Personen- en familierecht
artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek Ondanks moeizame communicatie tussen de ouder bekrachtigt het…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 9 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4452 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 9 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4452
Zaakgegevens
Op 9 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Datum publicatie
- 9 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.363.277/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. K.R. Koopman, mr. A.P. van Stralen
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4452
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek
Ondanks moeizame communicatie tussen de ouder bekrachtigt het hof de beschikking van de rechtbank waarbij de vader samen met de moeder met het gezag is belast.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.363.277
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 591018)
beschikking van 9 juli 2026
in de zaak van
[de moeder]
die woont op een bij het hof bekend adres
advocaat: mr. K.R. Koopman
en
[de vader]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. A.P. van Stralen
1 Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 7 oktober 2025, uitgesproken onder zaaknummer 591018. Die beschikking wordt verder ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
2 Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
het beroepschrift, ingekomen op 6 januari 2026, met bijlagen;
-
het verweerschrift met bijlagen;
-
een journaalbericht van mr. Koopman van 15 april 2026 met bijlage;
-
een journaalbericht van mr. Koopman van 8 juni 2026 met bijlagen;
-
een journaalbericht van mr. Van Stralen van 16 juni 2026 met bijlagen.
De zitting was op 16 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
Bij aanvang van die zitting bleek dat de tolk van de vader had afgebeld. De vader heeft toen gezegd dat hij de zitting toch wilde laten doorgaan. Tijdens die zitting bleek dat de vader zonder tolk onvoldoende in staat was om goed te volgen en te begrijpen wat op de zitting werd gezegd. Het hof heeft daarom, na kort beraad, beslist om de zitting aan te houden om de vader in de gelegenheid te stellen zich alsnog te laten bijstaan door een tolk.
Op 23 juni 2026 is het verzoek opnieuw op zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
Zowel op 16 april 2026 als op 23 juni 2026 heeft de advocaat van de moeder schriftelijke spreekaantekeningen overgelegd.
3 De feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] . De vader heeft [de minderjarige] op 20 juni 2020 erkend.
De vader heeft de Portugese nationaliteit.
Tot de bestreden beschikking had de moeder alleen het gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij de moeder.
4 De omvang van het geschil
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader samen met de moeder belast met het gezag over [de minderjarige] . Daarnaast heeft de rechtbank een voorlopige zorgregeling en een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld en verder iedere beslissing over de zorgregeling en de vakantie- en feestdagenregeling aangehouden.
De moeder is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven zien op het gezag. De moeder verzoekt het hof:
-
primair de bestreden beschikking te vernietigen voor zover die betrekking heeft op het gezag, en het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over [de minderjarige] , alsnog af te wijzen;
-
subsidiair anderszins te oordelen zoals het hof juist acht.
De vader voert verweer en vraagt het hof het hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5 De motivering van de beslissing
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De vader heeft de Portugese nationaliteit. De zaak heeft daarom een internationaal karakter, zodat het hof aanleiding ziet ambtshalve onderzoek te doen naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Omdat [de minderjarige] op het moment dat de zaak aanhangig werd gemaakt bij de rechtbank, haar gewone verblijfplaats in Nederland had, waar zij ook nu nog woont, komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Omdat de rechtbank Nederlands recht heeft toegepast en het toepasselijke recht in hoger beroep niet in geschil is, zal ook het hof Nederlands recht toepassen.
Wettelijk kader
In artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek staat dat de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die het gezag niet eerder gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Het oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat gezamenlijk gezag van de ouders in het belang is van het kind. De wet gaat ervan uit dat voortgezet ouderschap bij het uiteengaan van ouders de norm is en dat beide ouders op gelijkwaardige wijze verantwoordelijk blijven voor de verzorging, opvoeding en ontwikkeling van hun kinderen. Door gezamenlijk gezag kunnen de ouders een gelijkwaardige positie innemen. Alleen wanneer sprake is van specifieke contra-indicaties kán van dat uitgangspunt worden afgeweken. Daarvan is naar het oordeel van het hof in deze zaak geen sprake. Het hof, dat hiermee het advies van de raad volgt, neemt daarvoor het volgende in aanmerking.
Uit de stukken en wat is besproken op de zitting blijkt dat de communicatie tussen de ouders al jaren zeer moeizaam verloopt en dat zij weinig vertrouwen in elkaar hebben. De hulpverlening die tot nu toe is ingezet, heeft daar nog onvoldoende aan kunnen veranderen.
Daar staat tegenover dat de vader betrokken is bij het leven van [de minderjarige] . Er is een zorgregeling afgesproken op basis waarvan de vader heel regelmatig contact heeft met [de minderjarige] , en die regeling verloopt goed. Op de zitting hebben beide ouders gezegd dat [de minderjarige] het heel fijn vindt om bij de vader te zijn. Wanneer een ouder zo intensief betrokken is bij de verzorging en opvoeding van zijn kind, acht het hof het in beginsel passend dat deze ouder ook het gezag heeft. Dat de vader de moeder belemmert bij het nemen van (gezags)beslissingen heeft de moeder, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader, onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft de vader de moeder geen toestemming heeft gegeven voor een reis met [de minderjarige] naar India in de periode van 5 januari 2026 tot en met 13 februari 2026, maar de vader stelt dat hij daar goede redenen voor had. Zo vond hij het belangrijk dat de voorlopige zorgregeling zou worden nageleefd en vond hij dat [de minderjarige] door de reis teveel van school zou missen. Ook maakte hij zich zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] in India. Hoewel de discussie die de ouders over deze reis voerden, bevestigt dat het onderlinge wantrouwen tussen de ouders groot is en dat zij moeizaam communiceren, maakt het hof daaruit ook op dat de vader zich zorgen maakt over het welzijn van [de minderjarige] , de continuïteit van hun contact en haar schoolgang bij een reis naar India. Het hof benadrukt dat het als (gezaghebbende) ouders met elkaar delen van dergelijke zorgen nu juist een belangrijk onderdeel vormt van het gezamenlijk uitoefenen van het gezag. [de minderjarige] heeft er baat bij dat de ouders gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen voor belangrijke beslissingen over haar verzorging en opvoeding. Hetzelfde geldt voor de voorgenomen reis van de moeder met [de minderjarige] naar Sri Lanka in de komende zomervakantie, waarvoor de vader (tot nu toe) geen toestemming heeft gegeven. Ook in dit geval heeft de vader serieuze bezwaren en zorgen, waarbij voor hem onder andere een rol speelt dat voor Sri Lanka op dit moment een geel reisadvies geldt. Daarnaast is gebleken dat de toestemmingsproblemen over en weer bestaan: ook het verlenen van toestemming voor een vakantie van de vader met [de minderjarige] naar Portugal verliep moeizaam.
Dat [de minderjarige] door genoemde communicatieproblemen van de ouders klem of verloren dreigt te raken of is geraakt of dat gezamenlijk gezag anderszins in strijd is met het belang van [de minderjarige] , is onvoldoende gebleken. De door de moeder gegeven voorbeelden ter onderbouwing van die stelling zien op de wijze waarop de ouders met elkaar communiceren. De discussies die steeds tussen de ouders ontstaan, gaan vooral over de zorgregeling en zullen niet oplossen wanneer de moeder alleen met het gezag wordt belast. Bovendien gaat het goed met [de minderjarige] .
In zijn advies op de zitting heeft de raad wel benadrukt dat het van belang is dat de ouders de hulpverlening die is gericht op hun onderlinge communicatie, voortzetten. Wanneer de communicatie niet verbetert, zal [de minderjarige] de spanningen tussen haar ouders gaan voelen en daarvan last krijgen. Het hof onderschrijft dat advies.
De grieven falen. Het hof zal het verzoek van de moeder afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen, voor zover daarbij de vader samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] is belast.
7 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van
7 oktober 2025, voor zover daarbij de vader samen met de moeder met het gezag over [de minderjarige] is belast;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, S. Kuijpers en L.D.M. Rubens-Snijders en is op 9 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.