Strafprocesrecht

Rechtsgeldige intrekking hoger beroep? Gelet op f&o heeft het hof het ervoor gehouden dat het hoger beroep…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 16 mei 2025

Zaakgegevens

Op 16 mei 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafprocesrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
16 mei 2025
Datum publicatie
2 juni 2025
Zaaknummer
21-004836-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2025:3350
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Rechtsgeldige intrekking hoger beroep? Gelet op f&o heeft het hof het ervoor gehouden dat het hoger beroep niet rechtsgeldig is ingetrokken, waarop de zaak ter terechtzitting van 16 mei 2025 is behandeld. Verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep o.g.v. art. 416 lid 2 Sv.

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004836-24

Uitspraak d.d.: 16 mei 2025

VERSTEK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 24 oktober 2024 met parketnummer 18-157862-24 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-077666-22, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1970,

wonende te [adres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 mei 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, ertoe strekkend dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Procesverloop

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte op 24 oktober 2024 veroordeeld voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde tot een taakstraf van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. De politierechter heeft voorts de tenuitvoerlegging bevolen van een eerder aan verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 week en heeft deze straf omgezet in een taakstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis.

Tegen voornoemd vonnis heeft verdachte bij akte van 7 november 2024 rechtsgeldig hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft kennisgenomen van een e-mailbericht van 15 mei 2025 te 23:21 uur, waarin de afzender zich voorstelt als verdachte en vervolgens te kennen geeft af te zien van het hoger beroep. Voorafgaand aan de behandeling van de zaak in hoger beroep is een door de griffier van de rechtbank Noord-Nederland op 16 mei 2025 opgemaakte akte van intrekking ingekomen bij het hof. Aan deze akte is een kopie van voormeld e-mailbericht gehecht.

Het hof heeft geconstateerd dat het e-mailbericht niet is vergezeld van een kopie van een geldig legitimatiebewijs en dat het door de afzender gebruikte e-mailadres ook niet zonder meer kan worden gekoppeld aan de persoon van verdachte. Naar het oordeel van het hof kan daarom op grond van vorenbedoeld e-mailbericht niet zonder meer worden aangenomen dat verdachte daadwerkelijk de afzender is geweest en – in het verlengde daarvan - dat verdachte het door hem ingestelde hoger beroep heeft willen intrekken.

Het hof heeft bij de rechtbank Noord-Nederland navraag laten doen om te onderzoeken of voorafgaand aan het opmaken van de akte van intrekking verificatie van de persoonsgegevens van verdachte heeft plaatsgevonden, maar daarop had het hof bij aanvang van de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep nog geen respons ontvangen.

Bij deze stand van zaken heeft het hof het ervoor gehouden dat het hoger beroep niet rechtsgeldig is ingetrokken, waarop de zaak ter terechtzitting van 16 mei 2025 is behandeld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hof ziet in deze zaak aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte geen bezwaren heeft opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Aldus gewezen door

mr. L. Pieters, voorzitter,

mr. M.C. van Linde en mr. P.S. Bakker, raadsheren,

in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier,

en op 16 mei 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.