de zaak aan te houden, zodat het hof het aanhoudingsverzoek zal afwijzen.

De wet

Ondertoezichtstelling

5.5.

De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.

Uithuisplaatsing

5.6.

De kinderrechter kan een machtiging geven de kinderen uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van de kinderen of voor onderzoek van de kinderen. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoeken.

De motivering van het oordeel van het hof

Ondertoezichtstelling

5.7.

Het hof is evenals de rechtbank en op basis van dezelfde overwegingen, die het hof na eigen onderzoek overneemt, van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onverminderd aanwezig zijn. Het hof voegt daar nog aan toe dat ter zitting bij het hof is gebleken dat de bestaande zorgen over de kinderen alleen maar groter zijn geworden. Er is immers geen enkel zicht op de opvoedings- en leefsituatie van de minderjarigen, omdat de moeder de kinderen begin mei 2026 ineens heeft meegenomen naar een onbekende bestemming en zij sindsdien geen contact hebben met de vader of de jeugdbeschermers en ook niet meer op school zijn verschenen. Het hof acht het, naast de ontwikkelingsbedreigingen die uit de beschikking van de kinderrechter volgen, schadelijk voor de ontwikkeling van de minderjarigen dat zij ondergedoken zitten en dat de moeder zich onttrekt aan elk contact met jeugdbeschermings- en hulpverleningsinstanties. Dit geldt te meer nu uit het dossier en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de minderjarigen al geruime tijd niet meer naar school zijn geweest.

5.8.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat hulp noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen weg te nemen, maar dat het vrijwillig kader daarvoor ontoereikend is. De ondertoezichtstelling van de kinderen is daarom geboden. Hetgeen de moeder in haar grieven heeft aangevoerd, ziet met name op de wijze waarop de GI de ondertoezichtstelling uitvoert en over de communicatie tussen de jeugdbeschermer en de moeder. Dit doet echter niet af aan de geconstateerde ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen en de noodzaak van het inzetten van hulpverlening in een gedwongen kader teneinde die ontwikkelingsbedreigingen te doen verminderen of weg te nemen. Het hof zal de beschikking van de kinderrechter van 4 maart 2026 dan ook bekrachtigen.

Uithuisplaatsing

5.9.

De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat de kinderrechter op 22 mei 2026 geen beslissing had mogen nemen over (de verlenging van) de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat de advocaat van de moeder de kinderrechter tijdens de zitting had gewraakt. Wat daar ook van zij, vanwege de herstelfunctie van het hoger beroep kan deze grief niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden.

5.10.

Voor zover de moeder heeft gesteld dat de kinderrechter vanwege de verplichting om zich zo volledig mogelijk te informeren de van de zijde van de moeder meegebrachte getuigen of deskundigen had moeten horen, kan ook dit niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden. De moeder heeft immers in hoger beroep haar verzoek om de genoemde personen als getuige dan wel deskundige te horen niet gehandhaafd, maar het hof verzocht deze personen als informanten aan te merken. Het hof heeft hiervoor op dat verzoek beslist.

5.11.

Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen die de kinderrechter heeft verleend, overweegt het hof dat uit de stukken blijkt dat de moeder het er niet mee eens was dat [de minderjarige2] op 7 mei 2026 opnieuw omgang met de vader zou hebben. Zij stelde dat [de minderjarige2] nieuwe, zeer bezwarende uitlatingen had gedaan over misbruik door de vader. Om te voorkomen dat de omgang op 7 mei 2026 zou plaatsvinden, heeft zij op 5 mei 2026 een spoedverzoek bij de kinderrechter ingediend. Dit spoedverzoek kon niet vóór 7 mei behandeld worden. Hierop is de moeder met de kinderen ondergedoken. Hierdoor zijn de kinderen sinds 8 mei 2026 niet meer naar school geweest en tot op heden is onbekend voor de GI en betrokken instanties waar de moeder met de kinderen verblijft. Het is niet gelukt om met de moeder in contact te komen. De GI heeft op 11 mei 2026 bij de politie aangifte gedaan van onttrekking van het gezag en onttrekking bevoegd opzicht en op 13 mei 2026 heeft de GI de kinderrechter verzocht om een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. Deze machtiging is voor de duur van twee weken verleend, waarbij het verzoek voor het overige is aangehouden. Vervolgens heeft de kinderrechter naar aanleiding van de mondelinge behandeling van het verzoek de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd met zes weken, tot 8 juli 2026.

5.12.

Zowel in haar beroepschrift tegen die laatste beslissing als tijdens de mondelinge behandeling van dat hoger beroep door het hof is namens de moeder aangevoerd dat de kinderrechter [de minderjarige2] niet uit huis had moeten plaatsen bij de vader omdat het, gezien de bewijsmiddelen die zijn overgelegd, duidelijk is dat [de minderjarige2] niet veilig is bij zijn vader en dat er sprake is van (ritueel georganiseerd) seksueel misbruik en mishandeling. [de minderjarige2] heeft hierover op verschillende momenten zorgelijke uitlatingen gedaan.

5.13.

De vader ontkent alle beschuldigingen van de moeder. Namens hem is aangevoerd dat de uitlatingen van [de minderjarige2] mogelijk door de moeder zijn ingegeven of uitgelokt. Bovendien hebben verschillende instanties vastgesteld dat de vader voor [de minderjarige2] een veilige, liefdevolle en stabiele opvoedsituatie biedt.

5.14.

Zowel de raad als de GI hebben verklaard dat er momenteel geen aanwijzingen zijn dat de plaatsing van [de minderjarige2] bij de vader onveilig is. Zij vinden het belangrijk dat er nader onderzoek komt naar de dynamiek tussen de moeder en de kinderen, de vader en [de minderjarige2] en tussen de ouders onderling. Volgens de raad en de GI wordt dit door de houding van moeder bemoeilijkt en, nu moeder met de kinderen is ondergedoken, zelfs geheel onmogelijk gemaakt. De minderjarigen verkeren nu ongeveer twee maanden in de invloedssfeer van de moeder met alle gevolgen van dien. Het hof acht het van belang dat dit voorgestelde onderzoek zo snel mogelijk gestart wordt. Het hof kan goed volgen dat de raad ter zitting heeft opgemerkt dat het van belang is dat [de minderjarige2] , zodra moeder en de kinderen zijn teruggevonden, wordt onderzocht door een deskundige. Het hof vindt het, net als de raad, belangrijk dat er meer zicht komt op het welzijn van [de minderjarige2] , zijn gedrag en op de achtergrond van zijn opvallende uitlatingen. Daarbij is ook ter sprake gekomen dat [de minderjarige2] zich mogelijk laat beïnvloeden door de moeder en het hof is van oordeel dat ook dat onderzoek verdient.

5.15.

Ter zitting heeft de raad benoemd dat het mogelijk aangewezen is dat [de minderjarige2] , zodra de kinderen worden gevonden, gedurende een overgangsperiode bij een neutraal pleeggezin verblijft voordat hij bij de vader wordt geplaatst. De raad vraagt zich af of de directe overgang van het onderduiken met de moeder naar plaatsing bij de vader voor [de minderjarige2] in zijn belang is, waarbij de raad benadrukt dat dit niet is omdat het voor [de minderjarige2] niet veilig zou zijn bij de vader, maar vanwege de uiterst kwetsbare positie van [de minderjarige2] . De vader heeft aangegeven hierachter te staan en hiervan ook de noodzaak in te zien. Het hof gaat ervan uit dat, wanneer dit gebeurt nadat de kinderen zijn aangetroffen, daarvoor dan de juiste juridische wegen worden bewandeld, zoals het aanvragen van een daartoe bedoelde machtiging.

5.16.

Dit alles leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat de machtiging tot uithuisplaatsing voor beide kinderen verlengd moet worden. Het hof zal daarom de bestreden beschikking van 22 mei 2026 in stand laten (bekrachtigen).

Proceskosten

5.17.

De moeder heeft in de zaak met zaaknummer 200.369.467 verzocht de raad te veroordelen in de proceskosten. Zij heeft dit verzoek niet nader onderbouwd. De vader heeft in beide zaken verzocht de moeder te veroordelen in de proceskosten. Hij wijst daarbij op de volledige handelwijze van de moeder en dan met name op de wijze waarop de moeder procedeert.

5.18.

Het hof ziet in de verzoeken van de moeder en de vader geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat iedere partij de eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten), omdat het hier gaat om een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing.

6 De beslissing

Het hof:

6.1.

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 4 maart 2026 over de ondertoezichtstelling;

6.2.

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 22 mei 2026 over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing;

6.3.

wijst de verzoeken voor het overige af;

6.4.

compenseert de proceskosten.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Coster, mr. F. van der Meulen en mr. M.J. van Lingen, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 7 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.