Belastingrecht
Art 7, lid 3, Awir. Toepassing Wet rechtsherstel box 3 op vermogenstoets huurtoeslag. Belastingrechter…
Gerechtshof Den Haag, 2 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2843 · Gerechtshof Den Haag · 2 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2843
Zaakgegevens
Op 2 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 september 2026
- Datum publicatie
- 14 september 2026
- Zaaknummer
- BK-25/760
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2843
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art 7, lid 3, Awir. Toepassing Wet rechtsherstel box 3 op vermogenstoets huurtoeslag. Belastingrechter onbevoegd om te oordelen in geschil over huurtoeslag.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 19 september 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28003Gerechtshof Den Haag · 2 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2843
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/760
uitspraak van 2 september 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 19 september 2025, nummer SGR 24/8337.
Procesverloop
Aan belanghebbende is over het jaar 2022 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd (de aanslag IB/PVV 2022). In de aanslag IB/PVV 2022 is belanghebbendes vermogen vastgesteld op € 39.433 (de rendementsgrondslag).
Belanghebbende heeft over het jaar 2022 een voorschot huurtoeslag ontvangen van
€ 4.024. Dienst Toeslagen heeft bij beschikking de zorg- en huurtoeslag van belanghebbende over het jaar 2022 definitief vastgesteld op nihil en bepaald dat belanghebbende het als voorschot ontvangen bedrag aan huurtoeslag moet terugbetalen (de toeslagbeschikking).
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de toeslagbeschikking. Dienst Toeslagen heeft het bezwaar tegen de toeslagbeschikking afgewezen. Dienst Toeslagen heeft het bezwaar tevens ter behandeling doorgezonden aan de Inspecteur. De Inspecteur heeft het bezwaar vervolgens aangemerkt als bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2022. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (de uitspraak op bezwaar).
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft als volgt beslist, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Heffingsambtenaar als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 143. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft bij nader stuk van 15 januari 2026 op het verweerschrift gereageerd.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 17 juni 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
De Inspecteur heeft op 18 juni 2026 een stuk ingediend. Het Hof heeft daarin aanleiding gezien tot heropening van het onderzoek en heeft het stuk als nader stuk tot de gedingstukken gerekend. Belanghebbende heeft op 21 juni 2026 een nader stuk met bijlage ingediend en om een tweede mondelinge behandeling verzocht. De Inspecteur heeft voorts op 1 juli 2026 een nader stuk ingediend.
De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 juli 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Na de tweede mondelinge behandeling heeft belanghebbende stukken ingediend, ingekomen op 23 juli 2026. Het Hof heeft in deze stukken geen aanleiding gezien tot heropening van het onderzoek. Partijen is bericht dat de stukken niet tot de gedingstukken worden gerekend en dat geen acht wordt geslagen op de inhoud daarvan.
Feiten
Belanghebbende heeft gedurende het jaar 2022 geen fiscaal partner.
Belanghebbende heeft voor het jaar 2022 aangifte IB/PVV gedaan (de aangifte). Uit de aangifte blijkt een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.417 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Voorts blijkt uit de aangifte een rendementsgrondslag die als volgt is opgebouwd:
Bank- en spaartegoeden in Nederland € 12.397
Aandelen, obligaties e.d. € 9.220
(Rechten op) onroerende zaken (in Nederland) € 84.073 +
Totaal bezittingen € 105.690
Overige schulden € 69.457
Drempel schulden € 3.200 +
Totaal aftrekbare schulden € 66.257
De rendementsgrondslag bedraagt op grond van de aangifte
€ 39.433 (€ 105.690 - € 66.257).
De Inspecteur heeft op 10 juni 2023 de aanslag IB/PVV 2022 conform de aangifte opgelegd en daarbij de rendementsgrondslag vastgesteld op € 39.433.
Dienst Toeslagen heeft de aan belanghebbende toekomende huurtoeslag voor het jaar 2022 bij beschikking met dagtekening 11 augustus 2023 vastgesteld. In de toeslagbeschikking staat, onder meer, dat het vermogen van belanghebbende te hoog is voor huurtoeslag. De toeslagbeschikking is (mede) gebaseerd op een rendementsgrondslag van belanghebbende van € 39.433.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de toeslagbeschikking. Belanghebbendes bezwaar is gericht tegen de hoogte van de rendementsgrondslag die voor de berekening van de definitieve huurtoeslag is gebruikt. Dienst Toeslagen heeft het bezwaar tegen de toeslagbeschikking afgewezen. Belanghebbende heeft geen beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van Dienst Toeslagen.
Dienst Toeslagen heeft belanghebbendes bezwaar tevens doorgestuurd naar Directie Particulieren van de Belastingdienst. De Inspecteur heeft belanghebbendes bezwaar aangemerkt als bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2022 en vervolgens niet-ontvankelijk verklaard vanwege een gebrek aan procesbelang.
Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gegaan bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft geoordeeld als weergegeven in 1.4 en belanghebbende is tegen de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder.
“7. Eiser heeft zijn bezwaar tegen de Beschikking in zijn brief van 13 september 2013 geformuleerd als volgt:
“Bij deze maak ik bezwaar tegen de door u aan mij opgelegde definitieve aanslag over ad 2022 ad. € 4.024 terug te betalen huurtoeslag”
Met de Beschikking is de aanspraak van eiser op huurtoeslag vastgesteld op nihil, wat ertoe leidt dat eiser het door hem ontvangen voorschot dient terug te betalen. Blijkens de hiervoor geciteerde bewoording is dat. waartegen eiser in bezwaar is opgekomen. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op grond van een overweging die betrekking heeft op een andere beschikking dan de Beschikking, te weten de aanslag. Van bezwaar tegen de aanslag kan eiser inderdaad niet beter worden, maar dat is niet waartegen hij is opgekomen. Zijn bezwaar is gericht tegen de Beschikking en dat kon hem bij gegrondverklaring (wel degelijk) in een betere positie brengen.
Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Om die reden heeft de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigd.
8. Bij vernietiging van de uitspraak op bezwaar doet de rechtbank wat verweerder had moeten doen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bezwaar ongegrond had moeten verklaren. Onderstaand legt zij uit waarom.
9. Eiser had over het jaar 2021 huurtoeslag ontvangen. Dat hem over het jaar 2022 huurtoeslag is ontzegd, is volgens hem terug te voeren op verandering in de wetgeving die is gevolgd op het zogenaamde kerstarrest.[2] Eiser heeft daarbij het oog op de Wet rechtsherstel box 3 (de Wet rechtsherstel). Deze wet regelt dat het box 3-inkomen wordt bepaald op de voet van de voor de belanghebbende meest gunstige van een van twee methodes; te weten die van de Wet IB 2001 en de alternatieve berekeningswijze waarin de Wet rechtsherstel voorziet.[3] Dat aan eiser met de Beschikking huurtoeslag over 2022 is ontzegd, komt volgens hem doordat niet de voor hem meest gunstige van beide methoden is toegepast.
10. Het standpunt van eiser berust op een misvatting. Dat hij wel over 2021 aanspraak had op huurtoeslag maar niet over 2022, wordt naar de overtuiging van de rechtbank erdoor veroorzaakt dat zijn vermogen in de loop van 2021 is toegenomen, waardoor hij per begin 2022 over een te groot vermogen beschikt om aanspraak te kunnen maken op bepaalde toeslagen. Dit wordt in de volgende twee overwegingen uitgelegd.
11. In artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (AWIR) is bepaald bij welk vermogen geen aanspraak (meer) kan worden gemaakt op bepaalde toeslagen. Deze bepaling is per 1 januari 2001 gewijzigd. Die wijzing heeft niet met de Wet rechtsherstel te maken, maar met de verhoging van het heffingsvrije vermogen (artikel 5.5 Wet IB 2001).
Tot 1 januari 2021 bepaalde artikel 7, derde lid, van de AWIR dat geen recht op huurtoeslag bestond zodra over voordeel uit sparen en beleggen belasting werd geheven. Dat is het geval zodra het vermogen (de grondslag sparen en beleggen) uitgaat boven het heffingsvrije vermogen. In 2020 bedroeg het heffingsvrije vermogen € 30.846. Het komt er dus op neer dat zodra het vermogen uitging boven dat dat bedrag geen recht op huurtoeslag bestond. Met ingang van 1 januari 2001 heeft de wetgever het heffingsvrije vermogen verhoogd, van € 30.846 in 2020 tot € 50.000 in 2021. Het effect daarvan zou zijn dat ineens aanspraak op huurtoeslag zou bestaan bij een vermogen van bijna € 20.000 méér. Dat heeft de wetgever niet gewild. Hij heeft daarom artikel 7, derde lid, van de AWIR gewijzigd; en wel zó dat niet langer bepalend is of belasting in box 3 wordt geheven, maar of het vermogen uitgaat boven een bedrag dat correspondeert met het heffingsvrije vermogen naar het niveau van voor 2021. De verandering van dit artikellid strekte er dus toe, te voorkomen dat voor wat betreft de aanspraak op bepaalde toeslagen materieel iets zou veranderen.
12. Voor het jaar 2022 is het in artikel 7, derde lid, van de AWIR genoemde bedrag vanaf wanneer geen recht meer bestaat op toeslagen gesteld op € 31.747.
Het vermogen van eiser bestond per 1 januari 2022 voor € 9.220 uit effecten en voor € 84.073 uit een onroerende zaak, tot het bedrag van € 69.451 waren gefinancierd met leningen. De rendementsgrondslag van eiser was daarmee € 39.433, dus te veel om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. Dat eiser in 2021 wel, maar in 2022 niet voor huurtoeslag in aanmerking komt, komt - zoals ter zitting is besproken - vrijwel zeker doordat de effecten en het vastgoed gedurende 2021 met ten minste € 7.591 in waarde zijn gestegen, waardoor het vermogen van eiser per 1 januari 2022 met dat bedrag boven de grens van artikel 7, derde lid, AWIR uitgaat.
13. Dat in 2021 wel maar in 2022 geen recht op huurtoeslag bestond, kan in ieder geval niet worden verklaard door de Wet rechtsherstel en/of de manier waarop verweerder die heeft toegepast. Die wet regelt namelijk niets dat van invloed kan zijn op het recht op huurtoeslag.
14. De Wet rechtsherstel regelt het volgende.
Het belaste voordeel uit sparen en beleggen is het forfaitaire rendementspercentage. vermenigvuldigd met de grondslag sparen en beleggen.[4] De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag. voor zover deze uitgaat boven - of anders gezegd: verminderd met - het heffingsvrije vermogen.[5] De rendementsgrondslag is waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden voor zover die schulden uitgaan boven de drempel van € 3.200.[6]
Met de Wet rechtsherstel beoogde de wetgever het box 3-stelsel in overeenstemming te brengen met het ‘kerstarrest'.[7] Daartoe is een alternatieve methode geïntroduceerd voor de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen, die alleen wordt toegepast als deze voor de belanghebbende gunstiger uitpakt dan de berekening volgens de Wet IB 2001 zelf. Het verschil tussen de alternatieve methode en die van de Wet IB 2001 is alleen gelegen in de hoogte van het forfaitaire rendement. De wet rechtsherstel laat de rendementsgrondslag geheel ongemoeid: ook bij toepassing van de alternatieve methode is de rendementsgrondslag het saldo van de bezittingen en de schulden.
15. Dan komt de rechtbank nu toe aan de vraag of de Beschikking juist is. Daaromtrent overweegt zij als volgt. Artikel 7, derde lid, van de AWIR bepaalt voor het jaar 2022, voor zover relevant:[8]
“Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 31.747 (...)"
Voor de vraag naar aanspraak op huurtoeslag komt het derhalve aan op de hoogte van de rendementsgrondslag.
Eiser heeft aangifte IB/PVV gedaan naar een rendementsgrondslag van nihil, wat bij het vaststellen van de aanslag is overgenomen. De vaststelling in de Beschikking dat eiser geen aanspraak heeft op huurtoeslag bouwt daarop voort. Eiser heeft niet aangevoerd dat de rendementsgrondslag op een ander bedrag moet worden vastgesteld dan volgens zijn aangifte en de opgelegde aanslag IB/PVV. De rechtbank beoordeelt de Beschikking daarom als juist.
16. Eiser beroept zich subsidiair op het vertrouwen dat hij heeft ontleend, en stelt ook te hebben mogen ontlenen aan de navolgende mededelingen op de website van de Belastingdienst:
“2 methodes om uw box 3-inkomen te berekenen
De oude methode gaat uit van een fictieve verdeling van vermogensbestanddelen. De nieuwe methode berekenen we volgens het Rechtsherstel.
Oude methode box 3-inkomen - hoe werkt dat?
Voor de jaren 2021 en 2022 berekenen wij uw box 3-inkomen met de oude en de nieuwe methode. Vervolgens passen wij de meest gunstige methode toe op uw definitieve aanslag inkomstenbelasting. Ook als u over de periode 2017-2022 rechtsherstel hebt gehad, passen wij de meest gunstige methode toe.
De basis is uw inkomen uit vermogen
De basis voor de oude methode is uw inkomen uit vermogen. Dit noemen wij de grondslag sparen en beleggen. Dat is de waarde van uw vermogen (uw bezittingen min uw schulden) min uw heffingsvrij vermogen. U gaat daarbij uit van de situatie op 1 januari van het jaar waarover u aangifte doet.”
Deze passage kan naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet zo worden gelezen als eiser dat doet. Zijn beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom.
Slotsom
17. Omdat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard (zie r.o. 7). is het beroep gegrond en dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat de Beschikking naar het oordeel van de rechtbank juist is (r.o. 8 tot en met 15) en het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel faalt (r.o. 16), verklaart de rechtbank het bezwaar ongegrond.
18. Niet is gebleken dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gehad. Daarom bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
(…)
[2] HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
[3] De Wet rechtsherstel box 3 is ingevoerd op 21 december 2022 en heeft terugwerkende kracht tot 1 januari 2017.
[4] Artikel 5.2. eerste lid. Wet IB 2001.
[5] Artikel 5.2. eerste lid. Wet 1B 2001.
[6] Artikel 5.3, eerste lid en derde lid, letter f, Wet IB 2001; in zowel 2021 als 2022).
[7] Wat overigens niet is gelukt; zie HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 en ECLI:NL:HR:2024:705. alsmede HR 14 juni 2024. ECLI:NL:HR:2024:857.
[8] Tekst 2022.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of belanghebbende recht heeft op huurtoeslag. Meer specifiek is in geschil of de Wet rechtsherstel box 3 doorwerkt naar de vermogenstoets van artikel 7, lid 3, Awir.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot wijziging van de toeslagbeschikking, aldus dat hij recht heeft op het als voorschot ontvangen bedrag aan huurtoeslag.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het geschil
De aanslag IB/PVV 2022
Belanghebbende heeft tegen de aanslag IB/PVV 2022 en de daarin vastgestelde rendementsgrondslag van € 39.433 geen zelfstandige gronden aangevoerd. Tussen partijen is bovendien niet in geschil dat de rendementsgrondslag in de aanslag IB/PVV 2022 op het juiste bedrag is vastgesteld. De aanslag en de rendementsgrondslag zijn naar oordeel van het Hof dan ook terecht en naar het juiste bedrag opgelegd en vastgesteld. Dit brengt mee dat belanghebbendes hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de aanslag IB/PVV 2022 en de daarin opgenomen rendementsgrondslag, ongegrond is.
De toeslagbeschikking
De kern van belanghebbendes betoog is dat bij het bepalen van het recht op huurtoeslag voor het jaar 2022, in de toeslagbeschikking ten onrechte geen rekening is gehouden met de Wet rechtsherstel box 3 (door belanghebbende aangeduid als de Overbruggingswet box 3). Op grond daarvan heeft belanghebbende namelijk geen inkomen uit sparen en beleggen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat deze wet doorwerkt naar de vermogenstoets van artikel 7, lid 3, Awir, zodat hij om die reden recht heeft op het door hem als voorschot ontvangen bedrag aan huurtoeslag en de toeslagbeschikking daarom voor vernietiging in aanmerking komt. Deze grond kan echter niet tot verlaging van de aanslag IB/PVV 2022 leiden, terwijl de toeslagbeschikking in deze procedure niet voorligt. De belastingrechter is bovendien niet bevoegd om kennis te nemen van een geschil over de toeslagbeschikking, zodat het Hof ook om die reden geen oordeel kan geven over belanghebbendes standpunt.
Het voorgaande brengt mee dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd, zij het, gelet op overweging 5.2, op andere gronden.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door M.J.M. van der Weijden, L.D.M.A. Reijs en M.B. Weijers, in tegenwoordigheid van de griffier T. van Hout.
De griffier, de voorzitter,
T. van Hout M.J.M. van der Weijden
De beslissing is op 2 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie in stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl ).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.