Personen- en familierecht
Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, waardoor een ondertoezichtstelling voor de…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 augustus 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:5092 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-5092
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 200.370.028/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. F. Pool te Rotterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:5092
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, waardoor een ondertoezichtstelling voor de minderjarigen nodig is. De machtiging tot uithuisplaatsing is niet binnen drie maanden ten uitvoer gelegd en is daarmee komen te vervallen (art. 1:265c lid 3 BW).
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.370.028/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 253157)
beschikking van 4 augustus 2026
over de ondertoezichtstelling en (deeltijd)uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3]
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder)
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam
en
de raad voor de kinderbescherming (de raad)
regio Noord-Nederland, locatie Leeuwarden
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (de GI)
die is gevestigd in Amsterdam
1 Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft [de minderjarige2] en [de minderjarige3] onder toezicht gesteld tot 26 maart 2027. Ook is een (deeltijd) machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] , voor de duur van maximaal drie dagen per week in een deeltijdpleeggezin, tot 26 maart 2027. Het hof beslist dat de ondertoezichtstelling in stand blijft en legt hierna uit waarom.
2 De feiten
De moeder heeft vier kinderen. [de meerderjarige] is geboren [in] 2006, [de minderjarige1] is geboren [in] 2010, [de minderjarige2] is geboren [in] 2013 en [de minderjarige3] is geboren [in] 2018.
De moeder heeft het gezag over de minderjarige kinderen [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Zij wonen bij de moeder.
3 De procedure bij de kinderrechter
De raad heeft verzocht om [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] onder toezicht te stellen voor een jaar. Ook heeft de raad verzocht voor de drie kinderen een machtiging te verlenen voor een deeltijduithuisplaatsing in een pleeggezin.
De kinderrechter heeft de verzoeken van de raad gedeeltelijk toegewezen. [de minderjarige2] en [de minderjarige3] zijn onder toezicht gesteld tot 26 maart 2027. Ook is een machtiging verleend voor een deeltijduithuisplaatsing van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] tot 26 maart 2027, voor de duur van maximaal drie dagen per week in een deeltijdpleeggezin. De verzoeken voor [de minderjarige1] zijn afgewezen.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 26 maart 2026.
4 De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt en dat de ondertoezichtstelling wordt afgewezen, of in ieder geval voor een kortere periode zal gelden.
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat de machtiging tot uithuisplaatsing van rechtswege is komen te vervallen omdat deze drie maanden niet is uitgevoerd, waarop de moeder haar grieven tegen de machtiging tot uithuisplaatsing heeft ingetrokken. Het hof hoeft daarom over de machtiging tot uithuisplaatsing geen oordeel meer te geven.
De raad wil dat de beslissing over de ondertoezichtstelling in stand blijft.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
-
het beroepschrift, ontvangen op 5 juni 2026
-
het verweerschrift.
[de minderjarige2] heeft op 20 juli 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Hij heeft verteld wat hij vindt van de ondertoezichtstelling.
De zitting bij het hof was op 22 juli 2026. Aanwezig waren:
-
de moeder met haar advocaat
-
een vertegenwoordiger van de raad
-
een vertegenwoordiger van de GI.
5 Het oordeel van het hof
De wet
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging weer helemaal zelf op zich kunnen nemen binnen een aanvaardbare termijn. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling.
De beslissing
Het hof is van oordeel dat zowel bij [de minderjarige2] als bij [de minderjarige3] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Beide kinderen hebben een verstandelijke beperking en vertonen problematiek. [de minderjarige2] heeft veel schoolverzuim gehad omdat hij op eigen houtje met de bus mee door Friesland en Groningen reed. Hij gaat een dag per week naar een zorgboerderij, waar wordt geconstateerd dat [de minderjarige2] veel zelf regelt, zoals het vervoer van en naar de zorgboerderij. Ook wordt gezien dat [de minderjarige2] kwetsbaar en beïnvloedbaar is.
[de minderjarige3] heeft te maken met taalontwikkelingsproblematiek en vertoont grensoverschrijdend gedrag en taalgebruik.
De moeder zorgt liefdevol voor haar kinderen en accepteert hulp. Het is zeer positief dat zij goed samenwerkt met de GI en goed in contact blijft met de jeugdbeschermer. Het probleem lijkt te zijn dat de moeder niet altijd ziet wanneer er zorgen over de kinderen zijn en er hulp nodig is. Beide kinderen hebben meer structuur, toezicht en sturing nodig. Het zelfstandige gedrag van [de minderjarige2] is niet passend bij zijn leeftijd en is risicovol. De moeder zegt via zijn smartwatch te weten waar [de minderjarige2] is, maar ziet geen verdere gevaren in zijn reisgedrag of de mate waarin hij beïnvloed kan worden door mensen met minder goede bedoelingen. De zorgboerderij zegt weinig contact met haar te kunnen krijgen, terwijl de moeder volhoudt dat zij goed in contact is. Als de school van [de minderjarige3] de moeder adviseert met haar te lezen, volgt de moeder dat advies niet op maar kiest zij ervoor met [de minderjarige3] te gaan zingen.
De hulpverlening ziet een patroon waarbij de moeder met hulp in het vrijwillig kader een stijgende lijn inzet die weer afvlakt als de hulpverlening wegvalt of afschaalt. Het hof is van oordeel dat het verplichte karakter van de ondertoezichtstelling de moeder kan helpen positieve ontwikkelingen uit te voeren en vast te houden. In augustus 2026 zal er een intake plaatsvinden bij [naam] . [naam] zal de huidige ontwikkeling van de kinderen en de hulpvragen van de kinderen en de moeder in kaart brengen. Het hof vindt het belangrijk dat deze duidelijkheid er komt. Het hof gunt het de moeder dat zij optimaal kan profiteren van de GI en de hulp die de GI kan bieden.
De beslissing van de kinderrechter om [de minderjarige2] en [de minderjarige3] tot 26 maart 2027 onder toezicht te stellen zal daarom in stand blijven (worden bekrachtigd).
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 26 maart 2026 voor zover die ziet op de ondertoezichtstelling van [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. J.G. Knot en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 4 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.