Personen- en familierecht

Zorgregeling, artikel 1:253a lid 4 Burgerlijk Wetboek. Zo min mogelijk wisselmomenten, zodat het kind zo min…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 september 2026

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
200.367.312
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J. Koenen, mr. A.G. Ouwejan
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5950
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zorgregeling, artikel 1:253a lid 4 Burgerlijk Wetboek. Zo min mogelijk wisselmomenten, zodat het kind zo min mogelijk hoeft te schakelen tussen de verschillende leefwerelden bij de ouders en zoveel mogelijk rust kan ervaren. De wisselmomenten moeten op school plaatsvinden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.367.312

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 602829

beschikking van 15 september 2026

over [de minderjarige]

in de zaak van

[verzoekster] (de moeder)

die woont in [woonplaats1]

advocaat: mr. J. Koenen

en

[verweerster] (de vader)
die woont in [woonplaats2]
advocaat: mr. A.G. Ouwejan

en

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (de GI)

die is gevestigd in Utrecht

en

de raad voor de kinderbescherming (de raad)

als adviseur van het gerechtshof

Samenvatting

De rechtbank heeft de zorgregeling gewijzigd en bepaald dat [de minderjarige] in de even weken bij de vader en in de oneven weken bij de moeder verblijft (wisseldag maandag via school of anders om 9.00 uur). Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.

1 De feiten

1.1.

De vader en de moeder hebben een relatie gehad en zijn de ouders van:

[de minderjarige] , geboren [in] 2021.

De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] .

1.2.

[de minderjarige] is onder toezicht gesteld van de GI tot 20 september 2026.

1.3.

De volgende zorgregeling werd uitgevoerd per veertien dagen:

1.

2.

3.

4.

zondag - dinsdag

16.30 16.30

bij de moeder

dinsdag – vrijdag

16.30 16.30

bij de vader

vrijdag – woensdag

16.30 16.30

bij de moeder

woensdag – zondag

16.30 16.30

bij de vader

2 De procedure bij de rechtbank

2.1.

De vader heeft de rechtbank, kort samengevat, verzocht de zorgregeling te wijzigen in een week-op-week-af-regeling.

2.2.

De moeder was het daar niet mee eens en heeft de rechtbank, kort samengevat, verzocht te bepalen dat [de minderjarige] een weekend per veertien dagen en iedere woensdagmiddag bij de vader verblijft.

2.3.

De rechtbank heeft de zorgregeling gewijzigd in een week-op-week-af-regeling en bepaald dat [de minderjarige] in de even weken bij de vader en in de oneven weken bij de moeder verblijft, met als wisseldag de maandag via school dan wel om 9.00 uur op dagen dat er geen school is.

2.4.

Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 maart 2026.

3 De procedure bij het hof

3.1.

De moeder is het niet eens met een week-op-week-af-regeling. Zij komt daarom in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank ongedaan maakt en alsnog bepaalt dat [de minderjarige] een weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school en elke woensdagmiddag uit school tot 16.30 uur bij de vader verblijft.

3.2.

De vader is het niet eens met het verzoek van de moeder in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de rechtbank in stand laat.

3.3.

De GI is van mening dat de zorgregeling die de rechtbank heeft vastgesteld in het belang is van [de minderjarige] en in stand moet blijven.

3.4.

Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het beroepschrift ontvangen op 10 april 2026

  • de brief (standpuntstuk) van de GI van 22 mei 2026

  • het stuk van de vader ingediend op 3 augustus 2026

3.5.

De zitting bij het hof was op 11 augustus 2026. Aanwezig waren:

  • de moeder met haar advocaat

  • de vader met zijn advocaat

  • twee vertegenwoordigers van de GI

  • een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming

4 Het oordeel van het hof

Wat staat in de wet?

4.1.

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een zorgregeling wijzigen vanwege een wijziging van omstandigheden.

Hoe oordeelt het hof?

4.2.

Het hof is van oordeel dat voortzetting van de door de rechtbank vastgestelde week-op-week-af-regeling in het belang is van [de minderjarige] en legt hierna uit waarom.

4.3.

De rechtbank heeft overwogen dat [de minderjarige] onder de vorige zorgregeling per twee weken vier keer van verblijfplaats tussen de ouders moest wisselen, terwijl het de ouders niet lukte om de overdracht prettig te laten verlopen. Met de GI en de raad is de rechtbank het eens dat de wisselmomenten daarom op school moeten plaatsvinden. De rechtbank is van oordeel dat er zo min mogelijk wisselmomenten moeten worden uitgevoerd, omdat [de minderjarige] geen onbelast contact kan hebben met beide ouders en zich niet vrij tussen de ouders kan bewegen. Bij één wisselmoment per week hoeft [de minderjarige] zo min mogelijk te schakelen tussen de verschillende leefwerelden bij de ouders en kan zij zoveel mogelijk rust ervaren.

4.4.

Het hof neemt die motivering na eigen onderzoek over. Het hof voegt hieraan het volgende toe.

4.5.

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof kenbaar gemaakt dat zij zich inmiddels wel kan vinden in een gelijke verdeling van de zorg voor [de minderjarige] over beide ouders.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat de spanningsklachten bij [de minderjarige] sinds de uitvoering van de week-op-week-af-regeling zijn toegenomen. Volgens de moeder heeft [de minderjarige] niet alleen rondom het wisselmoment, maar ook op de dagen voor en na het wisselmoment veel moeite met de nieuwe situatie. De zorgen die moeder heeft geuit worden alleen niet door de school, de huisarts en andere instanties bevestigd. De school geeft in een in deze procedure overgelegde verklaring aan dat het afscheid nemen van de moeder in het begin van de uitvoering van de week-op-week-af-regeling wat moeizamer verliep, maar ook dat de nieuwe regeling meer duidelijkheid en rust geeft en [de minderjarige] meer ontspannen oogt dan eerst. Ook de vader vindt dat [de minderjarige] juist rustiger is geworden en dat het goed met haar gaat.

De GI heeft op de zitting meegedeeld dat [de minderjarige] in september 2026 gaat beginnen met het hulpverleningsprogramma “Piep zei de muis”. Deze therapie is gericht op jonge kinderen die opgroeien in onrustige opvoedsituaties. In creatief spel kunnen de kinderen uiting geven aan hun situatie. Dit wordt geobserveerd en de bevindingen worden teruggekoppeld aan de ouders. Volgens de GI is het jammer dat de moeder vanuit de organisatie Reinaerde geen hulpverlening is aangeboden om haar te ondersteunen en te leren omgaan met haar zorgen over [de minderjarige] .

De raad heeft ter zitting bij het hof geadviseerd de huidige zorgregeling te handhaven. Een gelijke verdeling van de zorg is in het belang van [de minderjarige] . Zij is nog heel jong en heeft te maken met een situatie waarin de ouders al heel lang strijd tegen elkaar voeren. [de minderjarige] is gek op haar beide ouders en haar ouders zijn ook allebei gek op haar. Dat de moeder vindt dat [de minderjarige] voor en na de wisseling van de ene naar de andere ouder zorgelijk gedrag laat zien, maakt juist dat het nodig is dat er zo min mogelijk wisselmomenten zijn. Wanneer vaker gewisseld wordt dan zal [de minderjarige] nauwelijks nog tot rust en ontspanning kunnen komen. Het is volgens de raad jammer dat het traject Parallel Solo Ouderschap niet goed van de grond is gekomen, daar kan de moeder leren om de situatie beter los te laten. Het hof merkt hierover op dat dit traject misschien alsnog kan worden gevolgd. De vader heeft op de zitting verklaard dat hij wel baat heeft gehad bij het deel van de hulpverlening dat hij persoonlijk heeft gevolgd in het kader van dit traject.

4.6.

Dit alles bij elkaar maakt dat het hof van oordeel is dat de beslissing van de rechtbank dat een week-op-week-af-regeling moet worden uitgevoerd door de ouders in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van [de minderjarige] , in stand moet blijven (worden bekrachtigd), nu dit het meest in het belang van [de minderjarige] is.

5 De beslissing

Het hof:

5.1.

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 11 maart 2026;

5.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af wat verder is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. K.A.M. van Os-ten Have, R. Feunekes en H. Phaff, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026.