Penitentiair strafrecht

Verlenging terbeschikkingstelling (tbs). Het hof verlengt de tbs met 1 jaar. In deze verlengingsprocedure is…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over penitentiair strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
14 september 2026
Zaaknummer
P26/109
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5917
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verlenging terbeschikkingstelling (tbs). Het hof verlengt de tbs met 1 jaar. In deze verlengingsprocedure is geen multidisciplinair onderzoek verricht als bedoeld in artikel 6:6:12 lid 3 Sv. Het hof is van oordeel dat het bij de huidige stand van zaken niet mogelijk is om de tbs te verlengen met 2 jaar. Daardoor zou de totale duur van de tbs namelijk een veelvoud van 4 jaar overschrijden, terwijl het hof niet beschikt over een recentelijk opgemaakt multidisciplinair advies als bedoeld in artikel 6:6:12 lid 3 Sv. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om alsnog een dergelijk advies te doen opmaken. Het voorgaande brengt mee dat het hof niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of er, gelet op de stand van zaken in het behandel- en resocialisatietraject, voldoende reden is om de tbs te verlengen met 2 jaar.

De tbs is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:4466).

Uitspraak

TBS P26/109

Beslissing van 13 augustus 2026

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren in [plaats] op [datum] ,

verblijvende in [voorziening voor beschermd wonen] (onder verantwoordelijkheid van forensisch psychiatrisch centrum (FPC) [naam] ) (hierna: de kliniek),

verder te noemen: de terbeschikkinggestelde.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2026. Deze beslissing houdt in:

? de verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en

? de afwijzing van het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het hof heeft gelet op dezelfde stukken als de rechtbank en daarnaast op:

? het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

? de beslissing van de rechtbank Rotterdam;

? de akte van 2 maart 2026 waarbij namens de terbeschikkinggestelde beroep is ingesteld;

? het (derde) voortgangsverslag van de reclassering van 9 maart 2026;

? de aanvullende informatie van de kliniek van 6 juli 2026.

Het hof heeft ter zitting van 30 juli 2026 gehoord:

? de advocaat-generaal, mr. I.M. Muller, en

? de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. J. van der Stel, advocaat in Schiedam.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde

In de vorige verlengingsprocedure besliste de rechter in 2024 tot verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar. Dat was toen ook geadviseerd door de kliniek. In de huidige verlengingsprocedure heeft de kliniek opnieuw een verlengingsadvies uitgebracht dat strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling met één jaar. Op alle probleemgebieden waar de terbeschikkinggestelde werk te verrichten had, zijn de problemen opgelost. De kentering kwam op de zitting van de rechtbank, die resulteerde in de beslissing van de rechtbank om de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaar. Die beslissing viel de terbeschikkinggestelde rauw op zijn dak. De enige blokkade in het traject lijkt te zijn dat er geen plek beschikbaar is in een voorziening voor begeleid wonen zonder forensisch kader. De terbeschikkinggestelde vreest dat bij een verlenging van de terbeschikkingstelling van twee jaar de kliniek pas in de laatste fase van die termijn in actie zal komen. Het primaire standpunt strekt tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Daaraan kunnen de voorwaarden worden verbonden die zijn voorgesteld tijdens het pleidooi ter zitting van de rechtbank van 20 februari 2026. Het subsidiaire standpunt strekt ertoe dat de terbeschikkingstelling wordt verlengd met slechts één jaar.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De rechtbank heeft terecht beslist tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar. De terbeschikkinggestelde doet het goed, maar volgens de kliniek is het nog te vroeg voor de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Wel wordt gewerkt aan de uitbreiding van de vrijheden van de terbeschikkinggestelde, waarbij wordt toegewerkt naar overplaatsing naar een voorziening voor begeleid woning. Die laatste stap kan lang op zich laten wachten door wachtlijsten bij de beoogde woonvoorzieningen. Daar kan de kliniek niets aan doen. Het is van belang om in de tussentijd ervoor te zorgen dat de terbeschikkinggestelde stabiel blijft, zodat wanneer er een plek vrijkomt, de terbeschikkinggestelde klaar is voor het zetten van die stap. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank.

Het oordeel van het hof

Vernietiging beslissing rechtbank

Het hof vernietigt de beslissing van de rechtbank en doet opnieuw recht, omdat het hof tot een ander oordeel komt over de duur van de verlenging van de terbeschikkingstelling.

Indexdelict

De terbeschikkingstelling is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2017. De maatregel is opgelegd voor (kort gezegd) doodslag. De terbeschikkingstelling is dus opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daardoor is de terbeschikkingstelling niet in duur beperkt.

Stoornis en recidivegevaar

De aanvullende informatie van de kliniek (van 6 juli 2026) houdt in dat bij de terbeschikkinggestelde sprake is van schizofrenie. Daarnaast is sprake van een ernstige stoornis in het gebruik van middelen (cannabis, cocaïne en opioïde), maar die stoornis is momenteel in remissie binnen een gedwongen kader.

Het verlengingsadvies van de kliniek (van 10 november 2025) houdt in dat de kliniek het recidiverisico bij beëindiging van de terbeschikkingstelling inschat als hoog.

Verlenging van de terbeschikkingstelling

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist dat de terbeschikkingstelling wordt verlengd.

Duur van de verlenging

Het hof zal de terbeschikkingstelling verlengen met één jaar. Deze beslissing wordt als volgt onderbouwd.

Artikel 6:6:12, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt als volgt (voor zover hier van belang):

‘Indien het openbaar ministerie een verlenging vordert waardoor de totale duur van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar of van een veelvoud van vier jaar te boven gaat, legt het bij de vordering tevens over een recent opgemaakt advies van twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines – waaronder een psychiater – gezamenlijk, dan wel adviezen van ieder van hen afzonderlijk. Deze gedragsdeskundigen mogen op het ogenblik waarop zij het advies uitbrengen en ten tijde van het onderzoek dat zij daarvoor verrichten niet verbonden zijn aan de instelling waarin de ter beschikking gestelde wordt verpleegd.’

De wet schrijft dus voor dat in gevallen waarin het openbaar ministerie een verlenging van de terbeschikkingstelling vordert waarbij die vordering ertoe strekt dat de totale duur van de terbeschikkingstelling een veelvoud van vier jaar te boven gaat, in de verlengingsprocedure een multidisciplinair onderzoek naar de terbeschikkinggestelde moet worden verricht door twee gedragsdeskundigen die niet verbonden zijn aan de kliniek waarin de terbeschikkinggestelde verblijft.

In deze zaak is de terbeschikkingstelling (met verpleging van overheidswege) begonnen op 6 januari 2019 en eindigt de huidige termijn van de terbeschikkingstelling op 6 januari 2026. De terbeschikkingstelling loopt dus (ruim) zeven jaar. Dat betekent dat een verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar tot gevolg zou hebben dat de totale duur van de terbeschikkingstelling een veelvoud van vier jaar te boven gaat.

In deze verlengingsprocedure is geen multidisciplinair onderzoek verricht als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid, Sv. Ter zitting van de rechtbank en het hof hebben de officier van justitie respectievelijk de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met twee jaar. Het laatste multidisciplinaire onderzoek als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid, Sv (in het kader van de huidige terbeschikkingstelling) heeft plaatsgevonden in 2022.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het bij de huidige stand van zaken niet mogelijk is om de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaar. Daardoor zou de totale duur van de terbeschikkingstelling namelijk een veelvoud van vier jaar overschrijden, terwijl het hof niet beschikt over een recentelijk opgemaakt multidisciplinair advies als bedoeld in artikel 6:6:12, derde lid, Sv. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om alsnog een dergelijk advies te doen opmaken. Het voorgaande brengt mee dat het hof niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of er, gelet op de stand van zaken in het behandel- en resocialisatietraject, voldoende reden is om de terbeschikkingstelling te verlengen met twee jaar. Concluderend zal het hof de terbeschikkingstelling met één jaar verlengen.

Afwijzing verzoek tot voorwaardelijke beëindiging

Het hof wijst het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging af. Naar het oordeel van het hof is het nog te vroeg om de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2026 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde, [terbeschikkinggestelde] .

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van 1 (één) jaar.

Aldus gedaan door

mr. M.J. Vos, voorzitter,

mr. O.G. Schuur en mr. P.C. Vegter, raadsheren,

drs. J.L.M. Dinjens en drs. K.M. ten Brinck, raden,

in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,

en op 13 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.