Personen- en familierecht
Kinderalimentatie: overeenstemming tussen gemeente en man over verhaalsbijdrage die man aan gemeente ten…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4451 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4451
Zaakgegevens
Op 9 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Datum publicatie
- 9 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.366.221/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M. Amrani
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4451
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kinderalimentatie: overeenstemming tussen gemeente en man over verhaalsbijdrage die man aan gemeente ten behoeve van zijn zoon moet betalen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.366.221/01 en 02
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 597759
beschikking van 9 juli 2026
over verhaalsbedragen in verband met verstrekte bijstand aan [de vrouw] (de vrouw) voor [de minderjarige] (de zoon)
in de zaak van
[verzoeker] (de man)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. M. Amrani
en
de gemeente Utrecht (de gemeente)
gemachtigde: B. Heidbuurt.
1 Samenvatting
De rechtbank heeft het door de man aan de gemeente verschuldigde bedrag vanwege de bijstandsverlening aan de vrouw voor de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] vastgesteld op € 960,- per maand. De man en de gemeente hebben op de mondelinge behandeling bij het hof afgesproken dat de man met ingang van 1 januari 2026 € 260,- per maand aan verhaalsbijdrage zal betalen aan de gemeente. Het hof heeft de afspraak getoetst en beslist dat de afspraak tussen de man en de gemeente juist is en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van:
- [de minderjarige] , geboren [in] 2020 in Utrecht.
[de minderjarige] woont bij de vrouw.
De gemeente verstrekt sinds 18 september 2024 bijstand aan de vrouw op grond van
de Participatiewet. Deze bijstand is ook bestemd voor [de minderjarige] .
Bij besluit van 14 februari 2025 heeft de gemeente het door de man te betalen
verhaalsbedrag vastgesteld op € 960,- per maand, met ingang van 1 februari 2025.
3 De procedure bij de rechtbank
De gemeente heeft de rechtbank verzocht om een verhaalsbedrag vast te stellen in verband met de bijstandsuitkering die de vrouw ontvangt. De man heeft in die procedure geen verweer gevoerd.
De rechtbank heeft op 4 december 2025 het verzoek van de gemeente toegewezen en het verhaalsbedrag vastgesteld op € 960,- per maand, met ingang van 1 februari 2025. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat de man de sinds 1 februari 2025 ontstane achterstand in de betaling van de verschuldigde verhaalsbedragen moet aflossen in bedragen van € 480,- per maand, totdat die achterstand volledig is voldaan.
De rechtbank heeft die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat wil zeggen dat die beslissing direct in werking treedt.
4 De procedure bij het hof
De man is het niet eens met de beslissing van de rechtbank. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt.
De gemeente is het eens met de beslissing van de rechtbank. De gemeente wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift ontvangen op 3 maart 2026
-
het bericht van de man van 1 april 2026
-
het verweerschrift.
Het hof heeft de op 10 juni 2026 ingediende stukken van de man geweigerd omdat deze te laat zijn ingediend en het hof deze stukken niet meer heeft kunnen lezen.
De zitting bij het hof was op 10 juni 2026. Aanwezig waren:
-
de man met zijn advocaat
-
twee vertegenwoordigers van de gemeente.
5 Het oordeel van het hof
Het schorsingsverzoek (zaaknummer 200.366.221/02)
De man heeft zijn verzoek tot schorsing van de werking van de beslissing van de rechtbank ingetrokken. Het hof zal de man niet-ontvankelijk verklaren in zijn schorsingsverzoek.
De hoofdzaak (zaaknummer 200.366.221/01)
De man en de gemeente hebben op de mondelinge behandeling bij het hof afgesproken dat de man met ingang van 1 januari 2026 met € 260,- per maand aan verhaalsbijdrage zal betalen aan de gemeente, voor het eerst te indexeren volgens de wettelijke indexering op
1 januari 2027.
Uit de door de gemeente gegeven toelichting op de zitting over onder andere het belastbaar inkomen in 2022 tot 2024 van de man, de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van de man blijkt dat deze afspraak naar het oordeel van het hof niet in strijd met de openbare orde is. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen zoals de man en de gemeente zijn overeengekomen.
6 De beslissing
Het hof:
In de zaak met nummer 200.366.221/02
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot schorsing van de werking van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 december 2025
In de zaak met nummer 200.366.221/01
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
4 december 2025 en beslist dat de man aan de gemeente met ingang van
1 januari 2026 € 260,- per maand aan verhaalsbijdrage zal betalen vanwege
bijstandsverlening aan [de vrouw] voor [de minderjarige] , de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen, voor het eerst te indexeren per
1 januari 2027 volgens de wettelijke indexering
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.A.F. Veenstra, E. de Boer en E.F. Groot, leden, bijgestaan door mr. J.M. van Gastel-Goudswaard als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2026.