Belastingrecht

Naheffing bpm. Belastingplichtige. Ombouw bedrijfsauto. Beroep op beleid afgewezen.

Gerechtshof Den Haag, 17 februari 2026

Zaakgegevens

Op 17 februari 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
17 februari 2026
Datum publicatie
12 juni 2026
Zaaknummer
BK-25/426
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:1935
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Naheffing bpm. Belastingplichtige. Ombouw bedrijfsauto. Beroep op beleid afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/426

Uitspraak van 17 februari 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: H.A. Elbert)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 april 2025, nummer SGR 23/6583.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 34.189 (de naheffingsaanslag). Bij separate beschikkingen is belastingrente in rekening gebracht en is een verzuimboete opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de beschikkingen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag, de belastingrente en de verzuimboete bij uitspraak op bezwaar verminderd en een proceskostenvergoeding toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de boetebeschikking gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de boetebeschikking;

- vernietigt de boetebeschikking;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.825,52;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiser te vergoeden.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd bij nader stuk van 23 december 2025. Belanghebbende heeft op 9 en 11 januari 2026 nadere stukken ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 januari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft een Toyota HiLux gekocht (het voertuig). De RDW heeft het voertuig op 17 mei 2017 gekeurd, de (fiscale) categorie bestelauto toegekend en een zogenaamd ‘grijs kenteken’ afgegeven. Voor het voertuig is het Nederlandse kenteken
[kenteken] afgegeven op 30 mei 2017. De datum eerste toelating van het voertuig is 7 juni 2017.

2.2.

Op 25 mei 2018 heeft een controle plaatsgevonden omdat het voertuig op de

openbare weg werd aangetroffen en niet aan de inrichtingseisen voldeed. Naar aanleiding

van de controle heeft op 13 september 2018 een onderzoek plaatsgevonden op basis van de inrichtingseisen voor een gesloten bestelauto met dubbele cabine. Omdat het voertuig niet aan de inrichtingseisen voldeed, is het voertuig afgekeurd. Van het onderzoek is een rapportage gemaakt waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort. Bij deze controle zijn foto's gemaakt waarop is te zien dat op het chassis van de auto een laadbak met bovenbouw zit en dat deze bovenbouw aan de rechterzijde voorzien is van meerdere ramen.

2.3.

Met dagtekening 28 oktober 2019 heeft de Inspecteur aan belanghebbende een ‘Kennisgeving naheffingsaanslag BPM en verzuimboete" toegestuurd waarin - onder meer -aan belanghebbende is meegedeeld:

"Bij een controle op 25 mei 2018 is door de Belastingdienst vastgesteld dat van de openbare weg in Nederland gebruik werd gemaakt met een motorrijtuig van het merk Toyota, type Hilux, met

chassisnummer [xxx] en voorzien van het kenteken [xxx|.

Bovengenoemd motorrijtuig is voorzien van een zgn. grijs kenteken dat alleen kan worden toegekend aan een bestelauto die voldoet aan de daaraan gestelde eisen in de zin van artikel 3, lid 3 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna Wet BPM). Ten tijde van de op 25 mei 2018 ingestelde controle voldeed het motorrijtuig niet aan de in artikel 3, lid 3 van de Wet BPM genoemde inrichtingseisen. De laadruimte voldeed niet aan de afmetingen van ten minste 150 cm lengte, ten minste 20 cm breedte en tenminste 130 cm hoogte. Tevens was het motorrijtuig aan de rechterzijde van de laadruimte voorzien van meerdere ramen.

Het gebruik van het grijze kenteken is daarmee niet juist. Er is tevens geconstateerd, dat met

betrekking tot de Wet BPM de belasting die op aangifte moet worden voldaan niet is betaald.

In artikel 5, lid 1 van de Wet BPM is bepaald dat de belasting met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto geheven wordt van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld. Op grond van de hiervoor genoemde bepalingen bent u de belasting van personenauto’s en motorrijwielen verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik van de openbare weg in Nederland met het bovengenoemde motorrijtuig (artikel 9, lid 7 van de Wet BPM).

Op basis van de hiervoor omschreven omstandigheden wordt op grond van artikel 20 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de belasting door middel van deze naheffingsaanslag bij u nageheven.

Tevens wordt u op grond van artikel 30h van de Algemene wet inzake rijksbelastingen rente in

rekening gebracht.

(...)

Het bruto BPM-bedrag bedraagt € 23.440 plus € 10.749 is € 34.189.

Doordat de personenauto op het moment van tenaamstelling nieuw was, wordt op het bruto BPM-

bedrag geen % in mindering gebracht. Het verschuldigde BPM-bedrag bedraagt, afgerond € 34.189.

(...)

Bestuurlijke boete

Daarnaast ben ik van plan om u een verzuimboete op te leggen van € 3.418.

Ik leg deze boete op omdat verzuimd is aangifte te doen ter zake van de ombouw van de bestelauto tot personenauto. Deze boete is gebaseerd op artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en berekend met inachtneming van paragraaf 24 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.

Deze verzuimboete bedraagt 10% van de na te heffen belasting (met een minimum van € 50 en een

maximum van € 5.278 )."

2.4.

Met dagtekening 24 januari 2020 is de naheffingsaanslag aan belanghebbende opgelegd overeenkomstig de eerdere kennisgeving, dus naar een belastingbedrag van € 34.189. Daarbij is, overeenkomstig wat is aangekondigd, een verzuimboete van € 3.418 (10%) opgelegd en is € 2.738 aan belastingrente in rekening gebracht. De Inspecteur heeft daarbij conform de bevindingen van het onderzoek het voertuig aangemerkt als nieuwe personenauto.

2.5.

Bij uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2023 heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verminderd wegens aansluiting bij het feitelijke vaststellingsmoment voor het bepalen van de verschuldigde bpm, en wel tot een bedrag van € 23.135. De belastingrente is daarbij dienovereenkomstig verminderd en de verzuimboete is daarbij verminderd tot één van 5%, zijnde € 1.156. Daarbij heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor de verleende rechtsbijstand een proceskostenvergoeding van in totaal € 592 toegekend (1 punt à € 296 voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt à € 296 voor het hoorgesprek in de bezwaarfase).

2.6.

In hoger beroep heeft belanghebbende een factuur overgelegd van [A B.V.] van 26 mei 2017 voor de levering van een Toyota HiLux 2.4 I D-4D DC Lounge. Op de factuur worden onder andere een “HARDTOP OP ACHTERBAK” en “OMBOUW OPLEGGER TREKKER” apart vermeld. Voor de hardtop wordt apart een bedrag berekend. Op de factuur staat als kenteken “ […] ” vermeld.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De naheffingsaanslag

7. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, naar volgt uit de (onweersproken)

constateringen tijdens de controle op 25 mei 2018 en het navolgend onderzoek op

13 september 2018, het voertuig tijdens de controle niet voldeed aan de inrichtingseisen

zoals opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Wet BPM en daarmee dus ook niet aan de

voorwaarden voor de fiscale kwalificatie van bestelauto.[1] Derhalve is ten onrechte op

aangifte BPM voldaan alsof daarvan wel sprake was. Verweerder heeft daarom terecht de te

weinig op aangifte voldane BPM nageheven, waarbij het voertuig, nu niet wordt voldaan

aan de eisen voor een bestelauto, terecht is aangemerkt als personenauto. Dat het bedrag van

de nageheven BPM zoals dat is vastgesteld (verminderd) bij de uitspraak op bezwaar onjuist

(te hoog) is, is verder niet gesteld en is de rechtbank ook niet gebleken.

8. Eiser stelt dat het voertuig niet is aangepast en dus (nog steeds) aan de

voorwaarden voor een bestelauto voldoet en dat reeds daarom niet kan worden

nageheven. De rechtbank volgt eiser hierin niet, reeds omdat uit de feitelijke vaststellingen

bij de controle volgt dat niét aan de voorwaarden voor een bestelauto is voldaan. Immers,

naar duidelijk blijkt uit het controlerapport en de bijbehorende foto's, voldeed het voertuig

tijdens de controle niet (meer) aan de voorwaarden voor deze kwalificatie; de afmetingen

voldoen niet (meer) aan de minimale inrichtingseisen, waardoor het zogenaamde ‘fiscale blok’ niet past, terwijl de rechterzijde van de laadruimte beschikt over twee doorzichtige

ramen.

9. Nu vaststaat dat het voertuig met de laadbak en bovenbouw niet voldoet aan de

wettelijke inrichtingseisen van artikel 3, derde lid, Wet BPM, dient het voertuig in beginsel

als personenauto te worden aangemerkt. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat het

voertuig op basis van het Kaderbesluit bpm en mrb kwalificeert als bestelauto.

10. In het Besluit inrichtingseisen bpm en mrb[2], welk besluit in werking is getreden op

1 januari 2022 en het Kaderbesluit mrb[3] heeft vervangen, is voor zover hier van belang het

volgende vermeld:

“2.1.6.2 Bestelauto met vermelding ’opleggertrekker’ of ’afneembare bovenbouw’

De motorrijtuigen die als vermelding ’opleggertrekker’ (voor 1 januari 2013: 'trekker') of

’afneembare bovenbouw’ (voor 1 januari 2013: ‘voor verwisselbare opbouw’, hierna ook

inbegrepen als wordt gesproken over ‘afneembare bovenbouw’) in het kentekenregister krijgen,

wijken af van de bestelauto’s met een bijzondere opbouw. Deze motorrijtuigen kunnen namelijk

ook worden gebruikt zonder dat de oplegger, aanhanger, afneembare opbouw of container aanwezig is. Op dat moment is het personenvervoer niet langer ondergeschikt aan het vervoer van

lading. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een

koppelschotel met een hulpframe dan wel een containerframe is gemonteerd: deze onderscheidt

zich echter qua uiterlijk sterk van andere auto's. Bovendien worden deze zaken enkel aangebracht

met het oog op het vervoeren van een last.

Goedkeuring

Ik keur met toepassing van artikel 63 van de AWR (de hardheidsclausule) goed dat een

motorrijtuig met een (kaal) chassis waarop een koppelschotel met een hulpframe dan wel een

containerframe is gemonteerd wordt aangemerkt als een bestelauto. Dit geldt ook voor een

motorrijtuig dat is gekeurd met een afneembare bovenbouw (en met de bovenbouw voldoet aan

alle fiscale inrichtingseisen voor een bestelauto) op het moment dat de bovenbouw / container

tijdelijk niet aanwezig is.

Wanneer het motorrijtuig met een kaal chassis met koppelschotel wordt aangepast c.q.

omgebouwd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van een laadbak, of wanneer het motorrijtuig met

een kaal chassis met een containerframe wordt voorzien van een container, kan een motorrijtuig

ontstaan dat zich qua uiterlijk maar ook qua vervoer van last/lading niet langer onderscheidt van

‘reguliere’ motorrijtuigen. Om als bestelauto te worden aangemerkt moet het motorrijtuig dan inrichtingseisen voor een bestelauto voldoet, dan is er sprake van een personenauto.”

11. De rechtbank kan eiser niet volgen in zijn stelling dat het voertuig op basis van het

hiervoor aangehaalde besluit - ook niet de voorgaande versie van dat besluit met de

verschillen zoals weergegeven - als bestelauto dient te worden aangemerkt. Uit de tekst

blijkt immers dat de auto met bovenbouw (laadbak en overkapping) dient te voldoen aan

alle inrichtingseisen voor een bestelauto. Dat is, zoals hiervoor is overwogen, hier nu juist

niet het geval.

12. Dat eiser niet eerst een waarschuwing heeft gehad, is niet in strijd met de wet en

ook niet strijdig met het beleid van de belastingdienst. Er is geen beleid om eerst te waarschuwen voordat een naheffingsaanslag BPM wordt opgelegd in gevallen als het

onderhavige. De belastingplichtige is zelf verantwoordelijk voor de juistheid en tijdigheid

van de belastingbetaling. Dat de RDW, in dit geval zelfs tot tweemaal toe de auto heeft

goedgekeurd als 'bestelauto', maakt dit niet anders. Dat doet niet af aan het feit de auto

desondanks in feite kwalificeert als een personenauto en dat daarvoor dus BPM moest

worden voldaan: eiser komt in zoverre geen beroep op het vertrouwensbeginsel toe.

13. Eiser heeft ook een beroep gedaan op het herstelbeleid. In het Besluit

inrichtingseisen bpm en mrb is in onderdeel 3 goedgekeurd dat degene die de aanvraag voor

de inschrijving in het kentekenregister heeft verzocht, dan wel de kentekenhouder, eenmalig

de gelegenheid krijgt de geconstateerde gebreken te herstellen. Deze goedkeuring geldt

uitsluitend als sprake is van een minimaal gebrek waarvan het herstel betrekkelijk

eenvoudig kan worden gerealiseerd en waarbij het karakter van bestelauto slechts in geringe

mate is aangetast. Daarvan is in onderhavig geval geen sprake. Eiser kan daarom geen

beroep doen op deze goedkeuring.

14. Eiser voert ook aan dat het in strijd is met het verbod op willekeur en het rechtszekerheidsbeginsel wanneer de auto de ene dag (zonder opbouw) wel aan de voorwaarden van het Besluit zou voldoen en de andere dag (met opbouw) niet. Tot slot voert eiser aan dat de auto in het kentekenregister de vermelding ‘bestelauto' heeft. Dat is volgens hem voldoende reden om niet te twijfelen aan de kwalificatie van een motorrijtuig.

15. De rechtbank stelt voorop dat het voor de toepassing van de BPM van belang is of een motorrijtuig al dan niet is ingericht voor personenvervoer. De achtergrond van de

goedkeuring in het Besluit is dat bij een opleggertrekker zonder de oplegger, aanhanger,

afneembare opbouw of container het personenvervoer niet ondergeschikt is aan het vervoer

van lading. Op dat moment wordt er immers geen lading vervoerd. Het voertuig

onderscheidt zich dan echter wel nog steeds sterk van andere auto’s. Dat geldt niet als er een

laadbak is bevestigd op het voertuig. Dan kan worden gemeten of de laadbak voldoet aan de

eisen die daaraan worden gesteld. In dit geval beschikt(e) de auto over een laadbak en dat

betekent dat aan alle fiscale inrichtingseisen moet zijn voldaan. Dat geldt voor iedere

'bestelauto' met een daarop gemonteerde laadbak. Bovendien is zowel de Wet BPM als het

Besluit duidelijk geformuleerd. Van een schending van het verbod op willekeur dan wel het

rechtszekerheidsbeginsel is daarom geen sprake.

16. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat de naheffingsaanslag

terecht aan eiser is opgelegd.

De verzuimboete

17. Verweerder heeft op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake

rijsbelastingen en met inachtneming van het toepasselijke beleid (Paragraaf 24 van het

Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB)) een verzuimboete opgelegd van - na

de vermindering in de bezwaarfase - 5% van de nageheven belasting, neerkomend op € 1.156.

18. De boete is in overeenstemming met de wet opgelegd. Het beboetbare feit is begaan. De auto voldeed namelijk niet aan de inrichtingseisen voor een bestelauto, terwijl wel als zodanig is gehandeld voor de BPM. De boete is dus in beginsel terecht aan eiser opgelegd. Opzet of schuld is geen vereiste en daarom niet van belang, evenals de omstandigheid dat eiser te goeder trouw heeft gehandeld. Een boete dient wel achterwege te blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas). In dat geval wordt eiser geacht niet in verzuim te zijn geweest. Van avas is sprake als eiser alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om het juiste bedrag aan BPM te voldoen.[4]

De bewijslast ter zake rust op eiser.

19. Eiser heeft ter zitting uitgebreid en nadrukkelijk toegelicht dat de auto is gekocht van de autodealer en nadien is omgebouwd. De auto is vervolgens in omgebouwde staat, dus

als bestelauto, dat wil zeggen met koppelschotel en zonder opbouw op de laadbak, gekeurd.

Eiser heeft voorts verklaard dat hij naar de keuring is afgereisd met de opbouw en deze ter

plekke heeft verwijderd, waarna de keuring heeft plaatsgevonden. Hij wist niet beter dan dat

de auto was gekeurd als bestelauto en als zodanig kwalificeerde.

20. De rechtbank vindt de verklaring van eiser ter zitting geloofwaardig en vindt geen

reden daaraan te twijfelen. De enkele, niet nader onderbouwde aanname van verweerder dat

de auto pas na de keuring en derhalve met medeweten van eiser zal zijn aangepast, acht de

rechtbank, juist ook gegeven de oprechtheid van eiser bij zijn verklaringen ter zitting, welke

ook in lijn is met alles wat eerder in de procedure is aangevoerd, onvoldoende om toch aan de verklaring van eiser te twijfelen. De rechtbank ziet daarom in dit geval aanleiding om de

verzuimboete te vernietigen. Immers, eiser verkeerde ten tijde van de keuring van de auto in

de veronderstelling dat de auto voldeed aan de vereisten voor een bestelauto. Eiser mocht in

dat kader afgaan op de kennis van de autodealer die de auto met grijs kenteken heeft

verkocht, mede gelet op de keuring door de RDW van de auto als bestelauto. Dat betekent

dat eiser alles heeft gedaan wat in dit verband redelijkerwijs van hem mocht worden

verwacht.

21. Het beroep inzake de boete is dus gegrond. De rechtbank heeft daarom de uitspraak

op bezwaar voor zover die betrekking heeft op de boete vernietigd, evenals de boete. Het

beroep inzake de naheffingsaanslag is ongegrond. Dit betekent dat deze in stand blijft.

Immateriële schade vergoeding

22. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding

van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen

op 11 februari 2020 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 29 augustus

2023. De uitspraak van de rechtbank is op 9 april 2025 gedaan. Dat is dus 62 maanden (5

jaar en bijna 2 maanden) na indiening van het bezwaarschrift. De redelijke termijn bedraagt

normaliter 2 jaar. Echter, in dit geval dient de redelijke termijn naar het oordeel van de rechtbank met 3 jaar en 2 maanden te worden verlengd, namelijk met de termijn die is gemoeid met het op verzoek - dan wel met instemming van eiser aanhouden van het op 11 februari 2020 door verweerder ontvangen bezwaar tegen de naheffingsaanslag en de boete tot de Hoge Raad op 14 april 2023 arrest heeft gewezen in een vergelijkbare zaak. De redelijke termijn bedraagt daarmee in dit geval 62 maanden, zodat deze niet is overschreden. Eiser heeft daarom geen recht op isv.

Proceskosten

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze

kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door

een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen

van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907
en een wegingsfactor 1). Eveneens met toepassing van dat besluit veroordeelt de

rechtbank verweerder de door eiser genoemde reiskosten te vergoeden tot een bedrag van

€ 11,52. Voor de bezwaarfase is bij de uitspraak op bezwaar door verweerder reeds een -in

beroep niet aangevochten- kostenvergoeding toegekend.

[1] Vgl. ECLI:NL:HR:2023:582 en ECLI:NL:GHAMS:2021:1723.

[2] Besluit van 16 december 2021, nr. 202 1 -2 13 898.

[3] BLKB/2015/1381M.

[4] Hoge Raad 15 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7184.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is, net als bij de Rechtbank, in geschil of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Naast de in beroep ingenomen standpunten neemt belanghebbende in hoger beroep ook het standpunt in dat de naheffingsaanslag niet aan hem had moeten worden opgelegd, maar aan de aanvrager van het kenteken.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, gedeeltelijke vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, van de naheffingsaanslag en van de beschikking belastingrente. Tot slot concludeert belanghebbende tot vergoeding van de proceskosten.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het voertuig ten tijde van de registratie in het kentekenregister niet voldeed aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. De bpm dient te worden nageheven van degene die de aanvraag voor de inschrijving heeft gedaan. De Inspecteur betwist dat het voertuig op het moment van registratie niet voldeed aan de inrichtingseisen voor een bestelauto. Belanghebbende heeft zijn standpunt niet onderbouwd, anders dan de belastingplichtige heeft gedaan in de door belanghebbende aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 april 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:1952. De Inspecteur verwijst voorts naar de keuring door de RDW, die het voertuig als een bestelauto heeft aangemerkt.

5.2.

In 2017 luidt artikel 5, lid 1, Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992:

“Met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig wordt dan wel is gesteld in het kentekenregister.”

5.3.

Niet in geschil is dat het voertuig in het kentekenregister op naam van belanghebbende is gesteld. Voor de belastingplicht is bij inschrijving in het kentekenregister in 2017 niet van belang wie het kenteken aanvraagt. De Inspecteur heeft belanghebbende terecht aangemerkt als belastingplichtige. Het standpunt van belanghebbende faalt.

5.4.

Het Hof heeft de overige standpunten van belanghebbende – behalve die over de verzuimboete, want deze is vernietigd – beoordeeld en komt niet tot een andere conclusie dan de Rechtbank. Het Hof sluit voor de beoordeling van deze standpunten aan bij het oordeel van de Rechtbank en maakt haar beslissingen en overwegingen (r.o. 7 tot en met 16) tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een andere beslissing leidt. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld om ter zitting een bewijsaanbod te doen voor het overleggen van bewijsstukken van de tweede keuring bij de RDW, wijst het Hof dit af. Om te beginnen is geen sprake van een voldoende concreet en ongeclausuleerd aanbod. Daarnaast is het aanbod veel te laat in de procedure gedaan. Ook het beroep op vergoeding van immateriële schade voor de procedure in hoger beroep faalt omdat tussen het instellen van het hoger beroep en de uitspraak minder dan twee jaren zijn verstreken.

Slotsom

5.5.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding en geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, H.A.J. Kroon en L.M.D.A. Reijs, in aanwezigheid van L. van den Bogerd, griffier.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd A. van Dongen

De beslissing is op 17 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.