Personen- en familierecht
Bekrachtiging beslissing afwijzing ondertoezichtstelling.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4661 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4661
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 16 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.368.680
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. H Gümüs, mr. I Merçanoglu
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4661
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Bekrachtiging beslissing afwijzing ondertoezichtstelling.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.368.680
zaaknummer rechtbank Overijssel 342885
beschikking van 16 juli 2026
over de ondertoezichtstelling van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. H. Gümüs
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
die is gevestigd in Almelo
en
[verweerder] (de vader)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. I. Merçanoglu
en
als informant:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel (de GI)
die is gevestigd te Hengelo (O).
1 Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, heeft bij beschikking van 6 februari 2026 het verzoek van de raad om [de minderjarige] voor de duur van een jaar onder toezicht te stellen van de GI, afgewezen. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2009.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij de vader.
3 De procedure bij de kinderrechter
De raad heeft verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor een jaar.
De kinderrechter heeft het verzoek van de raad afgewezen.
Die beslissing is vastgelegd in de beschikking van 6 februari 2026.
4 De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. De moeder wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en verzoekt het hof [de minderjarige] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van twaalf maanden.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift, ontvangen op 5 mei 2026 met producties
-
het verweerschrift namens de vader, met producties
-
een journaalbericht namen de moeder van 8 juni 2026, met producties
-
een journaalbericht namens de vader van 12 juni 2026, met producties.
[de minderjarige] heeft op 15 juni 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van het verzoek van de moeder.
De zitting bij het hof was op 16 juni 2026. Aanwezig waren:
-
de moeder met haar advocaat
-
de vader met zijn advocaat en een tolk in de Turkse taal
-
een vertegenwoordiger van de raad, bijgestaan door een schrijftolk
-
twee vertegenwoordigers van de GI.
5 Het oordeel van het hof
Ontvankelijkheid
De vader stelt in zijn verweer primair dat de moeder in haar verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat zij geen voldoende rechtstreeks belang heeft bij de door haar verzochte ondertoezichtstelling.
Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep geeft een procespartij of belanghebbende de mogelijkheid om een zaak opnieuw te laten behandelen. De moeder is als mede-gezaghebbende ouder belanghebbende in deze procedure. Hetgeen de vader stelt, namelijk dat gezien het ontbreken van family life in de laatste drie jaar de moeder reeds daarom geen zelfstandig, rechtstreeks en voldoende zwaarwegend belang heeft bij een OTS-beschikking en dat een ondertoezichtstelling geen instrument is om contactherstel af te dwingen, geen middel om relatieconflicten te beslechten en evenmin bedoeld is als juridisch drukmiddel binnen een geëscaleerde echtscheidingsstrijd, voert het hof niet tot een ander oordeel.
De ondertoezichtstelling
Wat staat in de wet?
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening.
Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
Hoe oordeelt het hof?
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling ziet het hof onvoldoende aanleiding (alsnog) een ondertoezichtstelling uit te spreken. Hieronder zal worden toegelicht hoe het hof tot dit oordeel is gekomen.
Het hof ziet de zorgen die de moeder en de raad hebben over [de minderjarige] en is het met hen eens dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Zoals uit het onderzoek door de raad is gebleken zit [de minderjarige] al jaren klem in de situatie die de ouders hebben gecreëerd. Uit het raadsrapport van 19 december 2025 blijkt dat de ouders in een complexe echtscheiding zijn verwikkeld, met meerdere procedures zowel in Nederland als in Turkije. De raad ziet dat [de minderjarige] hierdoor ernstig wordt belast, omdat zij in beide landen betrokken wordt bij de verschillende procedures die de volwassenen om haar heen voeren en waar zij soms onderdeel van uitmaakt. Over de vele incidenten waarvan sprake is en die zich nog steeds voordoen, hebben de ouders hun eigen verhalen die lijnrecht tegenover elkaar staan. Het is voor [de minderjarige] lastig om daar mee om te gaan.
De raad houdt er rekening mee dat [de minderjarige] daardoor door de ouders in een dusdanig benarde positie is gebracht dat zij voor haar gevoel heeft moeten kiezen tussen haar ouders. Dit heeft ertoe geleid dat [de minderjarige] heeft gekozen voor de vader, omdat zij al langere tijd bij hem woont en wijst zij de moeder inmiddels volledig af, zowel in woord als gedrag. Op korte termijn geeft deze keuze volgens de raad [de minderjarige] wellicht rust, maar in werkelijkheid kan deze keuze een overlevingsstrategie van [de minderjarige] zijn. Volgens de raad ervaren kinderen die soortgelijke keuzes maken innerlijk nog steeds stress, schuldgevoelens en een diep verlies van de relatie met de verloren ouder. Dit kan op latere leeftijd leiden tot (ernstige) psychische problemen.
Gelijk aan het advies van de raad is het hof van oordeel dat langdurig opgroeien in de situatie waarin [de minderjarige] zich bevindt met strijdende ouders een ernstige ontwikkelingsbedreiging met zich brengt voor haar. Ook in haar gesprek bij het hof werd duidelijk dat [de minderjarige] last heeft van de strijd tussen de ouders. [de minderjarige] ervaart in Nederland veel onrust. [de minderjarige] wil, nu zij haar MAVO-diploma heeft behaald, daarom voor langere tijd naar het buitenland en daar via onlineonderwijs (de Wereldschool) haar HAVO-diploma gaan behalen. Het hof vindt het zorgelijk dat door de ontstane situatie tussen de ouders [de minderjarige] uit Nederland vlucht om te ontsnappen aan alle stress in haar leven en zij daardoor in een isolement lijkt te raken. De vraag is of in dit geval de maatregel van de ondertoezichtstelling is geïndiceerd. Het hof komt tot de conclusie dat een ondertoezichtstelling de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] niet zal wegnemen, omdat de strijd tussen de ouders nog steeds gaande is en [de minderjarige] door beide ouders betrokken wordt in lopende procedures in Turkije. Gelet op de leeftijd van [de minderjarige] (in november wordt zij zeventien jaar) en haar herhaaldelijk en consequent volledig afwijzen van de moeder, is het hof van oordeel dat niet de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] en het in dat kader inzetten van gedwongen hulpverlening voormelde zorgen zal wegnemen en zal leiden tot verbetering van de situatie van [de minderjarige] voordat zij meerderjarig zal worden. Ook de GI heeft op de zitting verklaard dat het waarschijnlijk niet gaat lukken om in de bestaande situatie verandering te brengen voor de meerderjarigheid van [de minderjarige] . Het hof is daarom van oordeel dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om de ondertoezichtstelling uit te spreken. Op dit moment zal gedwongen hulpverlening en het werken aan contactherstel met de moeder voor [de minderjarige] alleen maar meer stress opleveren, omdat zij nog steeds continu wordt betrokken in de (juridische) strijd tussen de ouders. Het is daarom van groot belang dat de ouders ieder naar hun eigen rol in de ontwikkelingsproblematiek van [de minderjarige] gaan kijken. Het hof hoopt dat de ouders in het belang van [de minderjarige] stappen kunnen zetten in het verbeteren van hun onderlinge verstandhouding, zodat [de minderjarige] wel de ruimte gaat voelen om contact met de moeder op te nemen als zij dit wil.
Gelet op het vorenstaande zal de beslissing van de kinderrechter in stand blijven (worden bekrachtigd).
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 6 februari 2026.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en L.R. Davila Talavera, en is in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.