Penitentiair strafrecht

Vernietiging van de beslissing van de rechtbank. Het hof wijst af de vordering van het openbaar ministerie…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 13 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 13 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over penitentiair strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
13 augustus 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
P26/145
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:5954
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vernietiging van de beslissing van de rechtbank. Het hof wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Uitspraak

TBS P26/145

Beslissing van 13 augustus 2026

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

wonende aan de [adres] ,

verder te noemen: de terbeschikkinggestelde.

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 23 februari 2026. Deze beslissing houdt in de afwijzing van het verzoek tot aanhouding voor het doen onderzoeken van de mogelijkheid of een zorgmachtiging kan worden afgegeven en de verlenging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden met een termijn van één jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • de beslissing waarvan beroep;

  • de akte van 3 maart 2026 waarbij namens de terbeschikkinggestelde beroep is ingesteld;

  • het 8ste voortgangsverslag aan opdrachtgever van Reclassering Nederland van 10 maart 2026;

  • de aanvullende informatie van de reclassering Nederland van 16 juli 2026.

Het hof heeft ter zitting van 30 juli 2026 gehoord de advocaat-generaal, mr. R.J.A. Segerink, en de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman, mr. N. Hannaart, advocaat te Almere.

Overwegingen

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde

De raadsman heeft verzocht om de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af te wijzen. De terbeschikkinggestelde beschikt over ziekte-inzicht en beseft dat zijn medicatie belangrijk is. Zijn ouders zijn betrokken en weten wanneer zij aan de bel moeten trekken. Het recidiverisico wordt door de reclassering als laag ingeschat. De hulpverlening kan in een vrijwillig kader plaatsvinden. Het is belangrijk dat de terbeschikkinggestelde vertrouwen wordt gegeven.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft primair verzocht om de beslissing van de rechtbank te bevestigen. De advocaat-generaal volgt het advies van de psychiater [naam] van 17 oktober 2025 waarin het recidiverisico op de korte termijn wordt ingeschat als laag en op de lange termijn als matig en waarin wordt geadviseerd om de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen. De advocaat-generaal ziet ook dat de terbeschikkingstelling ten einde loopt, maar volgens hem verdient het de voorkeur dat het traject wordt afgemaakt tot februari. Er kan dan een vinger aan de pols worden gehouden en gekeken worden of het traject zich goed zal blijven ontwikkelen.

Subsidiair heeft de advocaat-generaal verzocht, om in het geval de vordering tot verlenging wordt afgewezen, de terbeschikkinggestelde mee te geven dat het belangrijk is dat de terbeschikkinggestelde en zijn netwerk aan de bel trekken als dat nodig is.

Het oordeel van het hof

Vernietiging

Het hof zal de beslissing waarvan beroep vernietigen, omdat het tot een andere beslissing komt.

Overwegingen

Het hof is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen inmiddels niet langer verlenging van de terbeschikkingstelling met voorwaarden vereist. De rechtbank oordeelde in de beslissing van 23 februari 2026 dat de terbeschikkinggestelde nog beter moet leren wanneer hij aan de bel moet trekken en dat met name de ouders goed op de hoogte moeten worden gebracht van het signaleringsplan en voegde daaraan wel toe dat de psychiater en de psycholoog menen dat die beide doelen mogelijk binnen een jaar kunnen worden bereikt.

Het hof neemt in aanmerking dat uit het aanvullend reclasseringsadvies van 16 juli 2026 blijkt dat zowel de reclassering als de Ambulante Forensische Psychiatrische Behandeling (AFPB) van mening zijn dat de gevaarrisico’s voldoende zijn teruggebracht en wel tot een laag risico. De terbeschikkinggestelde werkt goed mee aan de ambulante behandeling van de AFPB, heeft ziekte-inzicht, houdt zich aan het medicatiebeleid en heeft betaald werk, waardoor hij weer inkomen en een vaste dagstructuur heeft. Daarnaast is het netwerk van de terbeschikkinggestelde goed op de hoogte van het signaleringsplan. De reclassering en het AFPB zijn van mening dat de terbeschikkinggestelde inziet dat hij zelf ook belang heeft bij zijn behandeling en dat deze behandeling in een vrijwillig kader kan doorgaan. De reclassering adviseert dan ook om de terbeschikkingstelling niet te verlengen.

Ook het hof heeft mede in het licht van hetgeen ter zitting naar voren is gekomen het vertrouwen dat de terbeschikkinggestelde steeds beter heeft geleerd wanneer hij aan de bel moeten trekken en dat zijn ouders op de hoogte zijn van en betrokken zijn bij het signaleringsplan. Bovendien kan het behandeltraject op vrijwillige basis worden voortgezet. Daarmee zijn de door de rechtbank genoemde doelen in voldoende mate bereikt.

De risicofactoren zijn aldus zodanig teruggebracht dat tot beëindiging van de maatregel kan worden overgegaan. Het hof zal daarom, met vernietiging van de beslissing waarvan beroep, de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de maatregel afwijzen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 23 februari 2026 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde, [terbeschikkinggestelde] .

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Aldus gedaan door

mr. O.G. Schuur, voorzitter,

mr. M.J. Vos en mr. P.C. Vegter, raadsheren,

en drs. J.L.M. Dinjens en drs. K.M. ten Brinck, raden,

in tegenwoordigheid van mr. M.E. Ruiter, griffier,

en op 13 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.