Belastingrecht

Artt. 5 en 7 Wet Bpm. Naheffingsaanslag Bpm. Voertuig is niet op naam van belanghebbende gesteld in het…

Gerechtshof Den Haag, 14 april 2026

Zaakgegevens

Op 14 april 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
14 april 2026
Datum publicatie
16 september 2026
Zaaknummer
BK-25/357
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2866
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Artt. 5 en 7 Wet Bpm. Naheffingsaanslag Bpm. Voertuig is niet op naam van belanghebbende gesteld in het kentekenregister. Belanghebbende is niet de belastingplichtige. Vernietiging naheffingsaanslag. Hoger beroep gegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/357

Uitspraak van 14 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 13 maart 2025, nummer SGR 23/7919.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 34.777 (de naheffingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 53 aan belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;

  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 226,75.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. Belanghebbende heeft op 19 mei 2025 en 17 februari 2026 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.

1.6.

Het Hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst. Het Hof heeft de Inspecteur verzocht gegevens uit het kentekenregister over te leggen.

1.7.

De Inspecteur heeft bij bericht van 20 maart 2026 de gevraagde gegevens overgelegd. Bij bericht van dezelfde datum heeft het Hof de gemachtigde van belanghebbende de gelegenheid geboden te reageren.

1.8.

Bij bericht van 23 maart 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende op het bericht van de Inspecteur gereageerd. Bij bericht van dezelfde datum heeft het Hof de Inspecteur een week de tijd gegeven om op de reactie van de gemachtigde te reageren.

1.9.

De Inspecteur heeft van de onder 1.8 bedoelde gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.10.

Het Hof heeft partijen schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek is gesloten en dat uitspraak zal worden gedaan.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 15.806 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Mercedes Benz G-klasse 500 (de auto). De datum van eerste toelating is 2 maart 2021.

2.2.

De auto is op 19 november 2021 door de RDW gekeurd. Een medewerker van de RDW heeft de Inspecteur op 13 februari 2025 per e-mail medegedeeld dat het een versnelde individuele aanvraag betrof, en dat aan het voertuig niet de status ‘wachten op keuren’ is toegekend, omdat er geen schade is geconstateerd aan het voertuig.

2.3.

In het kentekenregister staan onder meer de volgende gegevens met betrekking tot de auto:

Houder

Naam

Datum ingang

Datum einde

[nummer 1]

[B.V. 1]

29-12-2023 11:30

31-12-9999 00:00

[nummer 2]

[naam]

6-12-2023 10:09

29-12-2023 11:30

[nummer 1]

[B.V. 1]

6-12-2023 10:04

6-12-2023 10:09

[nummer 3]

[B.V. 2]

18-7-2022 14:21

6-12-2023 10:04

[nummer 4]

[B.V. 3]

6-7-2022 10:09

18-7-2022 14:21

2.4.

In een e-mail van de RDW aan de Inspecteur van 19 maart 2026 staat onder meer:

“Het voertuig is ingeschreven door:

[B.V. 4]

[adres]

De eerste tenaamstelling is geweest:

[B.V. 3]

[adres]

”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Hoorrecht

5. Uit de stukken van het geding is het volgende gebleken. Het bezwaarschrift in de onderhavige zaak maakt deel uit van een groot cluster van bezwaren, waarvoor de gemachtigde in de maanden oktober en november 2023 een zeer groot aantal ingebrekestellingen heeft ingediend. Bij brief van 1 november 2023 heeft verweerder verschillende data en tijdstippen voorgesteld voor het houden van een hoorgesprek in 125 zaken. In samenspraak met de gemachtigde is besloten het hoorgesprek in deze 125 zaken te houden op 8 november om 15:00 uur. Op 8 november om 17:15 uur heeft de gemachtigde aangegeven het hoorgesprek te willen beëindigen, omdat hij zijn kind moest ophalen bij de kinderopvang. Op dat moment waren nog niet alle zaken besproken. Ook in de onderhavige zaak was de gemachtigde nog niet gehoord. De gemachtigde heeft uitdrukkelijk aangegeven wel gehoord te willen worden in de resterende zaken. Er is vervolgens gediscussieerd over de mogelijkheid om het hoorgesprek op een andere datum voort te zetten. Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen waarna het hoorgesprek is beëindigd. Verweerder heeft vervolgens in de onderhavige zaak uitspraak gedaan op 10 november 2023 zonder dat hij de gemachtigde heeft gehoord.

6. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat in onderhavige zaak geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden is te wijten aan de handelwijze van de gemachtigde, ook al verdient de handelwijze van verweerder ook geen schoonheidsprijs. Verweerder heeft verschillende data en tijdstippen voorgesteld. De gemachtigde heeft niet verzocht om andere data of tijdstippen, maar heeft ervoor gekozen het hoorgesprek te houden op 8 november om 15:00 uur, terwijl hij weet dat er dan 125 zaken moeten worden besproken en dat dit de nodige tijd kost. Van de gemachtigde mag dan worden verwacht dat hij of één van zijn kantoorgenoten net zo lang beschikbaar is tot alle 125 zaken zijn besproken. Dit geldt temeer nu de gemachtigde zeer veel ingebrekestellingen had ingediend en hij dus op korte termijn in Veel zaken een hoorgesprek had kunnen verwachten, nu hij zelf wenste dat op die termijn uitspraak op bezwaar zou worden gedaan. Het hoorrecht is derhalve niet geschonden.

(…)

Slotsom

20. Het beroep is gelet op het voorgaande ongegrond verklaard.

ISV

21. Verweerder heeft het bezwaarschrift ontvangen op 23 september 2022. We doen uitspraak op 13 maart. De redelijke termijn is dan overschreden met 6 maanden. Nu eiser een financieel belang heeft van meer dan € 1.000, heeft hij recht op een schadevergoeding van € 500. Verweerder heeft op 10 november 2023 uitspraak op bezwaar gedaan. De overschrijding is daarom geheel toe te rekenen aan de bezwaarfase.

Proceskosten

22. Nu aan eiser een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[2] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor van 0,25).

23. Eiser heeft niet vóór het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024[3] verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de redelijke termijn voor bezwaar en beroep was op de datum van dat arrest ook nog niet overschreden. Gelet daarop ziet de rechtbank geen aanleiding om het griffierecht aan eiser te laten vergoeden.

(…)

[2] HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.

[3] HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In hoger beroep is in geschil:

- of de naheffingsaanslag aan de verkeerde persoon is opgelegd,

- of belanghebbende een beroep kan doen op de koerslijst Eurotaxglass’s, en

- of voldoende rekening is gehouden met (ex-)schade.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en:

- primair en subsidiair tot vernietiging van de naheffingsaanslag,

- meer subsidiair de handelsinkoopwaarde vast te stellen op € 99.304, de verschuldigde bpm op € 33.790 en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 17.984,

- meest subsidiair de handelsinkoopwaarde vast te stellen op € 109.640, de verschuldigde bpm op € 37.307 en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 21.501.

Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de (proces)kosten.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Is de naheffingsaanslag aan de verkeerde persoon opgelegd?

5.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag aan de verkeerde persoon is opgelegd. Hiertoe voert hij aan dat de auto is ingeschreven door [B.V. 4] en dat de eerste tenaamgestelde [B.V. 3] is.

5.2.

In 2021 luidt artikel 5, lid 1, Wet bpm:

“Met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto wordt de belasting geheven van degene op wiens naam het motorrijtuig wordt dan wel is gesteld in het kentekenregister.”

5.3.

In 2021 luidt artikel 7, lid 1, Wet bpm:

“Indien voor een personenauto of een motorrijwiel de aanvraag voor de inschrijving in het kentekenregister geschiedt door een ander dan degene op wiens naam motorrijtuig wordt gesteld, is, in afwijking van artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam motorrijtuig wordt gesteld.”

5.4.

Voor de belastingplicht is bij inschrijving in het kentekenregister in 2021 van belang op wiens naam het motorrijtuig wordt dan wel is gesteld in het kentekenregister. Uit de informatie van de RDW (zie 2.3 en 2.4) volgt dat de aanvraag voor de inschrijving van de auto is geschied door [B.V. 4] en dat de eerste tenaamgestelde [B.V. 3] is. Dit betekent dat belanghebbende niet de belastingplichtige is, dat de naheffingsaanslag ten onrechte aan hem is opgelegd en dat de naheffingsaanslag om die reden moet worden vernietigd. Het had in de rede gelegen dat de Inspecteur – nadat hij in de hogerberoepsfase bekend werd met de informatie van de RDW – met de gemachtigde van belanghebbende had overlegd over vernietiging van de naheffingsaanslag, vergoeding van de proceskosten en intrekking, door belanghebbende, van het hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur immers desgevraagd verklaard dat hij de naheffingsaanslag zou vernietigen indien uit het kentekenregister zou blijken dat het kenteken niet op naam van belanghebbende was of zou worden gesteld en belanghebbende evenmin de inschrijving had verzorgd.

5.5.

De overige standpunten behoeven geen behandeling meer.

Slotsom

5.6.

Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

6.1.

Het Hof ziet aanleiding voor veroordeling van de Inspecteur tot vergoeding van de door belanghebbende in bezwaar, beroep en hoger beroep gemaakte (proces)kosten en tot vergoeding van de in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten.

6.2.

Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 666 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (1 punt à € 666 x 1 (gewicht van de zaak)), € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)) en € 1.868 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 1 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 4.402.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent de vergoeding van immateriële schade;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • vernietigt de naheffingsaanslag;

  • veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 4.402, en

  • gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van in totaal € 473 aan griffierechten te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs

De beslissing is op 14 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.