Belastingrecht

Art 6:9 Awb. Beroepschrift niet tijdig ingediend. Geen verschoonbare omstandigheden.

Gerechtshof Den Haag, 16 juli 2026

Zaakgegevens

Op 16 juli 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
16 juli 2026
Datum publicatie
16 juli 2026
Zaaknummer
BK-25/697
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2324
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Art 6:9 Awb. Beroepschrift niet tijdig ingediend. Geen verschoonbare omstandigheden.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 26 september 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:18319
  2. Gerechtshof Den Haag · 16 juli 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2324

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/697

Uitspraak van 16 juli 2026

in het geding tussen:

[X] , te [Z] , belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, de Heffingsambtenaar,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 september 2025, nummer SGR 25/2274.

Procesverloop

1.1.

De Heffingsambtenaar heeft een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen van de gemeente Den Haag opgelegd ter zake van het parkeren door belanghebbende op 12 oktober 2023 om 19:51 uur van zijn voertuig met kenteken [kenteken] ter hoogte van de [adres] in [woonplaats] (de naheffingsaanslag).

1.2.

De Heffingsambtenaar heeft het door belanghebbende tegen de naheffingsaanslag gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2023 ongegrond verklaard.

1.3.

Belanghebbende heeft op 25 maart 2025 tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Er is een griffierecht geheven van € 53. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143 De Heffingsambtenaar heeft een nader stuk, aangeduid als verweerschrift, ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 30 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

De uitspraak op bezwaar heeft de dagtekening 1 november 2023. Het beroepschrift is gedagtekend en ontvangen door de Rechtbank op 25 maart 2025.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld:

“1. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2. Als een beroepschrift te laat wordt ingediend moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift betrokkene niet kan worden toegerekend. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkheidverklaring als gevolg van die te late indiening achterwege.

3. Vaststaat dat de dagtekening van het bestreden besluit 1 november 2023 is. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 13 december 2023. Het beroepschrift is gedateerd op 25 maart 2025. Dit is ruim vijftien maanden na afloop van de beroepstermijn. Gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb is het beroepschrift daarmee te laat ingediend.

4. Belanghebbende heeft verklaard dat hij in 2023 – niet wetend dat hij zonder procesvertegenwoordiging in beroep kon gaan – contact heeft gehad met twee advocatenkantoren ten behoeve van een beroep bij de rechtbank, maar dat deze hem niet konden bijstaan. Hierdoor was hij naar eigen zeggen de moed kwijtgeraakt en heeft hij het gelaten voor wat het is. Later kwam hij er toch achter dat hij zelfstandig kan procederen in belastingzaken en heeft hij om die reden een beroepschrift ingediend. Belanghebbende heeft – naar de rechtbank begrijpt – gemeend dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

5. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de omstandigheden die belanghebbende heeft aangevoerd niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Ter zitting is vast komen te staan dat belanghebbende het bestreden besluit op papier heeft ontvangen, tezamen met een bijlage waarop de beroepsmogelijkheden te zien zijn. De rechtbank concludeert daarom dat belanghebbende op de hoogte moet zijn geweest van de termijn van zes weken. Als belanghebbende niet wist of hij een advocaat nodig had of niet, had hij dat bij de gemeente kunnen navragen. Het beroepschrift is dus zonder goede reden te laat ingediend.

6. Gelet op de te late indiening van het beroepschrift, zal het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is komt de rechtbank niet toe aan de inhoud van de zaak.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar door de Rechtbank terecht niet-ontvankelijk is verklaard, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Heffingsambtenaar bevestigend beantwoordt.

Indien het beroep van belanghebbende ontvankelijk is, is voorts in geschil of de Heffingsambtenaar terecht de naheffingsaanslag in de parkeerbelasting heeft opgelegd, welke vraag belanghebbende eveneens ontkennend en de Heffingsambtenaar bevestigend beantwoordt.

4.2.

Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag.

4.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

De beroepstermijn

5.1.

Vaststaat dat de dagtekening van de in rechtsoverweging 1.2 bedoelde uitspraak op bezwaar 1 november 2023 is. Gesteld noch gebleken is dat de uitspraak op bezwaar na 1 november 2023 is verzonden. De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen die uitspraak op bezwaar eindigt zes weken later, derhalve op 13 december 2023. Het beroepschrift is gedateerd op 25 maart 2025, derhalve na 13 december 2023.

5.2.

Gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het beroepschrift daarmee te laat ingediend.

Is het niet tijdig indienen van het beroepschrift verschoonbaar?

5.3.

In rechtsoverweging 5 van haar uitspraak heeft de Rechtbank geoordeeld dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. In hoger beroep heeft belanghebbende dit oordeel niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden, en heeft hij evenmin nieuwe feiten en/of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot een ander oordeel dan de Rechtbank heeft gegeven. Dat sprake is van een wetswijziging in het jaar 2013, die het mogelijk zou maken dat het beroep niettemin ontvankelijk zou zijn, zoals belanghebbende in hoger beroep heeft gesteld, is het Hof niet bekend. Belanghebbende heeft evenmin naar een concrete vindplaats van die gestelde wetswijziging verwezen.

Conclusie

5.4.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door P.J.J Vonk, Chr.Th.P.M. Zandhuis en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.

De griffier, de voorzitter,

T. van Hout P.J.J. Vonk

De beslissing is op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.