Strafrecht overig
Veroordeling voor online handelsfraude en witwassen van € 108.295,-. Overwegingen m.b.t. kennelijke…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 30 oktober 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:7006 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-7006
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 30 oktober 2026
- Zaaknummer
- 21-002243-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:7006
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor online handelsfraude en witwassen van € 108.295,-.
Overwegingen m.b.t. kennelijke leugenachtigheid verklaring verdachte.
Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest.
Gedeeltelijke toewijzing vorderingen benadeelde partijen.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-002243-25
Uitspraakdatum: 30 oktober 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen , van 8 mei 2025 met parketnummer 18-003129-25 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1965 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 16 oktober 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, die inhoudt dat verdachte wordt veroordeeld voor het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen kunnen worden toegewezen overeenkomstig de beslissing van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Bakker, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De politierechter heeft verdachte voor het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar met aftrek van voorarrest.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van
€ 13.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 34.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] is hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 34.887,60, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde 4] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.
Het hof vernietigt het vonnis, omdat het tot op andere gronden tot een bewezenverklaring komt.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. primair
hij in de periode tussen 18 augustus 2023 en 6 september 2023 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] , [plaats 7] , [plaats 8] en/of [plaats 9] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling, met het oogmerk om zonder volledige levering zich en/of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), meermalen via een geautomatiseerd werk, te weten (de server en/of computersysteem bevattende de website) [website 1] en/of [website 2] , goederen (te weten: tractors) aangeboden,
- op 24 augustus 2023 heeft [benadeelde 4] en/of [bedrijf 1] een bedrag van 10.890 euro, althans enig geldbedrag, betaald voor de koop van een tractor en/of
- tussen 26-28 augustus 2023 heeft [benadeelde 2] en/of [benadeelde 5] en/of [bedrijf 2] een bedrag van 41.140 euro, althans enig geldbedrag, betaald voor de koop van een tractor en/of
- op 31 augustus 2023 heeft [benadeelde 3] en/of [bedrijf 3] een bedrag van 39.930 euro, althans enig geldbedrag, betaald voor de koop van een tractor en/of
- op 5 september 2023 heeft [benadeelde 1] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] een bedrag van 16.335 euro, althans enig geldbedrag, heeft betaald voor de koop van een tractor,
terwijl de tractors niet zijn geleverd en/of het overgemaakte bedrag niet is terugbetaald;
1. subsidiair
(een) onbekend gebleven perso(o)n(en) in de periode tussen 18 augustus 2023 en 6 september 2023 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] , [plaats 7] , [plaats 8] en/of [plaats 9] , althans in Nederland, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling, met het oogmerk om zonder volledige levering zich en/of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), meermalen via een geautomatiseerd werk, te weten (de server en/of computersysteem bevattende de website) [website 1] en/of [website 2] , goederen (te weten: tractors) aangeboden,
- op 24 augustus 2023 heeft [benadeelde 4] en/of [bedrijf 1] een bedrag van 10.890 euro, althans enig geldbedrag, betaald voor de koop van een tractor en/of
- tussen 26-28 augustus 2023 heeft [benadeelde 2] en/of [benadeelde 5] en/of [bedrijf 2] een bedrag van 41.140 euro, althans enig geldbedrag, betaald voor de koop van een tractor en/of
- op 31 augustus 2023 heeft [benadeelde 3] en/of [bedrijf 3] een bedrag van 39.930 euro, althans enig geldbedrag, betaald voor de koop van een tractor en/of
- op 5 september 2023 heeft [benadeelde 1] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] een bedrag van 16.335 euro, althans enig geldbedrag, heeft betaald voor de koop van een tractor,
terwijl de tractors niet zijn geleverd en/of het overgemaakte bedrag niet is terugbetaald,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode tussen 18 augustus 2023 en 6 september 2023 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] , [plaats 7] , [plaats 8] en/of [plaats 9] , althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn bedrijf(snaam) (te weten: [bedrijf 6] ) en/of (zakelijke) rekening en/of bankpas en pincode ter beschikking te stellen;
2. primair
hij in de periode tussen 18 augustus 2023 en 6 september 2023 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] , [plaats 7] , [plaats 8] en/of [plaats 9] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, geldbedragen van in totaal 108.295 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf;
2. subsidiair
(een) onbekend gebleven perso(o)n(en) in de periode tussen 18 augustus 2023 en 6 september 2023 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] , [plaats 7] , [plaats 8] en/of [plaats 9] , althans in Nederland, geldbedragen van in totaal 108.295 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig (eigen) misdrijf, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode tussen 18 augustus 2023 en 6 september 2023 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] , [plaats 7] , [plaats 8] en/of [plaats 9] , althans in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door zijn bedrijf(snaam) (te weten: [bedrijf 6] ) en/of (zakelijke) rekening en/of bankpas en pincode ter beschikking te stellen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan online handelsfraude door tractoren te verkopen met het oogmerk om die vervolgens, na betaling, niet te leveren, dan wel dat hij zich hieraan medeplichtig heeft gemaakt.
Het dossier bevat de aangiften van vier afzonderlijke aangevers, die ieder een tractor hebben gekocht bij [bedrijf 6] , en daarvoor bedragen tussen de € 10.890,- en
€ 41.140,- hebben betaald. Volgens gegevens van de Kamer van Koophandel was verdachte eigenaar en enig aandeelhouder van [bedrijf 6] ten tijde van de overboekingen van deze geldbedragen van in totaal € 108.295 euro. De overeengekomen koopsommen zijn telkens overgeboekt op een rekening van dit bedrijf, maar aan geen van de aangevers is een tractor geleverd. De geldbedragen zijn telkens betrekkelijk kort nadat zij op rekening van [bedrijf 6] waren geboekt, weer van deze rekening afgehaald. Een deel van € 85.900,- is contant opgenomen en een deel van € 18.900,- is naar een privérekening van verdachte geboekt en vervolgens contant opgenomen van die rekening.
Verdachte heeft hierover bij de politie en ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij zijn bedrijf voor een bedrag van € 18.000,- had overgedragen aan twee personen en daartoe ook de bankgegevens van het bedrijf aan deze personen had verstrekt. Verdachte wist naar eigen zeggen niets van de verkoop van de tractoren.
Het hof acht deze verklaring om meerdere redenen volstrekt ongeloofwaardig. Zo is uit het politieonderzoek gebleken dat een bedrag van € 18.900,- op de privérekening van verdachte is gestort. Dit bedrag wijkt af van de door verdachte genoemde verkoopprijs van zijn bedrijf voor € 18.000,-. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte daarvoor geen concrete verklaring kunnen geven. Bovendien is het bedrag van € 18.900,- aan verdachte betaald vanaf de rekening van zijn eigen bedrijf, [bedrijf 6] , hetgeen onlogisch is bij de verkoop van het bedrijf. Ook over deze gang van zaken heeft verdachte niet meer kunnen verklaren dan dat de verkoper haast had en het later bij de notaris zou regelen. Dit doet er naar het oordeel van het hof niets aan af dat deze wijze van het betalen van de koopsom uitermate ongebruikelijk is.
Daar komt bij dat verdachte bij de politie, behoudens de voornaam [naam] , geen enkele gegevens heeft kunnen presenteren van de beide kopers. Ter zitting in hoger beroep heeft hij dit aangevuld met een achternaam, die dan echter al bekend is uit het dossier, en een tweede voornaam. Aan adres- of contactgegevens van deze personen ontbreekt het volledig. Ook heeft verdachte naar eigen zeggen alle benodigde gegevens voor de bedrijfsvoering, waaronder de toegang tot de bankrekening van [bedrijf 6] , aan de kopers overgedragen, zonder van de overdracht van het bedrijf ook maar een letter op papier te zetten. Dit terwijl verdachte ook heeft verklaard dat hij bij de oprichting van zijn bedrijf al wist dat hij dit via een notaris moest afhandelen.
Ten slotte valt niet goed te begrijpen waarom verdachte zijn bedrijf al volledig zou hebben overgedragen aan deze hem niet of nauwelijks bekende personen, nog vóórdat hij de betaling van de koopprijs heeft ontvangen.
Kennelijke leugenachtigheid
Daar komt nog bij dat verdachte ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat de kopers zijn mobiele telefoon hebben gebruikt in zijn woning om daarmee in twee tranches het bedrag van € 18.900,- van [bedrijf 6] over te boeken naar de privérekening van verdachte.
Het hof acht dit deel van zijn verklaring kennelijk leugenachtig en is van oordeel dat deze is afgelegd om de waarheid te verhullen. Die kennelijke leugenachtigheid blijkt uit het volgende. Het bedrag van € 18.900,- is in twee keer overgeboekt naar de privérekening van verdachte, opgedeeld in een bedrag van € 10.000,- en een bedrag van € 8.900,-. In een proces-verbaal van bevindingen van 15 augustus 2024 is beschreven dat de overboeking van een bedrag van € 8.900,- van [bedrijf 6] naar de privérekening van verdachte is verlopen via een IP-adres dat kan worden gekoppeld aan het adres van de ex-vrouw van verdachte. Ter zitting in hoger beroep is verdachte voorgehouden dat raadpleging van openbare bronnen leert dat dit een vast IP-adres betreft, en dat voor de overschrijving dus niet de mobiele telefoon van verdachte gebruikt kan zijn in zijn eigen woning. Desondanks heeft verdachte volhard in zijn verklaring dat de kopers deze overboeking via zijn telefoon in zijn eigen woning hebben gedaan. Deze verklaring berust derhalve niet op een vergissing. Het hof leidt daaruit af dat verdachte zelf degene is geweest die de overboekingen van zijn bedrijf naar zijn privérekening heeft gedaan, en dat zijn verklaring is bedoeld om te verhullen dat hij daarvoor zelf verantwoordelijk is geweest.
Het hof stelt dan ook vast dat verdachte ten tijde van voornoemde overboeking nog het beheer had over zijn bedrijfsrekening en dat hij zelf direct betrokken is geweest bij de ontvangst van de koopsommen die de verschillende aangevers hebben overgeboekt naar [bedrijf 6] , alsook bij de verdere verwerking van deze gelden.
Medeplegen
Uit het dossier blijkt ook dat verdachte met betrekking tot de verkoop van tractoren en het omzetten van de koopsommen in contant geld niet alleen heeft gehandeld, maar in bewuste en nauwe samenwerking met anderen. Zo kregen de aangevers, wanneer zij telefonisch in contact traden met [bedrijf 6] , niet te maken met verdachte, maar met iemand die – anders dan verdachte – met een duidelijke Nederlandse tongval sprak. Verder bevat het dossier stills van camerabeelden van pintransacties, waarop een andere persoon dan verdachte zichtbaar is.
Het oogmerk om niet te leveren
Dat verdachte en zijn mededaders het oogmerk hadden om de tractoren niet te leveren, volgt in de eerste plaats uit de omstandigheid dat niet is gebleken dat zij op enig moment daadwerkelijk over tractoren beschikten, laat staan dat zij deze konden leveren. Voorts blijkt uit de aangiftes dat de kopers, telkens wanneer zij een tractor wilden bezichtigen voorafgaand aan de koop, met een smoes werden afgewimpeld en dat op de kopers tegelijkertijd tijdsdruk werd gelegd om snel tot betaling over te gaan. Ook het gegeven dat de betaalde koopsommen korte tijd na overboeking van de rekening van [bedrijf 6] verdwenen en ontraceerbaar werden gemaakt, draagt bij aan dat oordeel.
Het maken van een beroep of gewoonte
Voor een bewezenverklaring wegens online handelsfraude als bedoeld in artikel 326e van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat verdachten een beroep of gewoonte hebben gemaakt van frauduleus handelen. In de onderhavige zaak gaat het om een relatief beperkt aantal van vier aangevers. Gelet op de korte periode waarin de oplichting heeft plaatsgevonden en de modus operandi die naar voren komt in de aangiftes is sprake van het meermalen verrichten van gelijksoortige feiten, die in onderling verband staan en gericht zijn op het ontvangen van gelden van derden die vervolgens de betaalde goederen niet geleverd krijgen. Dit betroffen bovendien tractoren, goederen die bij uitstek worden verkocht aan en door (boeren)bedrijven en die een hoge handelswaarde vertegenwoordigen. Het hof is daarom van oordeel dat verdachte en zijn mededaders van het plegen van deze vorm van fraude een beroep of gewoonte heeft gemaakt.
Gelet op het voorgaande acht het hof het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
Verdachte wordt onder 2 verweten dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, dan wel dat hij zich hieraan medeplichtig heeft gemaakt.
Het hof stelt vast dat verdachte samen met zijn mededaders een totaalbedrag van
€ 108.295,- op de bankrekening van [bedrijf 6] heeft ontvangen, welk bedrag rechtstreeks afkomstig was uit door henzelf gepleegde online handelsfraude, zoals onder feit 1 primair bewezen wordt verklaard. Verdachte en zijn mededaders hebben handelingen verricht om de herkomst van dit geldbedrag te verhullen, door dit verdeeld in kleinere bedragen en door meerdere personen om te zetten in contant geld. Daardoor is de herkomst van dit geld ontraceerbaar geworden. Het hof acht het onder 2 primair tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1. primair
hij in de periode tussen 18 augustus 2023 en 6 september 2023 te [plaats 1] , [plaats 2] , [plaats 3] , [plaats 4] , [plaats 5] , [plaats 6] , [plaats 7] , [plaats 8] en/of [plaats 9] , tezamen en in vereniging met anderen, een beroep of gewoonte heeft gemaakt van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen tegen betaling, met het oogmerk om zonder volledige levering zich en/of een ander van de betaling van die goederen te verzekeren, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), meermalen via een geautomatiseerd werk, te weten (de server en/of het computersysteem bevattende de website) [website 1] en/of [website 2] , goederen, te weten: tractors, aangeboden,
- op 24 augustus 2023 heeft [benadeelde 4] en/of [bedrijf 1] een bedrag van 10.890 euro, betaald voor de koop van een tractor en
- tussen 26-28 augustus 2023 heeft [benadeelde 2] en/of [benadeelde 5] en/of [bedrijf 2] een bedrag van 41.140 euro, betaald voor de koop van een tractor en
- op 31 augustus 2023 heeft [benadeelde 3] en/of [bedrijf 3] een bedrag van 39.930 euro betaald voor de koop van een tractor en
- op 5 september 2023 heeft [benadeelde 1] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] een bedrag van 16.335 euro, betaald voor de koop van een tractor,
terwijl de tractors niet zijn geleverd en het overgemaakte bedrag niet is terugbetaald;
2. primair
hij in de periode tussen 18 augustus 2023 en 6 september 2023 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, geldbedragen van in totaal 108.295 euro, heeft omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), dat die geldbedrag(en) - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van een beroep of een gewoonte maken van het door middel van een geautomatiseerd werk verkopen van goederen of verlenen van diensten tegen betaling met het oogmerk om zonder volledige levering zich of een ander van de betaling van die goederen of diensten te verzekeren.
Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van online handelsfraude en witwassen. Via [website 1] werden tractoren aangeboden, die na ontvangst van de betaling van forse geldbedragen door de slachtoffers, niet werden geleverd. De giraal overgeboekte geldbedragen werden kort na de betalingen telkens omgezet in contanten en op die manier ontraceerbaar gemaakt. Daaruit blijkt dat verdachte en zijn mededaders met het oog op persoonlijk gewin hebben gehandeld. Meerdere slachtoffers zijn op deze wijze ernstig financieel beschadigd, bij elkaar opgeteld gaat het om een benadelingsbedrag van meer dan een ton. Daarnaast wordt door dit soort feiten ook het algemene vertrouwen dat de maatschappij in online handel en het nakomen van afspraken heeft, aangetast.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij geruime tijd geleden onherroepelijk is veroordeeld, maar dat er in de jaren voorafgaand aan de onderhavige feiten geen justitiecontacten meer zijn geweest. In een advies van de reclassering van 8 oktober 2026 ziet de reclassering op dit moment geen risicofactoren op basis van de bij hen bekende informatie. Verdachte heeft een woonruimte en kan rondkomen van de financiële middelen die hij tot zijn beschikking heeft. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij van plan is weer in de horeca te gaan werken, waarin hij jarenlange ervaring heeft. Het hof ziet in de persoonlijke omstandigheden geen bijzonderheden die nopen tot strafverzwaring dan wel strafmatiging.
Bij het bepalen van de straf heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg voor Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Bij een benadelingsbedrag van € 70.000,- tot € 125.000 wegens fraude, wordt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 tot 9 maanden in beginsel passend geacht. Het benadelingsbedrag in de onderhavige zaak zit met een bedrag van € 108.295,- aan de bovenkant van dit spectrum. Daar komt het witwassen van voornoemd geldbedrag bovendien nog bij. Alles afwegend, acht het hof daarom oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 41.817,60 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 34.887,60. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De verdediging heeft aangevoerd dat onduidelijk is waarom [benadeelde 3] een verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, aangezien [bedrijf 3] tot betaling van het gevorderde bedrag is overgegaan. Ter zitting van het hof heeft [benadeelde 3] stukken van de Kamer van Koophandel getoond, waaruit blijkt dat hij mede-eigenaar van [bedrijf 3] is. In die hoedanigheid is hij bevoegd een vordering tot schadevergoeding in te dienen.
Op de zitting is verder gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen van verdachte. Het hof zal de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 34.887,60, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit betreft het bedrag dat voor de tractor is betaald, exclusief de btw.
De btw en de kosten voor rechercheonderzoek komen niet voor vergoeding in aanmerking. In zoverre zal het hof de vordering afwijzen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 41.293,03 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 34.000,-. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De gevorderde schade betreft € 34.000,- aan materiële schade, bestaande uit de betaalde koopsom voor een niet geleverde tractor, exclusief de btw.
Daarnaast wordt een bedrag van € 7.293,03 gevorderd aan proceskosten in verband met de beslaglegging in een civiel geding.
De verdediging heeft aangevoerd dat er vanuit moet worden gegaan dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam de vordering kan hebben toegewezen en dat ook executiemaatregelen kunnen zijn genomen.
Het hof constateert dat deze stelling niet nader met stukken is onderbouwd en dat er ook anderszins geen aanwijzingen zijn dat de vordering reeds in een civiele zaak is toegewezen. Het hof verwerpt daarom dit verweer.
Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte. Het hof zal de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 34.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit betreft het bedrag dat voor de tractor is betaald, exclusief de btw. Het hof zal de vordering voor het overige afwijzen.
De gevorderde proceskosten voor beslaglegging in een civiel geding komen niet voor vergoeding in aanmerking in de stafrechtelijke procedure. Het hof zal verdachte daarom niet in de proceskosten veroordelen en bepalen dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 19.292,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 13.500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
De verdediging heeft aangevoerd dat de betaling van het gevorderde bedrag lijkt te zijn uitgevoerd door [bedrijf 5] , zodat ervanuit moet worden gegaan dat [benadeelde 1] zich ten onrechte heeft gesteld als benadeelde partij.
Het hof constateert dat de vordering is onderbouwd met een factuur van 4 september 2023 op naam van [bedrijf 5] / [bedrijf 5] Uit een bijlage bij de aangifte van [benadeelde 1] blijkt dat [bedrijf 5] de aankoop van de tractor heeft gefinancierd.
Uit het dossier blijkt voldoende dat [benadeelde 1] de partij is geweest die contact heeft gehad met een van de verdachten over de aankoop van een tractor. Dat de betaling feitelijk is verricht door een derde, te weten [bedrijf 5] / [bedrijf 5] is niet van belang. [benadeelde 1] is immers los van het voorgaande op grond van een financieringsovereenkomst tussen hem en [bedrijf 5] verplicht de koopprijs vermeerderd met kosten te voldoen. Aldus is [benadeelde 1] de partij die rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten.
Het hof zal de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 13.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit betreft het bedrag dat voor de tractor is betaald, exclusief de btw. Het hof zal de vordering voor het overige afwijzen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 326e en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) jaar.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 34.887,60 (vierendertigduizend achthonderdzevenentachtig euro en zestig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 34.887,60 (vierendertigduizend achthonderdzevenentachtig euro en zestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 172 (honderdtweeënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 augustus 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 34.000,00 (vierendertigduizend euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 34.000,00 (vierendertigduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 97 (zevenennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 28 augustus 2023.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 13.500,00 (dertienduizend vijfhonderd euro) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 13.500,00 (dertienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 91 (eenennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 5 september 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. T.H. Bosma en mr. O. Anjewierden, in aanwezigheid van de griffier, D.D. Drost, en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 30 oktober 2026.