Belastingrecht
Art. 15, lid 1, onderdeel a en slot, Wet OB 1968; recht op aftrek van voorbelasting; geen nieuw feit nodig…
Gerechtshof Den Haag, 19 januari 2023
ECLI:NL:GHDHA:2023:694 · Gerechtshof Den Haag · 19 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2023-694
Zaakgegevens
Op 19 januari 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 19 januari 2023
- Datum publicatie
- 17 april 2023
- Zaaknummer
- BK-22/00005
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2023:694
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 15, lid 1, onderdeel a en slot, Wet OB 1968; recht op aftrek van voorbelasting; geen nieuw feit nodig; naheffingsaanslag terecht opgelegd; FSV en project 1043; geen schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur; verzoek om vergoeding van (im)materiële schade
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 19 januari 2023deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2023:694
Hoge Raad · 17 april 2025
ECLI:NL:HR:2025:596
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-22/00005
Uitspraak van 19 januari 2023
in het geding tussen:
[X] te [Z] ( [buitenland] ), domicilie gekozen hebbend te [Z-1] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 18 november 2021, nummer SGR 20/3711.
Procesverloop
Met dagtekening 28 augustus 2018 is aan belanghebbende over het tijdvak van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting van € 3.769 opgelegd. Daarbij is bij beschikkingen een vergrijpboete opgelegd van € 942 en € 316 aan belastingrente in rekening gebracht.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 17 april 2020 de naheffingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente gehandhaafd en de boete verminderd tot nihil.
Belanghebbende heeft tegen uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank Rotterdam. De Rechtbank Rotterdam heeft de zaak verwezen naar de Rechtbank. Ter zake van het beroep is door de griffier van de Rechtbank een griffierecht van € 178 geheven. De beslissing van de Rechtbank luidt:
”De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 1.000;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178 aan eiseres te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 274. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 december 2022, gehouden te Den Haag. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met nummer BK-22/00007, het hoger beroep van [A] in de zaak met nummer BK-22/00003 en het hoger beroep van [naam praktijk] in de zaak met nummer BK-22/00004. De Inspecteur is wel, doch belanghebbende is niet verschenen. Belanghebbende die door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 27 juli 2022, onder vermelding van plaats, datum en tijdstip is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen, heeft schriftelijk bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn en heeft daarbij niet om uitstel van de zitting verzocht. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op [datum] 2008 de eenmanszaak ” [naam eenmanszaak] ” opgericht. Deze eenmanszaak staat bij de KvK geregistreerd als praktijk van psychotherapeuten, psychologen en pedagogen.
Belanghebbende heeft over onderhavige de tijdvakken aangiften omzetbelasting ingediend. Op de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2015 heeft belanghebbende eenmalig een bedrag (€ 343) aan verschuldigde omzetbelasting aangegeven, dat na aftrek van voorbelasting resulteerde in een terug te betalen bedrag van € 58. Op de overige aangiften omzetbelasting is alleen voorbelasting aangegeven die ook aan belanghebbende is uitbetaald.
Op 18 september 2017 is bij belanghebbende telefonisch een boekenonderzoek aangekondigd. Per brief van 28 september 2017 is de aankondiging van het boekenonderzoek schriftelijk bevestigd. Het doel van het onderzoek is om de aanvaardbaarheid vast te stellen van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2016.
Op 16 oktober 2017 heeft belanghebbende een klacht ingediend tegen de controleambtenaar. Na behandeling van de klacht is de klacht op 29 maart 2018 deels gegrond verklaard. In de brief over de klachtafhandeling spreekt de klachtbehandelaar de verwachting uit dat de controleambtenaar contact op zal nemen met belanghebbende over het vervolg van het boekenonderzoek.
De controleambtenaar heeft geen contact opgenomen met belanghebbende en heeft op grond van de door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV en aangiften OB een controlerapport opgesteld. Het controlerapport is op 25 juli 2018 aan belanghebbende verzonden.
In het controlerapport heeft de Inspecteur geconcludeerd dat geen sprake is van ondernemerschap voor de omzetbelasting, wat aanleiding vormt voor correctie van de in aftrek gebrachte voorbelasting. Naar aanleiding van dit rapport heeft de Inspecteur aan belanghebbende met dagtekening 28 augustus 2018 de volgende naheffingsaanslag opgelegd over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2017:
Enkelvoudige belasting € 3.769
Heffingsrente € 316
Vergrijpboete € 942
Totale naheffing € 5.027
Op 10 september 2018 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. Bij brief van 15 januari 2020 heeft de Inspecteur belanghebbende verzocht een nadere motivering van het bezwaarschrift te geven. Een reactie van belanghebbende is uitgebleven. Op 10 maart 2020 heeft de Inspecteur een voornemen tot uitspraak op bezwaar aan belanghebbende gezonden. Naar aanleiding daarvan hebben partijen gecorrespondeerd. Met dagtekening 17 april 2020 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. De naheffingsaanslag is daarbij gehandhaafd en de vergrijpboete is door de Inspecteur verminderd tot nihil.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
”Beoordeling van het geschil
Aftrek van voorbelasting
11. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet meer in geschil is dat eiseres in het onderhavige tijdvak met betrekking tot haar activiteiten onder de naam “ [naam eenmanszaak] ” ondernemer is voor de omzetbelasting. Eiseres heeft derhalve voor deze activiteiten in beginsel recht op aftrek van voorbelasting.
12. Ingevolge artikel 2 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) wordt op de belasting, verschuldigd ter zake van leveringen van goederen en diensten, in aftrek gebracht de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten, ter zake van de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen en ter zake van invoer van voor hem bestemde goederen.
13. Op grond van artikel 15, eerste lid, onderdeel a en slot, van de Wet OB is de in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur, een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.
14. Uit vaste jurisprudentie volgt dat op degene die voorbelasting wenst af te trekken, de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor aftrek is voldaan 1.
15. Vaststaat dat eiseres gedurende het boekenonderzoek geen stukken heeft overlegd aan verweerder, nu zij daar door verweerder niet de gelegenheid heeft gekregen. Eiseres heeft echter, ook nadat zij daartoe door verweerder in de bezwaarfase in de gelegenheid is gesteld, geen gegevens verstrekt waaruit kan worden afgeleid dat zij in het tijdvak
1 januari 2013 tot en met 31 december 2016 terecht voorbelasting in aftrek heeft gebracht. Voorts heeft eiseres ook in beroep geen stukken overlegd. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja op welke datum en door wie, aan eiseres facturen zijn uitgereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres derhalve geen recht op aftrek van voorbelasting. Verweerder heeft de naheffingsaanslag terecht en overigens naar het juiste bedrag vastgesteld.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
16. Naar het oordeel van de rechtbank is van schending van enig door eiseres genoemd beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake. Dat verweerder de controle heeft afgerond zonder medewerking van eiseres leidt niet tot schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarbij merkt de rechtbank op dat zo al sprake zou zijn van schending van een beginsel van behoorlijk bestuur bij het opleggen van de naheffingsaanslag, dat niet tot gevolg heeft dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Belastingheffing vloeit immers voort uit de wet. De naheffingsaanslag is daarom een zogenoemde gebonden beschikking, waarbij verweerder geen discretionaire bevoegdheid heeft. Dat in de bezwaarfase enig beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden is niet gesteld of gebleken.
Heffingsrente
17. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte heffingsrente. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekening van de heffingsrente en ook overigens is niet gebleken dat deze is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen.
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Immateriële schadevergoeding
19. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de duur van de behandeling van het geschil. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005 2. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase.
20. De vraag is of voor de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn sprake is van samenhang met de zaken van eiseres die gaan over de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en de aanslagen IB/PVV 2014 tot en met 2017. De Hoge Raad heeft bepaald dat indien meerdere zaken van één belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, in dit verband dient te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per half jaar gehanteerd 3. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van samenhangende zaken voor de overschrijding van de redelijke termijn. Voor samenhang is vereist dat de zaken betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, nu sprake is van verschillende belastingmiddelen is daar naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van.
21. Het bezwaarschrift is ingediend op 10 september 2018, uitspraak op bezwaar is gedaan op 17 april 2020, en de rechtbank doet uitspraak op 18 november 2021, zodat in deze zaak de redelijke termijn is overschreden met ongeveer één jaar en twee maanden. De rechtbank overweegt hierbij dat door de corona-pandemie sprake is van factoren die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de behandelingsduur van de bezwaar- en beroepsfase te verlengen. Daarbij wijst de rechtbank op de naar aanleiding van de uitbraak van het coronavirus met ingang van 16 maart 2020 getroffen ingrijpende maatregelen. Daardoor hebben geen belastingzittingen plaatsvonden van circa half maart tot half juni 2020. Daarna zijn de zittingen via Skype weer geleidelijk opgestart. Hierdoor heeft het langer geduurd om onderhavige zaken op zitting te krijgen. Dit is voor de rechtbank aanleiding om de redelijke termijn met twee maanden te verlengen. Daardoor komt de overschrijding van de redelijke termijn uit op één jaar. Derhalve heeft eiseres recht op een immateriële schadevergoeding van € 1.000. De overschrijding van de redelijke termijn is geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase.
Proceskosten
22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
(…)
1. zie onder meer HvJ EG 14 februari 1985, BNB 1985/315 (Rompelman) en HvJ EG 26 september 1996, VN 1997/653 (Renate Enkler)
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en zo ja, of de Inspecteur onrechtmatig heeft gehandeld door de aangiften van belanghebbende te onderzoeken. Belanghebbende beantwoordt de eerste vraag ontkennend en de tweede bevestigend. De Inspecteur beantwoordt de eerste vraag bevestigend en de tweede vraag ontkennend.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank (behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade), de uitspraak op bezwaar, de naheffingsaanslag en de beschikking inzake belastingrente en tot vergoeding van proceskosten en schade.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek van voorbelasting. De Rechtbank heeft daarover de juiste beslissing genomen. Het Hof benadrukt dat belanghebbende de bewijslast heeft en aannemelijk moet maken dat zij recht heeft op aftrek van de in haar aangiften als voorbelasting afgetrokken bedragen. Belanghebbende heeft geen facturen, bonnen of betaalbewijzen overgelegd of andere nuttige en objectieve gegevens uit haar administratie. Het enkel overleggen van specificaties en V&W-rekeningen is niet voldoende. De Inspecteur hoeft, anders dan belanghebbende meent, niet te beschikken over een nieuw feit.
Belanghebbende heeft ook in hoger beroep niets aangevoerd of met stukken gestaafd op grond waarvan anders moet worden geoordeeld. De Inspecteur heeft dan ook terecht de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd. Dat de Inspecteur aanvankelijk van oordeel was dat geen sprake was van ondernemerschap aan de kant van belanghebbende doet aan de rechtmatigheid van het opleggen van de naheffingsaanslag niet af. De Inspecteur heeft de bevoegdheid om periodiek een boekenonderzoek in te stellen bij een belastingplichtige en kan tijdens het verloop van de procedure zijn mening herzien en nieuwe standpunten innemen. Daarvoor is het onderzoek mede bedoeld. Niet is gesteld of gebleken dat het nageheven bedrag niet juist is.
FSV en project 1043
Het verweerschrift in hoger beroep vermeldt dat belanghebbende op 3 maart 2021 een brief heeft ontvangen van de behandelaar van haar inzageverzoek in de databank FSV die inhoudt dat zij niet is opgenomen in die databank en ook dat haar persoonsgegevens niet zijn verwerkt in hert kader van het project 1043. Belanghebbende heeft daarentegen haar stelling in het hogerberoepschrift dat zij wel in de databank FSV zal staan en haar persoonsgegevens wel zullen zijn verwerkt in het kader van het project 1043, omdat haar zus in die databank staat en de persoonsgegevens van haar zus zijn verwerkt in het kader van dat project, verder niet onderbouwd, zodat het Hof hieraan voorbijgaat. Het Hof hecht geloof aan de verklaring van de kant van de Inspecteur dat geen sprake is geweest van enig signaal uit de databank FSV of het project 1043 dat de reden zou zijn voor het aankondigen van een boekenonderzoek bij belanghebbende. Dat belanghebbende vanwege haar tweede nationaliteit zou zijn gediscrimineerd, is niet gebleken.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat van schending van enig door belanghebbende genoemd beginsel van behoorlijk bestuur geen sprake is. Belanghebbende heeft deze klacht niet onderbouwd.
Belastingrente
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
Vergoeding van (im)materiële schade
Voor zover belanghebbende verzoekt om vergoeding van (im)materiële schade, ontstaan door handelen van de Inspecteur, geldt het volgende.
Voor zover het verzoek betrekking heeft op een ander tijdvak dan het onderhavige kan het Hof daarover geen oordeel over geven, nu het geschil alleen betrekking heeft op het onderhavige tijdvak.
Voor zover het verzoek betrekking heeft op het onderhavige tijdvak is het Hof van oordeel dat belanghebbende haar verzoek heeft onderbouwd noch gekwantificeerd. Het enkel stellen dat belanghebbende haar werkzaamheden niet kan uitvoeren als gevolg van de procedure met de Belastingdienst en inkomsten misloopt, is niet voldoende. Indien belanghebbende hiermee bedoelt dat zij recht heeft op een extra vergoeding van immateriële schade leidt dit ook niet tot een extra vergoeding. De Rechtbank heeft belanghebbende een passende vergoeding toegekend. Het Hof doet binnen de redelijke termijn van twee jaar uitspraak, zodat de lengte van de procedure geen reden is een extra schadevergoeding toe te kennen.
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof:
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank; en
- wijst de verzoeken om vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, W.M.G. Visser en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd. De beslissing is op 19 januari 2023 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.