Gerechtshof Den Haag, hoger beroep belastingrecht

ECLI:NL:GHDHA:2024:2944

Op 18 June 2024 heeft de Gerechtshof Den Haag een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is BK-23/843, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:GHDHA:2024:2944. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
BK-23/843
Datum uitspraak:
18 June 2024
Datum publicatie:
9 June 2026

Indicatie

IB/PVV. Het verzoek om ambtshalve herziening van de aanslag kon belanghebbende niet in een betere positie brengen met betrekking tot de aanslag. Belanghebbende had dan ook geen procesbelang bij het indienen van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve herziening. De Inspecteur had het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Rechtbank heeft het beroep, zij het op andere gronden, terecht ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-23/843

Uitspraak van 18 juni 2024

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N. Kose-Albayrak)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 7 juli 2023, nummer SGR 22/4103.

Procesverloop

Procesverloop
1.1.

De Inspecteur heeft bij beschikking van 19 januari 2022 een herziene aangifte in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) van 21 juni 2021 aangemerkt als een verzoek om ambtshalve herziening van de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag IB/PVV (de aanslag).

1.2.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is € 50 aan griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 136 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 26 april 2024 een nader stuk ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 mei 2024. Partijen zijn verschenen. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten
2.1.

Belanghebbende heeft op 26 april 2018, naar aanleiding van een gegronde uitspraak op zijn bezwaar met betrekking tot het percentage arbeidsongeschiktheid, een nabetaling van € 10.815 bruto van het UWV ontvangen inzake zijn WGA-uitkering. Daarop is in 2018 € 4.631 loonheffing ingehouden. De nabetaling heeft gedeeltelijk, namelijk voor een bruto bedrag van € 3.446, betrekking op het jaar 2017. Het deel van de loonheffing dat daarop ziet en in 2018 is ingehouden bedraagt € 1.574. Het totale bedrag van de nabetaling van € 10.815 is in 2018 belast als inkomen uit werk en woning.

2.2.

De Inspecteur heeft op 9 oktober 2018 aan belanghebbende de in 1.1 vermelde aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.788. Belanghebbende heeft op 21 juni 2021 een herziene aangifte IB/PVV 2017 ingediend met het verzoek om het bedrag van € 3.446 te belasten in het jaar 2017. De Inspecteur heeft dit verzoek afgewezen. Bij uitspraak op bezwaar is de afwijzing gehandhaafd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

Nabetaling terecht niet in 2017 belast?

6. De rechtbank beoordeelt eerst of de aanslag IB/PVV 2017 tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek gaat de rechtbank in op de vraag of de nabetaling van de uitkering die betrekking heeft op het jaar 2017 maar is uitbetaald in 2018, in 2017 tot het belastbare inkomen uit werk en woning moet worden gerekend. Het gaat dan om het (bruto) bedrag van € 3.446.

7. Verweerder stelt dat op grond van artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) moet worden uitgegaan van het jaar waarin de nabetaling daadwerkelijk is ontvangen, dus 2018. In dit artikel staat op welk tijdstip bepaalde bestanddelen van het inkomen uit werk en woning worden genoten. Als algemene genietingsmomenten noemt artikel 3.146 van de Wet IB 2001 het moment waarop de desbetreffende inkomensbestanddelen zijn ontvangen, zijn verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden.

8. De rechtbank is van oordeel dat het op grond van artikel 3.146 van de Wet IB niet mogelijk is om een deel van de nabetaling van de WGA-uitkering uit het inkomen van 2018 te halen en alsnog toe te rekenen aan 2017. De nabetaling is namelijk pas voor het eerst inbaar geworden bij de gegronde uitspraak op bezwaar in 2018. Het gelijk is aan verweerder.

Individuele buitensporige last

9. De rechtbank begrijpt de stelling van eiser dat sprake is van een individuele buitensporige last als een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP). Voor de beantwoording van de vraag of het niet heffen van inkomstenbelasting in 2017 over de nabetaling op individueel niveau in strijd is met artikel 1 EP is beslissend of de last zich in eisers geval sterker laat voelen dan in het algemeen en of de last voor hem buitensporig is. Dat kan zich bij eiser alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle met deze heffingswijze geconfronteerde belastingplichtigen geldende, feiten en omstandigheden een buitensporige last voor hem teweegbrengen.[1] Bij de beoordeling van de vraag of een zodanige individuele en buitensporige last zich voordoet, moeten de gevolgen van de aanslag als geheel beschouwd worden bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene.[2]

10. Eiser is er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake is van een individuele buitensporige last. De rechtbank begrijpt goed dat het niet in 2017, maar in 2018 betalen van de inkomstenbelasting over de nabetaling zwaarder op eiser drukt omdat hij daarmee onder meer zijn recht op zorgtoeslag in 2018 verliest en door wijziging van de tarieven in de inkomstenbelasting ongunstiger af is. Dat gegeven maakt echter nog niet dat sprake is van een individuele buitensporige last. Immers, dit geldt ook voor andere belastingplichtigen die te maken krijgen met een nabetaling waardoor inkomensafhankelijke regelingen zoals de zorgtoeslag worden geraakt. Er zijn verder geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden waaruit volgt dat de gevolgen van de belastingheffing voor eiser, in vergelijking met andere belastingplichtigen die ook een nabetaling in een later jaar hebben ontvangen, zich sterker laten voelen. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij als gevolg het toerekenen aan 2017 ook ten aanzien van inkomen dat hij geniet van de SVB, onderscheidenlijk lokale heffingen een nog zwaardere last heeft gevoeld, maar heeft daartoe onvoldoende aangevoerd. De rechtbank herhaalt dat zij niet in twijfel trekt dat eiser in financieel zwaar weer terecht is gekomen, maar komt op grond vna hetgeen eiser heeft aangevoerd niet tot de conclusie dat sprake is van een schending van het eerste protocol. Tot slot biedt ook de hoogte van de aanslag in relatie tot het inkomen in 2017 geen aanknopingspunt voor de veronderstelling dat sprake is van een buitensporige last.

11. Voor zover eiser heeft gesteld dat in zijn geval “netto” minder resteert dan bedoeld is door de wetgever, of dan maatschappelijk wenselijk is, merkt de rechtbank op dat, zelfs indien dit moet worden aangenomen, de rechter niet de innerlijke waarde of billijkheid van een wet beoordeelt.

Tegemoetkomend beleid (“uitsmeerregeling”)

12. Eiser heeft verder gesteld dat er tegemoetkomend beleid zou moeten zijn op grond waarvan het bedrag alsnog in 2017 wordt belast. Verweerder heeft in reactie daarop toegelicht dat dit beleid er was, maar voor het onderhavige jaar niet meer bestaat. In het verleden heeft er namelijk een op de hardheidsclausule gebaseerde zogenoemde “uitsmeerregeling” gegolden. Dat beleid vormde een vangnet voor buiten de schuld van de belastingplichtige sterk vertraagde overheidsbetalingen en hield in dat het progressieve tarief voor dergelijke betalingen gematigd kon worden. Het beleid werd eerst beperkt tot inkomsten die mede zagen op jaren tot 2000 en is in 2016 helemaal ingetrokken.[3] De reden was dat eventuele financiële (belasting)schade die geleden wordt door de te late betaling door de veroorzaker van die schade vergoed zou moeten worden.[4] Het beroep van eiser op de uitsmeerregeling kan daarom niet slagen.

13. Voor zover eiser een beroep op toepassing van de hardheidsclausule in het algemeen wil doen, geeft de rechtbank het volgende in overweging. Hoewel de rechter hierover niet kan oordelen, lijkt er gelet op de reden waarom het beleid is ingetrokken weinig kans te zijn op succes van een dergelijk verzoek. Het zou immers neerkomen op alsnog een beroep doen op uitdrukkelijk en met reden verlaten beleid. De rechtbank hecht eraan eiser dit mee te geven bij zijn afweging om een verzoek om toepassing van de hardheidsclausule toe te zenden aan de Minister van Financiën.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

14. De rechtbank kan de stelling van eiser dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet volgen, omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat en op welke wijze verweerder in strijd met deze algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld. Uit de gedingstukken volgt dat verweerder uitvoerig met eiser gecorrespondeerd heeft en dat hij eiser meermaals in de gelegenheid heeft gesteld toelichting te geven of stukken te overleggen. Verweerder heeft hiermee voldaan aan zijn plicht de benodigde kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Van schending van het motiveringsbeginsel is evenmin sprake. Verweerder is in de uitspraak op bezwaar voldoende ingegaan op wat eiser in zijn bezwaarschrift heeft aangevoerd.

Fraude signaleringsvoorziening

15. Eiser heeft tot slot ter zitting nog gesteld, doch verder niet aannemelijk gemaakt, dat zijn verzoek aan verweerder ten onrechte is afgewezen onderscheidenlijk dat zijn arbeidsongeschiktheidspercentage aanvankelijk onjuist was ingeschat, omdat hij voorkomt op de zogenoemde ‘zwarte lijst’, de Fraude signaleringsvoorziening (FSV). De omstandigheid dat de gegevens van eiser zijn opgenomen in de FSV, wat hier verder ook van zij, betekent evenwel niet dat het verzoek van eiser om ambtshalve verhoging van de aanslag IB/PVV 2017 moet worden toegewezen, te meer nu onderhavige procedure door eiser zelf is gestart en niet het gevolg is van een zgn uitworp door verweerder.

16. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.

17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

(…)

[1] Vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:441 en HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:964.

[2] Vgl. Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, r.o. 2.5.2.

[3] Besluit van 16 december 2016, 2016-221112, Stcrt. 2016, 69133.

[4] Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, blz. 192.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.

In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is opgelegd. Hierbij is in het bijzonder in geschil of de nabetaling van het UWV tot een bedrag van € 3.446 die tot het belastbare inkomen uit werk en woning van het jaar 2018 is gerekend, tot het belastbare inkomen uit werk en woning van het onderhavige jaar had moeten worden gerekend. Voorts is in geschil of dit bij belanghebbende voor het jaar 2018 tot een individuele en buitensporige last heeft geleid, of de Inspecteur het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden en of belanghebbende in aanmerking komt voor de uitsmeerregeling.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot verhoging van het belastbare inkomen uit werk en woning met een bedrag van € 3.446, tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van de betaalde griffierechten voor het beroep en het hoger beroep.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Overwegingen

Beoordeling van het hoger beroep
5.1.

Belanghebbende heeft in 2018, naar aanleiding van een gegronde uitspraak op zijn bezwaar met betrekking tot het percentage arbeidsongeschiktheid, een nabetaling van het UWV ontvangen inzake zijn WGA-uitkering die betrekking heeft op het jaar 2017 (zie 2.1). De Inspecteur heeft deze nabetaling volledig tot het belastbare inkomen uit werk en woning van 2018 gerekend (zie 2.2). Als gevolg hiervan moet belanghebbende onder meer de toeslagen die hij in 2018 heeft ontvangen terugbetalen. Gelet op de nadelige gevolgen van de toerekening van de nabetaling aan het jaar 2018 wil belanghebbende dat de nabetaling deels wordt toegerekend aan het jaar 2017.

5.2.

De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift opgemerkt dat door het toerekenen van voormelde nabetaling van € 3.446 aan het onderhavige jaar, weliswaar meer IB/PVV verschuldigd is, maar dat als gevolg van de daarover in 2018 ingehouden loonheffing van € 1.574, de dan op te leggen navorderingsaanslag uiteindelijk zal leiden tot een teruggaaf van € 3. Volgens de Inspecteur beschikt belanghebbende daarom over een procesbelang voor de onderhavige procedure.

5.3.

Volgens vaste jurisprudentie moet een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit. Indien het aangewende rechtsmiddel de indiener ervan wel in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en voldaan is aan de overige ontvankelijkheidsvereisten, moet het rechtsmiddel ontvankelijk worden geacht, moeten de door de indiener aangevoerde gronden worden onderzocht en moet worden beoordeeld of het rechtsmiddel wel of niet gegrond is (vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878, BNB 2014/122).

5.4.

Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is verklaard, volgt dat belanghebbendes verzoek om ambtshalve herziening van de aanslag in feite een verzoek is tot het opleggen van een navorderingsaanslag IB/PVV 2017. Immers belanghebbende verzoekt het belastbare inkomen uit werk en woning te verhogen met een bedrag van € 3.446. Dat verzoek leidt er echter – anders dan belanghebbende en de Inspecteur veronderstellen – niet toe dat de loonheffing die op deze nabetaling van de uitkering van het UWV in 2018 is ingehouden, moet worden verrekend in het jaar 2017.

De Inspecteur heeft geen aanleiding gezien voor het opleggen van een navorderingsaanslag (zie 5.2). Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, en wat er verder zij van het standpunt van belanghebbende over het genietingstijdstip van de nabetaling, kan het verzoek om ambtshalve herziening van de aanslag belanghebbende niet in een betere positie brengen met betrekking tot die aanslag. Immers, tot een teruggaaf van IB/PVV 2017 kan dat nooit leiden. Belanghebbende had dan ook geen procesbelang bij het indienen van het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve herziening. De Inspecteur had het bezwaar daartegen daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. De Rechtbank heeft het beroep aldus, zij het op andere gronden, terecht ongegrond verklaard.

Slotsom

5.5.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, H.A.J. Kroon en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier J. Azmi Shenouda. De beslissing is op 18 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.

Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd; 2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn; 3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.