Personen- en familierecht
Familierecht. Het hof volgt advies van de raad en handhaaft lopende zorgregeling.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6387 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6387
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 6 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.352.839/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. E. Uijt de Boogaardt te Lelystad, mr. D. Vurdelja te Den Haag
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6387
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Familierecht. Het hof volgt advies van de raad en handhaaft lopende zorgregeling.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.352.839/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 566020)
beschikking van 6 oktober 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Uijt de Boogaardt te Lelystad,
en
[verweerder] (de vader),
die woont op een bij het hof bekend adres,
verweerder in hoger beroep,
advocaat: mr. D. Vurdelja te Den Haag.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Midden Nederland, locatie Utrecht.
1 Het verloop van het geding in hoger beroep
Voor het verloop van het geding tot 20 mei 2025 verwijst het hof naar zijn (tussen)beschikking van die datum.
Het verdere verloop blijkt uit:
- een rapport van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) van 5 maart 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 25 maart 2026;
- een journaalbericht namens de vader van 26 maart 2026;
- een journaalbericht namens de moeder van 29 augustus 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de vader van 1 september 2026 met bijlagen.
Op 8 september 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn:
- de moeder met haar advocaat en een tolk in de Arabische (Marokkaanse) taal,
- namens de vader: zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad.
2 De motivering van de beslissing
Partijen zijn ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2023.
De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] . De ouders zijn in 2024 uit elkaar gegaan. [de minderjarige] woont bij de moeder.
Het gaat in deze zaak om de verdeling van de zorg- en opvoedtaken tussen de ouders voor [de minderjarige] (verder ook: de zorgregeling).
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 23 december 2024, voor zover hier van belang, een opbouwende zorgregeling tussen de vader en [de minderjarige] vastgesteld. Deze regeling is vanaf maart 2025 uitgebreid met een overnachting.
[de minderjarige] verblijft nu in de even weken op de woensdag van 10:00 uur tot 14:00 uur bij de vader en in het weekend van zaterdag 09:00 uur tot zondag 17:00 uur. In de oneven weken geldt de regeling zonder overnachting, in die zin dat [de minderjarige] naast de woensdag in het weekend alleen op zaterdag van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijft. De vakanties en de feestdagen worden tussen de ouders bij helfte verdeeld. [de minderjarige] heeft de afgelopen zomervakantie drie aaneengesloten weken bij de vader verbleven.
Het hof blijft bij wat is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 20 mei 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
In die beschikking heeft het hof, voor zover nu nog van belang, de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar en te adviseren over welke zorgregeling het meest in het belang van [de minderjarige] is.
De raad heeft in zijn rapport van 5 maart 2026 – samengevat – het volgende geschreven en geadviseerd. Volgens de raad dient de huidige zorgregeling te worden voortgezet, want de raad acht deze verdeling van de zorg- en opvoedtaken in het belang van [de minderjarige] . De raad heeft geen signalen van onveiligheid van [de minderjarige] bij de vader geconstateerd en ziet ook geen reden om de veiligheid van [de minderjarige] bij de vader in twijfel te trekken. Zowel [de minderjarige] als de ouders zijn inmiddels gewend aan deze zorgregeling. De raad is van mening dat ook overnachting van [de minderjarige] bij de vader in zijn belang is. De vader kan dan de zorgtaken rondom het avondritueel en het ochtendritueel uitvoeren. Dit kan juist de band tussen [de minderjarige] en de vader versterken. Daarnaast is het voor de vorming van de identiteit van [de minderjarige] belangrijk dat hij deelneemt aan het leven van de vader en in aanraking komt met zijn gewoontes, tradities en normen en waarden.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft de moeder toegelicht waarom zij het niet eens is met het advies van de raad.
De moeder heeft nog altijd onverminderd zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] tijdens de omgangscontacten met de vader. Het onderzoek van de raad en het rapport hebben die zorgen niet kunnen wegnemen, te meer niet omdat [de minderjarige] na ieder omgangscontactmoment met zijn vader zorgelijke signalen laat zien die - in de visie van de moeder - niet kunnen worden teruggebracht tot loyaliteitsproblematiek die voortkomt uit de echtscheiding.
De moeder heeft zorgen over de psychische gesteldheid van de vader en over de vragen of hij voldoende in staat is om de veiligheid van [de minderjarige] te waarborgen en of hij de zorg voor [de minderjarige] aankan.
Volgens de moeder is het onderzoek van de raad niet zorgvuldig genoeg geweest, met name omdat nog steeds geen duidelijkheid bestaat over de psychische gesteldheid van de vader en over zijn medicijngebruik en omdat niet duidelijk is waarom hij nog steeds een Wajong-uitkering ontvangt.
De moeder vindt het wel van belang dat [de minderjarige] en de vader contact hebben, maar zij vindt dat er een zorgregeling moet komen waarbij [de minderjarige] niet bij de vader slaapt. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij een regeling, waarbij [de minderjarige] een dag per week van 09:00 uur tot 17:00 uur bij de vader verblijft, in het belang van [de minderjarige] het meest passend vindt.
De vader is het eens met het advies van de raad. Volgens hem is sprake geweest van een zorgvuldig onderzoek met een duidelijke conclusie. De zorgen van de moeder worden volgens de vader door de raad niet herkend. De vader is moegestreden en wil de juridische strijd achter zich laten. Hij vindt het belangrijk dat er rust komt voor [de minderjarige] en partijen.
Het hof ziet, gelet op wat uit de stukken naar voren is gekomen en wat door partijen naar voren is gebracht op de zitting, geen grond om anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan. Het hof volgt het advies van de raad en zal de bestreden beschikking in stand laten (bekrachtigen).
Net als de raad is het hof van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat de lopende zorgregeling wordt voortgezet. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is (opnieuw) gebleken dat de visies van de ouders over de ernst van de zorgen van elkaar verschillen en dat het de ouders niet lukt om constructief met elkaar te communiceren. De moeder uit al langere tijd grote zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en maakt zich zorgen over zijn medicatiegebruik. Deze zorgen zijn beoordeeld door verschillende professionals, maar worden tot op heden – ook binnen het raadsonderzoek – niet herkend of bevestigd.
Het hof volgt de moeder niet in haar standpunt dat het onderzoek van de raad onzorgvuldig is geweest en dat de raad geen antwoord heeft gegeven op de onderzoeksvragen. De raad heeft het hof geadviseerd op grond van een uitgebreid onderzoek, waarin zowel met de ouders als met alle betrokken hulpverleners ( [naam1] , [naam2] , [naam3] ) en met andere informanten (zoals de pedagogisch medewerker en mentor van [de minderjarige] bij de peuterspeelzaal) is gesproken. In het onderzoek van de raad zijn tevens de zorgen van de moeder meegenomen. Een en ander heeft uiteindelijk geleid tot het hiervoor onder 2.5. weergegeven advies.
Hierbij wil het hof de vader er wel op wijzen dat het voor een goed verloop van de zorgregeling van belang is dat hij de bij de moeder levende zorgen niet onnodig groter maakt door te weinig openheid van zaken te geven over zijn situatie. Wanneer hij bijvoorbeeld de omgang afzegt “wegens privéomstandigheden”, zoals is voorgekomen, dan is het wenselijk als hij daarbij ook aanduidt om welke privéomstandigheden het gaat, zodat er geen ruimte voor speculatie is.
3 De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof als volgt beslissen.
4 De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 23 december 2024, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. P.B. Kamminga en mr. C. Coster, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 6 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier