Belastingrecht

Naheffing bpm. Nieuwe koerslijst. Geen verhoging netto catalogusprijs. Correctie waarde per procespunt.

Gerechtshof Den Haag, 25 februari 2026

Zaakgegevens

Op 25 februari 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
25 februari 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
BK-25/109
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2848
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Naheffing bpm. Nieuwe koerslijst. Geen verhoging netto catalogusprijs. Correctie waarde per procespunt.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/109

Uitspraak van 25 februari 2026

in het geding tussen:

[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 29 januari 2025, nr. SGR 23/5074.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.370 (de naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 100;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 400;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184 aan eiseres te vergoeden;

- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft verweer gevoerd. Belanghebbende heeft op 27 januari 2026 nadere stukken ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 4 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op 1 juni 2022 aangifte bpm gedaan ter zake van een Land Rover Range Rover Sport 5.0 V8 SC SVR (de auto). De datum van eerste toelating is 17 december 2018. De volgens de aangifte verschuldigde bpm bedraagt € 16.385 en is op aangifte voldaan.

2.2.

In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] . Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 216.959 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 66.785 (gebaseerd op referentievoertuigen onder aftrek gangbare marge bij importvoertuigen). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 21.028,73 waarvan (afgerond) 72% in aanmerking is genomen) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 51.640. In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 290 g/km NEDC. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 27 mei 2022.

2.3.

Belanghebbende heeft de inkoopfactuur niet verstrekt.

2.4.

De datum van keuring door de RDW is 27 mei 2022, waarbij de kilometerstand 132.184 km bedroeg. De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 188 g/km NEDC.

2.5.

Er heeft een hertaxatie plaatsgevonden door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 9 juni 2022 vermeldt een historische nieuwprijs van € 226.281, een netto catalogusprijs van € 128.152 en een handelsinkoopwaarde van € 71.512 (koerslijst XRAY).

DRZ heeft geen schade geconstateerd anders dan normale gebruikssporen en heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. In het DRZ-rapport is onder ‘bevindingen/opmerkingen’ (punt 6 van het rapport) het volgende opgenomen:

"Net voertuig uit 2018, 132254 kilometers op de teller en gebruikers sporen krasjes, wasstraat krassen en steenslag.

Alle opgegeven schadeposities zijn niet aangetroffen of kunnen als gebruikersschade* worden aangemerkt. Hierdoor wordt er geen waardevermindering aan het voertuig toegekend.

*(Bij gebruikersschade is er rekening gehouden met de leeftijd en kilometerstand van het voertuig)"

2.6.

De Inspecteur heeft op basis van het rapport van DRZ en dus uitgaande van een historische nieuwprijs van € 226.281, een inkoopwaarde van € 71.512 en een historische bruto bpm van € 68.847 een naheffingsaanslag van € 5.370 opgelegd.

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:

“Waardevermindering wegens schade

10. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiseres. Eiseres dient dan ook tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat sprake is van meer schade dan het bedrag dat DRZ heeft vastgesteld. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door DRZ en dus ook door verweerder is onderkend. De rechtbank vindt daarin noch in hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd en overgelegd, aanleiding om aan de schadecalculatie van DZR te twijfelen. Met het taxatierapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. Eiseres is dan ook niet geslaagd in het van hem te vergen bewijs. Juist ook gegeven het tijdverloop tussen de datum van eerste toelating van 17 december 2018 en het moment van aangifte op 1 juni 2022 vindt de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van beschadigingen die zijn aan te merken als meer dan normale gebruikersschade. Dat geldt ook voor de beschadigingen zoals die blijken uit de door eiseres overgelegde foto’s, ook die foto's die ter zitting in uitvergrote versie zijn overgelegd. Al die beschadigingen overstijgen naar het oordeel van de rechtbank niet de normale gebruikersschade van een voertuig van een vergelijkbare ouderdom. Voor een ander oordeel vindt de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd en overlegd, daaronder begrepen dus alle foto’s van de (vermeende) beschadigingen, afgezet tegen de bevindingen van DRZ en wat verweerder dienaangaande heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten en ondersteuning. Dat, zoals eiser stelt, binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld.

11. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking de volgende door verweerder met betrekking tot het taxatierapport van eiser opgeworpen formele en materiële gebreken:

- De handelsinkoopwaarde dient naar waarheid en aan de hand van een gedegen fysieke opname te worden vastgesteld; dat daarvan sprake is, is niet controleerbaar en is ook niet waarschijnlijk, mede gegeven het korte tijdsbestek (30 minuten) dat met de opname is gemoeid geweest en waarin kennelijk onder andere het volgende is beoordeeld en de volgende werkzaamheden zijn verricht:

■ Algemene indruk : goed

■ Indruk technische staat : goed

■ Indruk onderstel : goed

■ Indruk carrosserie : redelijk

■ Indruk interieur : goed

■ Indruk banden : goed

- Er zijn 30 onduidelijke foto’s gemaakt waaruit de gecalculeerde schade niet blijkt.

- Voor gebruikerssporen blijkt niet hoe hier rekening mee is gehouden.

- Er is er door de taxateur géén onderzoek ingesteld naar de oorzaak van eventuele aanwezige schade dan wel de reden van afwezigheid van gedemonteerde delen terwijl door hem wel een bruto schade is gecalculeerd van € 21.028,73, wat in strijd is met een gedegen fysieke opname.

- De door de taxateur gecalculeerde schade van € 21.028,73 is niet te rijmen met de constateringen over de staat van de auto zoals weergegeven in het taxatierapport (zie de hierboven opgenomen weergave van die constateringen, onder meer de Algemene indruk : goed).

- De inkoopfactuur is niet overgelegd.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat al de deze punten, zeker in onderlinge samenhang bezien, in aanmerkelijke mate afdoen aan de overtuigingskracht en de bewijswaarde van eisers taxatierapport. De rechtbank acht daarbij met name van belang het korte tijdsbestek van de fysieke opname, zeker in combinatie met de toch omvangrijke geconstateerde schade, alsook de discrepantie tussen de weergegeven indruk van de staat van de auto en de toch omvangrijke schade en het feit dat niet duidelijk is hoe is omgegaan met gebruikersschade.

Of het rapport vanwege deze formele en materiële gebreken volledig van bewijs dient te worden uitgesloten, laat de rechtbank verder in het midden, omdat dat niet meer relevant is nu toch reeds de taxatie van DRZ wordt gevolgd.

(…)

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.

(…)

Proceskosten

18. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[3] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).

(…)

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de juiste koerslijst is gebruikt, of de handelsinkoopwaarde dient te worden verminderd vanwege schade en of de Rechtbank de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging dan wel vermindering van de naheffingsaanslag tot € 5.142. Belanghebbende verzoekt voorts om een proceskostenvergoeding, waaronder begrepen een hogere proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.

4.3.

De Inspecteur concludeert – hoewel hij erkent dat de proceskostenvergoeding in beroep onjuist is vastgesteld – tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.

Belanghebbende beroept zich primair op vermindering van de handelsinkoopwaarde met een bedrag aan schade. Voor de handelsinkoopwaarde zonder schade beroept belanghebbende zich op een nieuwe koerslijst van XRAY, waarin de opties correct zijn aangevinkt.

5.2.

Voor de schade verwijst het Hof naar de overwegingen van de Rechtbank (r.o. 9 tot en met 11). In hoger beroep hebben partijen over dit geschilpunt geen nieuwe feiten en omstandigheden aangedragen die voor een nieuwe – en andere – beoordeling aanleiding geven.

5.3.

In hoger beroep heeft belanghebbende een nieuwe koerslijst overgelegd en daarbij informatie van de fabrikant gevoegd. De gemachtigde van belanghebbende heeft desgevraagd bevestigd dat deze stukken dienen ter onderbouwing van een hogere catalogusprijs van de auto. Specifiek betreft het de prijs van de lak, die de gemachtigde nu berekent op € 8.297 voor een ‘speciale kleur’. DRZ en de Inspecteur hebben rekening gehouden met een extra toeslag van € 4.875 voor ‘metaalkleur parelmoer’, terwijl de taxateur van belanghebbende is uitgegaan van unilak en geen toeslag voor een bijzondere lak heeft toegepast. Uit de VIN Data blijkt dat de auto de kleurcode 1BS heeft. Op de prijslijst van de fabrikant komt deze code niet voor, wel de kleur ‘SVO Premium Palette Grey’, de naam van de kleur van de auto. Belanghebbende doelt op de satijnglans, waarvoor de fabrikant inderdaad een toeslag van € 8.297 rekent. Uit de informatie van de fabrikant volgt niet dat de toeslag bij de kleur hoort, deze wordt gerekend voor satijnglans. Dat de kleur altijd in satijnglans wordt uitgevoerd en dus altijd met een toeslag wordt geleverd, staat er niet. Bij de VIN Data van de auto staat onder de code 1BS ook de code 709 SV, met de aanduiding “Ultra Metallic – Seidenmatt’, wat betekent dat de metallic lak geen satijnglans heeft, maar een zijden(mat)glans. Bovendien hebben zowel de taxateur van belanghebbende als DRZ geen rekening gehouden met een lak met satijnglans. Het Hof acht belanghebbende gelet op het voorgaande niet geslaagd in het leveren van het bewijs dat de auto inderdaad een lak met satijnglans heeft. Dit blijkt ook niet uit de foto’s van DRZ, waarop een matte glans te zien is. De taxateur van DRZ die de auto heeft gezien, heeft de glans beoordeeld als parelmoereffect. De verklaring van taxateur [naam] van [A B.V.] brengt het Hof niet tot een ander oordeel, omdat hij de auto niet heeft gezien. De verklaring rijmt bovendien niet met de gegevens van de fabrikant die het Hof hiervoor heeft besproken. De conclusie luidt dat de Inspecteur voldoende rekening heeft gehouden met de speciale kleur van de auto en dat er geen aanleiding is voor een verhoging van de catalogusprijs.

5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Rechtbank voor de berekening van de proceskostenvergoeding in beroep van een onjuiste waarde per punt is uitgegaan. Het Hof zal dit herstellen. De Inspecteur bepleit dat dit niet tot een vergoeding van proceskosten leidt, of slechts tot een vergoeding met de factor 0,25 (zeer licht). Het Hof ziet, gelet op de eenvoud van de zaak (het toepassen van een onjuist tarief), aanleiding om de factor zeer licht toe te passen.

Slotsom

5.5.

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten

6.1.

Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van de door belanghebbende in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. De griffier van het Hof dient, in verband met de misslag van de Rechtbank, het in hoger beroep betaalde griffierecht terug te betalen.

6.2.

Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in beroep stelt het Hof de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 233,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek à € 934 x 0,25 (gewicht van de zaak)).

6.3.

Wat betreft de vergoeding van de proceskosten in hoger beroep stelt het Hof de kosten op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Bpb en de daarbij behorende bijlage vast op € 467 (2 punten (1 punt hogerberoepschrift, 1 punt zitting) à € 934 x 0,25 (gewicht van de zaak)).

6.4.

Belanghebbende heeft recht op een totale proceskostenvergoeding van € 700,50. Het Hof zal deze vergoeding splitsen tussen een deel te vergoeden door de Inspecteur en een deel te vergoeden door de Staat.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het betreft de beslissing over de proceskosten;

  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 350,25;

  • veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 350,25;

  • bepaalt dat de griffier van het Hof het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 579 terugbetaalt.

Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen, L.M.D.A. Reijs en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd A. van Dongen

De beslissing is op 25 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.