Belastingrecht
Art. 3a, lid 2, AWR; art. 6:20, lid 3, Awb. Bpm. Machtiging kon niet rechtsgeldig per e-mail worden…
Gerechtshof Den Haag, 16 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2859 · Gerechtshof Den Haag · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2859
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 16 september 2026
- Zaaknummer
- BK-25/770
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2859
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 3a, lid 2, AWR; art. 6:20, lid 3, Awb. Bpm. Machtiging kon niet rechtsgeldig per e-mail worden ingediend. Ingebrekestelling was prematuur. Hof verklaart beroep tegen alsnog genomen besluit ontvankelijk, maar wijst niet terug. Taxatierapport kan niet dienen. Op vergoeding van immateriële schade bestaat wel recht wegens overschrijding van drempel van € 1.000 financieel belang. Hoger beroep gegrond. Geen recht op kostenvergoeding voor bezwaarfase.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/770
Uitspraak van 16 september 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 30 september 2025, nummer SGR 23/8460.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 8.931 (de naheffingsaanslag). Daarbij is bij beschikking € 77 belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag en de rentebeschikking bezwaar gemaakt bij brief van 17 juli 2023.
Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 13 oktober 2023 in gebreke gesteld. De ingebrekestelling is door de Inspecteur op 16 oktober 2023 ontvangen. Bij brief van 24 oktober 2023 heeft de Inspecteur de beslistermijn op grond van artikel 7:10, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verlengd tot 20 november 2023.
Belanghebbende heeft op 6 november 2023 beroep ingesteld bij de Rechtbank wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Ter zake van de indiening van het beroep is griffierecht betaald. De Inspecteur heeft op 24 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De Rechtbank heeft op 30 september 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is griffierecht betaald. De Inspecteur heeft bij nader stuk van 11 mei 2026 verweer ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 24 juni 2026, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Op 10 augustus 2022 heeft belanghebbende aangifte bpm gedaan ter zake van de inschrijving van een personenauto in het Nederlandse kentekenregister. Het betreft een Audi Q3 Sportback met een datum eerste toelating van 11 februari 2021 (de auto).
De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 30 juni 2023 een naheffingsaanslag bpm opgelegd ten bedrage van € 8.931 en een bedrag van € 77 aan belastingrente in rekening gebracht.
De gemachtigde van belanghebbende heeft op 18 juli 2023 bezwaar ingediend.
De Inspecteur heeft bij brief van 23 augustus 2023 de gemachtigde van belanghebbende erop gewezen dat de schriftelijke machtiging ontbreekt en geïnformeerd dat de beslistermijn wordt opgeschort totdat het bezwaar aan alle eisen voldoet. De beslistermijn wordt uiterlijk tot vier weken na de datum van de brief opgeschort.
De Inspecteur heeft bij brief van 4 oktober 2023 een rappel verstuurd omdat hij nog geen schriftelijke machtiging had ontvangen van de gemachtigde van belanghebbende.
Op 9 oktober 2023 heeft de Inspecteur de schriftelijke machtiging ontvangen.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Beoordeling
7. Voordat de rechtbank overgaat tot de inhoudelijke behandeling van de zaak, zal zij beoordelen op het beroep van eiser ontvankelijk is.
8. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder meer) in artikel 6:12 van de Awb.
9. Verweerder heeft op 18 juli 2023 het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag van 30 juni 2023 ontvangen. Bij brief van 23 augustus 2023 heeft verweerder de ontvangst van dit bezwaarschrift bevestigd en medegedeeld dat de schriftelijke machtiging ontbreekt. Deze machtiging is op 9 oktober 2023 ontvangen. Eiser heeft verweerder bij brief van 13 oktober 2023 in gebreke gesteld. Deze ingebrekestelling is door verweerder op 16 oktober 2023 ontvangen. Bij brief van 24 oktober 2023 heeft verweerder op basis van artikel 7:10 derde lid, van de Awb de beslistermijn verlengd tot 20 november 2023. Uiteindelijk heeft verweerder op 24 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan.
10. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn nog niet was verstreken ten tijde van de ontvangst van de ingebrekestelling door verweerder. Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient een bestuursorgaan binnen zes weken te beslissen, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken op 11 augustus 2023. Op 12 augustus 2023 is de beslistermijn gaan lopen. In beginsel heeft verweerder dus tot 22 september 2023 om op het bezwaarschrift te beslissen. Vanwege het ontbreken van de machtiging is de beslistermijn opgeschort op grond van artikel 7:10, tweede lid, van de Awb voor maximaal 4 weken, rekenend vanaf 23 augustus 2023. De gemachtigde van eiser heeft niet binnen deze vier weken de schriftelijke machtiging overgelegd, maar pas daarna. De beslistermijn is met de brief van verweerder van 24 oktober op 20 november 2023 geëindigd.
11. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het niet mogelijk is een bestuursorgaan bij voorbaat in gebreke te stellen.[1] Een ingebrekestelling die is ingediend voordat de beslistermijn is afgelopen, is daarom geen ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, eerste lid, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.[2] Een ingebrekestelling die op de laatste dag van de beslistermijn door het bestuursorgaan is ontvangen, is niet prematuur.[3] Verweerder heeft de ingebrekestelling op 16 oktober 2023 ontvangen, terwijl de beslistermijn op 20 november is geëindigd.
12. Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, omdat de ingebrekestelling eerder dan de laatste dag van de beslistermijn door verweerder is ontvangen. Het beroep niet tijdig beslissen moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
13. Het voorgaande betekent ook dat het beroep niet tijdig beslissen niet van rechtswege betrekking kan hebben op het alsnog genomen besluit van verweerder en dus moet worden aangemerkt als een prematuur ingesteld beroep. Een prematuur ingesteld beroep is in beginsel niet ontvankelijk. Ingevolge artikel 6:10 eerste lid van de Awb kan een prematuur ingesteld beroep toch ontvankelijk worden verklaard indien het besluit (in het onderhavige geval de uitspraak op bezwaar) ten tijde van de indiening reeds tot stand was gekomen of weliswaar nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijze kon menen dat dit wel het geval was. Nu het beroep niet tijdig beslissen op 6 november 2023 is ingediend, terwijl de uitspraak op bezwaar pas op 24 november 2023 is verzonden aan eiser, is niet voldaan aan artikel 6:10 eerste lid van de Awb.
ISV
14. Eiser heeft tenslotte verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 december 2016 geoordeeld dat bij een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep geen uitspraak meer hoeft te worden gedaan over een dergelijk verzoek, tenzij de rechtbank uitspraak doet nadat sinds het instellen van beroep meer dan anderhalf jaar is verstreken.[4] Het voorgaande geldt ook voor wat betreft een beroep niet tijdig beslissen. Omdat er sinds het indienen van het beroepschrift meer dan anderhalf jaar is verstreken heeft eiser recht op een vergoeding van immateriële schade.
15. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase tezamen is twee jaar.
Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 18 juli 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 30 september 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, drie maanden.
16. De rechtbank merkt op dat het overgangsrecht van het arrest van 14 juni 2024[5] hier niet van toepassing is, omdat de redelijke termijn op de datum van het arrest nog niet was overschreden. Nu eiser geen financieel belang heeft van meer dan € 1.000 heeft eiser geen recht op een vergoeding van immateriële schade Als ‘subsidiaire’ stelling heeft eiser de rechtbank verzocht de forfaitaire tabel zoals deze per 1 juli 2023 geldt toe te passen en de naheffingsaanslag te verminderen van € 8.931 tot € 8.762. Dit levert een belang op van € 169. Dit belang is te laag om in aanmerking te komen voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank merkt nog op dat eiser ook nog heeft verzocht om vernietiging van de naheffingsaanslag, maar dit niet nader heeft gemotiveerd en kennelijk tegen beter weten in hierom heeft verzocht. Onder deze omstandigheden bestaat geen recht op vergoeding van immateriële schade.
Proceskostenvergoeding
17. Nu aan eiser geen vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.
(…)
[1] Kamerstukken II 2004/05, 29934, nr. 6, p. 12.
[2] zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1112.
[3] zie de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:724.
[4] HR 2 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2723.
[5] HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en terecht het verzoek om een vergoeding van immateriële schade heeft afgewezen.
Belanghebbende concludeert tot:
- vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank,
- ontvankelijkverklaring van het beroep bij de Rechtbank,
- primair: terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank voor een inhoudelijke behandeling,
- subsidiair: vernietiging van de naheffingsaanslag,
- meer subsidiair: de inkoopwaarde van de auto vast te stellen op € 39.638 (XRAY), de nieuwprijs vast te stellen op € 83.382, de totaal verschuldigde bpm vast te stellen op € 9.645 en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 6.791.
- veroordeling van de Inspecteur tot het betalen van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen,
- veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade, en
- veroordeling van de Inspecteur en/of de Staat tot vergoeding van proceskosten, waarbij artikel 19a Wet op belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) geen toepassing vindt.
De Inspecteur concludeert primair tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en subsidiair tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten aan de kant van belanghebbende met toepassing van wegingsfactor 0,5.
Beoordeling van het hoger beroep
Ingebrekestelling / beroep tegen niet tijdig nemen besluit
Belanghebbende heeft de Inspecteur bij brief van 13 oktober 2023, door de Inspecteur ontvangen op 16 oktober 2023, in gebreke gesteld, omdat de Inspecteur niet tijdig uitspraak op bezwaar zou hebben gedaan. De Rechtbank heeft naar het oordeel van het Hof in de rechtsoverwegingen 9 tot en met 11 van haar uitspraak op goede gronden met juistheid beslist dat de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar eindigde op 20 november 2023. De ingebrekestelling was dus prematuur. De Inspecteur heeft derhalve geen dwangsom verbeurd en de Rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van belanghebbende dat bij e-mail van 4 september 2023 alsnog de door de Inspecteur verzochte machtiging en het klantinformatieformulier zijn ingediend. De Inspecteur stelt dat hij die e-mail van belanghebbende niet heeft ontvangen. Uit artikel 3a, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen volgt dat bij ministeriële regeling wordt bepaald op welke wijze het elektronische berichtenverkeer plaatsvindt. Het gebruik van e-mail is in de Regeling elektronisch berichtenverkeer Belastingdienst echter niet aangewezen als wijze waarop het elektronisch berichtenverkeer plaatsvindt, zodat de machtiging niet geldig langs die weg kon worden ingediend. Hieraan doet niet af dat tussen de Inspecteur en de gemachtigde van belanghebbende vaak wordt gecorrespondeerd per e-mail. Dat de Inspecteur de e-mail met de machtiging niet heeft ontvangen, komt daarom voor risico van belanghebbende.
Ontvankelijkheid beroep tegen reëel besluit
Belanghebbende stelt dat, indien het Hof oordeelt dat de ingebrekestelling prematuur is en het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, de Rechtbank op grond van artikel 6:20, lid 3, Awb toch een inhoudelijk oordeel had moeten geven. Daarbij verwijst belanghebbende naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:219.
De Inspecteur stelt daartegenover dat een geldige ingebrekestelling een voorwaarde is om een beroep wegens niet tijdig beslissen te kunnen indienen. Nu geen sprake is van een geldige ingebrekestelling is het beroep niet-ontvankelijk. De uitspraak van de Raad van State kan belanghebbende niet baten. In die zaak was de ingebrekestelling rechtsgeldig, omdat de beslistermijn al was verstreken. In dat geval is artikel 6:20, lid 3, Awb van toepassing, waardoor het beroep mede ziet op de alsnog genomen beslissing. In het onderhavige geval is sprake van een premature ingebrekestelling, waardoor niet voldaan wordt aan één van de voorwaarden om beroep in te stellen. Artikel 6:20, lid 3, Awb mist in dat geval werking en er dient vervolgens te worden gekeken of het beroep aan de ‘gewone’ ontvankelijkheidseis voldoet. De Rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep prematuur was, nu nog geen uitspraak op bezwaar was gedaan. De Rechtbank is tot de juiste conclusie gekomen en het beroep is terecht niet-ontvankelijk verklaard, waardoor niet toegekomen wordt aan een inhoudelijke behandeling, aldus de Inspecteur.
Artikel 6:20, lid 3, Awb (tekst 2023) luidt:
“Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt.”
Het Hof constateert dat het alsnog genomen besluit van de Inspecteur van 24 november 2023 niet aan het (inhoudelijke) beroep van belanghebbende tegemoetkomt. Het beroep heeft daarom mede betrekking op het alsnog genomen besluit. In de hiervoor vermelde bepaling ligt besloten dat het beroep van belanghebbende niet niet-ontvankelijk mag worden verklaard op de grond dat het voor het begin van de termijn van beroep tegen de nadien gegeven (reële) uitspraak op bezwaar is ingediend. De tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van voormeld artikellid (voorheen lid 4) biedt steun voor de opvatting dat voor de toepassing van dat artikellid is vereist dat ten tijde van het instellen van het desbetreffende beroep de beslistermijn daadwerkelijk is verstreken (vgl. HR 14 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4298, r.o. 3.3). Het Hof heeft geen reden, mede bezien uit het oogpunt van rechtsbescherming en het oogpunt van proceseconomie, aan te nemen dat het van kracht worden van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (wet van 28 augustus 2009, Stb. 2009, 383) per 1 oktober 2009 hierin een wijziging heeft aangebracht.
Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat de Rechtbank het beroep van belanghebbende, voorzover dat moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het alsnog genomen besluit van de Inspecteur, niet op de daarvoor gebezigde grond niet-ontvankelijk mocht verklaren.
Terugwijzing?
Belanghebbende verzoekt om terugwijzing van de zaak naar de Rechtbank in het geval het Hof oordeelt dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Inspecteur stelt dat het Hof ook in dat geval de zaak kan afdoen.
Uit artikel 8:116 Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:115, lid 1, aanhef en letter a, Awb, volgt dat indien de rechtbank ten onrechte de niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft uitgesproken, de hogerberoepsrechter de zaak niettemin zonder terugwijzing kan afdoen, indien deze naar zijn oordeel geen nadere behandeling door de rechtbank behoeft.
Naar ’s Hofs oordeel behoeft de onderhavige zaak geen nadere behandeling door de Rechtbank. Een eventuele terugwijzing zou slechts nog betrekking hebben op een (inhoudelijk) oordeel van de Rechtbank over de aangifte en het taxatierapport van belanghebbende, want tussen partijen is niet in geschil dat als het taxatierapport niet kan dienen de naheffingsaanslag op basis van de door belanghebbende in beroep overgelegde koerslijst XRAY moet worden verminderd tot € 6.789, onder dienovereenkomstige vermindering van de belastingrente. Onder die omstandigheden zou een terugwijzing geen redelijk belang dienen en een niet te rechtvaardigen beslag op publieke middelen leggen.
De Inspecteur stelt dat het taxatierapport, dat ten grondslag ligt aan de aangifte, niet kan dienen. De Inspecteur heeft zijn stelling onderbouwd met het vermelden van tal van gebreken aan het taxatierapport, onder meer met betrekking tot de beschrijving van de auto en de referentieauto’s, het percentage van de schade dat in aftrek is gebracht en de vaststelling van de gemiddelde vraagprijs en de daarbij behorende handelsmarge. Belanghebbende heeft dit niet weersproken. Het taxatierapport kan dus inderdaad niet dienen. Het Hof acht, gelet op de foto met de opengeklapte airbag in het dossier, tevens aannemelijk dat met betrekking tot de auto sprake was van een essentieel gebrek, nu de Regeling voertuigen vereist dat de waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van personenauto’s (in gebruik genomen na 31 december 2017) geen defect aangeeft. Ook dat verhindert op grond van artikel 10, lid 8, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2022; Wet bpm) een vermindering aan de hand van het taxatierapport.
Vergoeding van immateriële schade
Belanghebbende stelt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting van het geschil heeft toegekend. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden, maar geen vergoeding van immateriële schade toegekend, omdat belanghebbende volgens de Rechtbank geen financieel belang heeft van meer dan € 1.000. Het Hof is, anders dan de Rechtbank, van oordeel dat recht bestaat op een vergoeding van immateriële schade, omdat belanghebbende reeds in beroep heeft verzocht om de thans door het Hof aanvaarde vermindering van de naheffingsaanslag met € 8.931 -/- € 6.789 = € 2.142, zodat de drempel van € 1.000 wordt overschreden. De door de Rechtbank vastgestelde overschrijding met (naar boven afgerond) drie maanden is tussen partijen niet in geschil. De overschrijding is, gelet op de datum waarop de Inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan, geheel toerekenbaar aan de beroepsfase. Belanghebbende heeft derhalve recht op een vergoeding van immateriële schade van € 500, die is verschuldigd door de Staat (zie ook HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853).
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
De Inspecteur stelt dat geen sprake kan zijn van een proceskostenvergoeding met betrekking tot een vermindering van de naheffingsaanslag op basis van de door belanghebbende pas in beroep ingebracht koerslijst XRAY. Het Hof begrijpt hieruit dat de Inspecteur van mening is dat belanghebbende in ieder geval geen recht heeft op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Voor de bezwaarfase geldt op grond van artikel 7:15, lid 2, Awb dat op verzoek een kostenvergoeding wordt toegekend voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank gesteld dat de Inspecteur ook de koerslijst XRAY had kunnen opvragen.
Naar het oordeel van het Hof is de naheffingsaanslag niet verminderd vanwege een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Belanghebbende heeft in beroep pas bij nader stuk de koerslijst XRAY overgelegd. De vermindering van de naheffingsaanslag houdt verband met het feit dat de koerslijst XRAY gunstiger uitpakt dan de door de Inspecteur in aanmerking genomen forfaitaire tabel. Naar het oordeel van het Hof was de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag niet gehouden uit eigen beweging onderzoek te doen naar koerslijsten, maar kon hij zich beperken tot de beoordeling van de hem op dat moment daaromtrent ter beschikking staande gegevens. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de toepasselijkheid en de omvang van de vermindering op de belastingplichtige rusten (HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:640, r.o. 3.2.2-3.2.7 en HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:440, r.o. 3.2.2) en dat belanghebbende bij zijn aangifte geen opgaaf heeft gedaan van de koerslijst en de relevante gegevens daaruit zoals vereist in artikel 10, lid 9, Wet bpm. De beschikbaarheid van de juiste koerslijst is dus belanghebbendes eigen verantwoordelijkheid, waaraan hij pas in beroep gevolg heeft gegeven. Belanghebbende heeft daarom naar het oordeel van het Hof geen recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
Het Hof acht wel termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 Awb in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, vast op € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1), in totaal derhalve op € 3.736. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Bij de Rechtbank heeft belanghebbende nog aanspraak gemaakt op een vergoeding van kosten voor het opvragen van de koerslijst XRAY. Deze kosten vallen echter niet onder een van de limitatief opgesomde posten in artikel 1 Bpb. Belanghebbende heeft daarom geen recht op vergoeding van deze kosten.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep gestorte griffierecht van € 184 en het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 289 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
-
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar,
-
vermindert de naheffingsaanslag tot op € 6.789 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig,
-
veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 500,
-
veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in beroep en hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.736, en
-
gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van in totaal € 473 aan griffierechten te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door C. Maas, M.J.M. van der Weijden en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd C. Maas
De beslissing is op 16 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.