Belastingrecht
Naheffingsaanslag bpm. Waardevermindering als gevolg van schade niet aannemelijk gemaakt. Vermindering…
Gerechtshof Den Haag, 19 mei 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2871 · Gerechtshof Den Haag · 19 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2871
Zaakgegevens
Op 19 mei 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 19 mei 2026
- Datum publicatie
- 16 september 2026
- Zaaknummer
- BK-25/535
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2871
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Naheffingsaanslag bpm. Waardevermindering als gevolg van schade niet aannemelijk gemaakt. Vermindering naheffingsaanslag nu toepassing verbeterde koerslijst XRAY niet langer in geschil is en tot lagere verschuldigdheid van bpm leidt.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/535
Uitspraak van 19 mei 2026
in het geding tussen:
[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juni 2025, nummer SGR 23/5038.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 4.118 (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 545;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 455;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 226,75;
- draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een griffierecht geheven van € 289. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 april 2025. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op 10 mei 2020 aangifte bpm gedaan ter zake van een Land Rover Range Rover Evoque 2.0 P200 AWD S (de auto). De datum van eerste toelating is 21 mei 2019.
In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] . Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 76.602 (koerslijst AutotelexPro) en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 28.905 (koerslijst XRAY). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 13.155,87 waarvan 100 % in aanmerking is genomen (minus een correctie wegens gebruikerssporen van € 575)) en onder aftrek van een ‘Correctie vanwege ‘geen oordeel’ kilometerstand RDW-voertuigrapport’ ten bedrage van € 3.000 is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 13.325. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 4 mei 2022. Het taxatierapport vermeldt een kilometerstand van 78.173 km en een CO2-uitstoot van 176 g/km NEDC. De handelsinkoopwaarde uit XRAY is handmatig in de koerslijst AutotelexPro ingevoerd minus de schade om de te betalen bpm te bepalen.
De auto is op 5 mei 2022 aangekocht in Italië voor € 31.000 met 78.400 km op de teller. De uitspraak van de Rechtbank vermeldt dat op de schermprint van de aankoop verder niets staat vermeld.
De datum van keuring door de RDW is 6 mei 2022, waarbij de kilometerstand 78.219 km bedroeg. De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 176 g/km NEDC en 215 g/km WLTP en heeft geregistreerd dat de auto uit België afkomstig is.
Er heeft op 20 mei 2022 een hertaxatie plaatsgevonden door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). Het DRZ-rapport van 23 mei 2022 vermeldt een historische nieuwprijs van € 76.602, een netto catalogusprijs van € 47.891 en een handelsinkoopwaarde van € 29.140 (koerslijst XRAY). DRZ heeft geen schade geconstateerd anders dan normale gebruiksschade en heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
“Overgang NEDC1/WLTP/NEDC2 (EISER)
9. Eiser heeft gesteld dat als gevolg van de overgang van de NEDC1-meetmethode naar de WLTP/NEDC2-meetmethode een door artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) verboden discriminatie kan ontstaan tussen geïmporteerde voertuigen en reeds op de binnenlandse markt aanwezige voertuigen. In dit verband wijst eiser erop dat de WLTP/NEDC2-methode voor het vaststellen van de CO2-uitstoot volgens onderzoeken van KPMG en TNO tot een hogere CO2-uitstoot dan de oude NEDC1-meetmethode leidt en daarmee tot een hogere heffing van bpm. Omdat de NEDC1-geteste restantvoorraad in Nederland relatief groter is dan bijvoorbeeld in Duitsland, is het in Nederland gemakkelijker een NEDC1-geteste auto te kopen. Daardoor wordt de invoer van soortgelijke, doch NEDC2-geteste auto’s uit andere lidstaten ontmoedigd, aldus eiser.
10. De door eiser beschreven mogelijkheid van discriminatie is inmiddels door de Hoge Raad beoordeeld. In dat verband is – kort gezegd en voor zover hier van belang – overwogen dat het gebruik van en de overgang tussen twee verschillende meetmethodes voor de vaststelling van de CO2-uitstoot op zichzelf genomen kan leiden tot strijd met artikel 110 van het VWEU. Een belastingplichtige die zich daarop beroept moet aannemelijk maken (i) dat de desbetreffende, te registreren buitenlandse personenauto in een andere lidstaat in de periode 1 september 2018 tot 1 september 2019 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, en (ii) dat in Nederland in diezelfde periode ten minste één gelijksoortige personenauto (dat wil zeggen: van hetzelfde merk en model, zoals hiervoor omschreven, als die buitenlandse personenauto) in nieuwe staat is geregistreerd.[1] Eiser heeft zodanige referentievoertuigen niet heeft kunnen aandragen, zodat zijn beroep in zoverre faalt.
11. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder er terecht op wijst dat om van gelijksoortige voertuigen te kunnen spreken, sprake moet zijn van (technisch) identieke voertuigen waarbij het enige verschil de CO2-uitstoot is, en dat daarbij het verschil in CO2-uitstoot enkel mag worden veroorzaakt door het hanteren van een andere methode; het is niet voldoende dat er sprake is van gelijksoortige voertuigen, er moet sprake zijn van identieke voertuigen, aldus – terecht – verweerder. De bewijslast hiervoor ligt, zoals verweerder terecht stelt, bij eiser. Aan die bewijslast heeft eiser dus niet voldaan.
Verweerder wijst er daarbij ook nog terecht op dat, nu er zijn geen referentievoertuigen zijn aangedragen, er in dit geval sprake lijkt te zijn van een nieuw model waardoor er geen soortgelijke, laat staan identieke voertuigen op de Nederlandse markt aanwezig zijn die een lagere CO2-uitstoot in zich hebben.
12. Eiser meent echter dat desalniettemin op basis van de bekende algemene onderzoeken (zoals van KPMG en TNO) voor de heffing van bpm toch een vermindering van de uitstootwaarden dient te worden toegepast van ongeveer 8 gram respectievelijk 1 gram (gebaseerd op het gemiddelde verschil tussen NEDC1- en NEDC2-uitslagen zoals blijkt uit de onderzoeken). De rechtbank verwerpt dit standpunt van eiser, reeds omdat de benadering van de Hoge Raad zoals weergegeven onder 10. daarvoor geen ruimte biedt.
Beroep op het vertrouwensbeginsel
13. Eiser stelt voorts dat hij recht heeft op een teruggaaf van bpm op grond van het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Staatssecretaris van Financiën heeft gesteld dat de nieuwe meetmethode niet mag leiden tot een hogere belastingdruk.[2] De uitlatingen van de Staatssecretaris waarop eiser zich beroept, heeft de Staatssecretaris echter gedaan in zijn hoedanigheid van medewetgever. Eiser kan aan die uitlatingen dan ook geen in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen.[3]
14. Voor zover eiser zich in meer algemene zin wenst te beroepen op het rechtszekerheidsbeginsel kan dat beroep evenmin slagen. Burgers kunnen in het algemeen in redelijkheid niet erop vertrouwen dat de belastingwetgeving ongewijzigd zal blijven.[4] Er bestaat geen grond in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.
Deskundigheid hertaxateur DRZ
15. De hertaxateur van DRZ heeft geen schade anders dan normale gebruikersschade geconstateerd. Voor zover eiser meent dat de taxateur van DRZ niet deskundig is, overweegt de rechtbank dat het verweerder vrij staat om een deskundige naar eigen keuze in te schakelen. Het bepaalde in artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 staat daar niet aan in de weg, omdat dit betrekking heeft op de door de belastingplichtige in te schakelen taxateur. In het kader van deze procedure beschouwt de rechtbank de taxateur van DRZ als een partijdeskundige, omdat hij door verweerder is aangezocht om een oordeel te geven over de waarde van de auto. De rechtbank heeft, afgaande op de inhoud van het DRZ-rapport en de daarop gegeven toelichting, geen reden aan de deskundigheid of de onafhankelijkheid van de (her)taxateur te twijfelen.
Waardevermindering wegens schade
16. De bewijslast dat de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiser gesteld, in mindering komt bij de waardebepaling van de auto, rust op eiser. Hij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de auto ten tijde van het doen van aangifte meer schade had dan door DRZ en verweerder is onderkend. Met het rapport en de daarbij gevoegde foto’s wordt onvoldoende uitsluitsel gegeven over aard en omvang van de gestelde schade. Nog daargelaten of dat taxatierapport reeds vanwege diverse formele en materiële gebreken die daaraan kleven van het bewijs dient te worden uitgesloten en dient te worden verworpen, zoals verweerder in zijn pleitnota bepleit, kan de rechtbank uit de bijbehorende foto’s in ieder geval niet afleiden dat er daadwerkelijk sprake was van schade, anders dan normale gebruikersschade. Ook overigens heeft eiser dat niet aannemelijk gemaakt. Dat binnen de branche beleid is ontwikkeld over het onderscheid tussen normale gebruikssporen en echte schade en dat een of meer van de volgens dat beleid geldende schade zich voordoet bij de auto, kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder noch DRZ is gebonden aan beleid dat binnen de branche zou zijn ontwikkeld. Afgezien daarvan heeft eiser niet dan wel onvoldoende geconcretiseerd welke beschadigingen volgens eiser dan ten onrechte als normale gebruikssporen zijn aangemerkt.
17. Verweerder heeft er in dit verband ook terecht op gewezen dat de auto op 5 mei 2022 in Italië is aangekocht voor € 31.000 (exclusief Bpm) en dat op de aankoopnota ook niet wordt gesproken over schade. Nu het aankoopbedrag reeds hoger is dan de waarde uit de koerslijst X-Ray van € 29.140, impliceert ook dit dat geen sprake is geweest van enige (noemenswaardige) schade, aldus – terecht – verweerder.
18. Het vorenstaande betekent ook dat, nu is komen vast te staan dat de auto geen schade had (anders dan normale gebruikersschade), de taxatiemethode voor eiser niet open staat. Reeds daarom kan het bij de aangifte overgelegde taxatierapport niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm.
Referentievoertuig, Historische nieuwprijs en Handelsinkoopwaarde
19. Verweerder heeft in zijn pleitnota aangevoerd dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van de koerslijst uit het DRZ rapport met een handelswaarde van € 29.140, omdat DRZ geen beschikking had over de fabrieksinformatie van het voertuig en daarom de aangever heeft gevolgd waar het gaat over de typeselectie. Verweerder heeft geconstateerd dat het gekozen referentievoertuig ‘Land Rover Range Rover Evoque – 2.0 P200 AWD S’ niet het meest vergelijkbare voertuig is en de opties niet juist zijn geselecteerd, omdat:
i. i) op de foto’s van het voertuig te zien is dat het een ‘R-Dynamic’ uitvoering betreft (zie foto 77 van de foto’s in het DRZ rapport); en
ii) het voertuig is voorzien van 20 inch velgen (zie foto 24 van het DRZ rapport). Gelet daarop is de ‘Land Rover Range Rover Evoque – 2.0 P200 AWD R-Dynamic S’ het meest vergelijkbare voertuig, aldus verweerder, welk voertuig ook een andere netto catalogusprijs en handelsinkoopwaarde heeft, met voor de historische nieuwprijs de volgende gevolgen:
Uitgaande van de netto catalogusprijs van het meest vergelijkbare voertuig vermeerderd met de Btw en Bpm van onderwerpelijk voertuig bedraagt de historische nieuwprijs € 82.033:
Netto catalogusprijs : € 49.052
BTW 21% : € 10.300
Bruto bpm : € 19.941
Historische nieuwprijs : € 82.033
Hieruit volgt dat bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een te lage historische nieuwprijs, aldus weer verweerder.
20. Verweerder heeft bij zijn pleitnota een uitdraai van de koerslijst Autotelexpro van het volgens hem juiste (het meest vergelijkbare) referentievoertuig overgelegd, welke een handelsinkoopwaarde toont € 38.646. Verweerder concludeert terecht dat indien deze waarde wordt afgezet tegen de hogere historische nieuwprijs, dit een afschrijvingspercentage oplevert van € 52,89%, hetgeen lager is dan het afschrijvingspercentage van 61,96% waar bij het opleggen van de naheffing vanuit is gegaan. De rechtbank volgt verweerder in het vorenstaande; de rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van zijn stelling dat de ‘Land Rover Range Rover Evoque – 2.0 P200 AWD R-Dynamic S’ het meest vergelijkbare voertuig is, en ook niet aan zijn daarop gebaseerde conclusies of de berekeningen waarop die zijn gebaseerd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit betekent dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is opgelegd.
21. Verweerder concludeert ook terecht dat de aldus berekende handelswaarde ook aanmerkelijk beter aansluit bij de door eiser betaalde prijs voor het voertuig; ook dat ondersteunt dat dit een aanmerkelijk betere benadering van de werkelijke waarde is.
22. Het vorenstaande betekent ook dat een switch naar de koerslijstmethode, wat eiser subsidiair bepleit, eiser niet in een betere positie kan brengen. De rechtbank volgt eiser hierbij verder niet in zijn ter zitting ingenomen standpunt dat de pleitnota van verweerder, althans de daarin opgenomen standpunten en stellingen over de typeselectie en de juiste koerslijst (zie onder 18. en 19.) tardief zijn. Het betreft een nadere vaststelling van de feiten door verweerder, dat is geoorloofd en niet in strijd met een goede procesorde. Op basis van de gegevens die al eerder zijn overgelegd, is nu uiteindelijk komen vast te staan dat de door eiser aangegeven en eerst door verweerder gevolgde typeselectie onjuist was en dat het in werkelijkheid om een auto gaat zoals door verweerder weergegeven in zijn pleitnota. Eiser moet dat ook weten, niet alleen omdat hij de auto heeft gekocht maar ook omdat de bewuste type- en uitvoering bepalende kenmerken/eigenschappen duidelijk waarneembaar zijn, zoals ook blijkt uit de tot de gedingstukken behorende foto’s. Dan kan het alsnog aanpassen van de typeselectie naar het juiste type niet tardief zijn.
Vertrouwensbeginsel en beleid
23. Het beroep dat eiser in zijn nader stuk heeft gedaan op het vertrouwensbeginsel, meer specifiek het beleid dat kleine CO2-verschillen de toepassing van de koerslijst niet verhinderen, kan hem hier niet baten. Zoals verweerder terecht op wijst, doet de situatie beschreven in de werkafspraak waaraan door eiser in dit verband wordt gerefereerd, zich hier niet voor. Immers, door verweerder is niet gesteld dat de door eiser gebruikte koerslijst van XRay niet gebruikt kan worden vanwege het verschil in CO2-uitstoot, waarop het bewuste beleid ziet. In tegendeel; verweerder gaat juist ook uit van een handelsinkoopwaarde blijkens een koerslijst (die van AutotelexPro), welke waarde eveneens is gebaseerd op een referentievoertuig met een CO2-uitstoot van 173 gr/km NEDC, met aldus een afwijkende uitstootwaarde van het importvoertuig (176 gr/km NEDC).
24. Voor zover eiser meent dat verweerder niet terug mag komen op de eerder door hem gehanteerde handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, volgt de rechtbank hem daarin niet. Zoals verweerder terecht aanvoert, heeft hij nimmer een uitdrukkelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat. Nu deze onderdeel van het geschil vormt (verweerder is immers afgeweken van de in de aangifte opgenomen gegevens) kan aan het feit dat verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een bepaalde handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde) staat niet het vertrouwen worden ontleend dat verweerder lopende een bezwaar- of beroepsprocedure niet daarvan afwijkt indien de feiten en omstandigheden dat wel rechtvaardigen, zoals hier aan de orde. Dat geldt temeer dat eiser zelf ook terugkomt op eerder door hem verdedigde waarden, zoals de historische nieuwprijs. Ook dit beroep op het vertrouwensbeginsel faalt dus.
(…)
28. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
29. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 26 juli 2022 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 21 juni 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 10 juni 2025 gedaan. Dat is dus bijna 35 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met 11 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 21 juni 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding voor 5/11 deel aan de bezwaarfase te worden toegerekend en voor 6/11 aan de beroepsfase.
30. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent dat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000. Daarvan dient € 455 door verweerder te worden vergoed en € 545 door de Staat.
Proceskosten
31. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[5] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 226,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25).
(…)
[1] HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:653, r.o. 5.9.2.
[2] Aanhangsel Handelingen II 2017/18, nr. 1401, p. 2; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 46, p. 1; Kamerstukken II 2016/17, 34 553, nr. 5, p. 5; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr 48, p. 42; Kamerstukken II 2018/19, 32 800, nr. 56, p. 45.
[3] Vgl. HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY9000, r.o. 3.3.
[4] Zie bijvoorbeeld HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:589, r.o. 2.3.
[5] ECLI:NL:HR:2023:1526.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de waardevermindering wegens schade op het juiste bedrag is vastgesteld en of belanghebbende recht heeft op een hoger bedrag aan (proces)kostenvergoeding dan vastgesteld door de Rechtbank.
Primair stelt belanghebbende dat de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat de door haar overgelegde koerslijst gevolgd moet worden en dat gelet daarop de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op € 30.322, de historische nieuwprijs op € 82.033 en de verschuldigde bpm op € 7.373. Alsdan dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 3.906. Voorts verzoekt belanghebbende om vergoeding van de proceskosten voor alle fasen.
De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.906.
Beoordeling van het hoger beroep
Schade
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De taxateur van DRZ heeft geen schade geconstateerd en gemeld dat geen schade is aangetroffen aan de auto dan wel dat sprake is van normale gebruiksschade. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur het oordeel van de taxateur van DRZ gevolgd. Belanghebbende stelt dat DRZ geen schade heeft geconstateerd en verwijst daarbij naar het taxatierapport en heeft in dat kader in zijn verweerschrift nogmaals foto’s van de gestelde schade opgenomen.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende met de door haar overgelegde foto’s niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van andere schade dan gebruiksschade. Op de foto’s zijn voornamelijk krassen te zien en lichte schade aan bijvoorbeeld bekleding. Dit is door DRZ terecht als gebruiksschade beschouwd. Daarnaast heeft belanghebbende ook geen facturen voor schadeherstel of ander bewijs overgelegd waaruit eventueel in aanmerking te nemen schade blijkt. Gelet hierop heeft de Inspecteur terecht geen rekening gehouden met schade.
Koerslijst XRAY
Niet meer in geschil is dat belanghebbende een beroep kan doen op een verbeterde koerslijst XRAY. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift in hoger beroep het standpunt ingenomen dat belanghebbende een beroep kan doen op deze koerslijst en dat in verband daarmee de handelsinkoopwaarde moet worden vastgesteld op € 30.322 en de historische nieuwprijs op € 82.033, waarbij de verschuldigde bpm € 7.373 bedraagt. De naheffingsaanslag kan dan worden verminderd tot € 3.906. Het hoger beroep van belanghebbende is in zoverre gegrond.
Slotsom
Het hoger beroep is gegrond.
Proceskosten en griffierecht
Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in bezwaar, beroep en hoger beroep. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 333 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase (bijwonen van de hoorzitting, 1 punt à € 666 x 0,5 (gewicht van de zaak)), € 934 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor de Rechtbank (2 punten à € 934 x 0,5 (gewicht van de zaak)) en € 934 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof (2 punten à € 934 x 0,5 (gewicht van de zaak)), in totaal derhalve op € 2.201.
Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in beroep en hoger beroep gestorte griffierecht van respectievelijk € 184 en € 289 te worden vergoed.
Beslissing
Het Gerechtshof:
-
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de vergoeding van immateriële schade;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar;
-
vermindert de naheffingsaanslag tot € 3.906;
-
veroordeelt de Inspecteur in de (proces)kosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.201, en
-
gelast de Inspecteur aan belanghebbende een bedrag van € 184 aan griffierecht voor het beroep en een bedrag van € 289 aan griffierecht voor het hoger beroep te vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, M.J.M. van der Weijden en L.D.M.A. Reijs, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd W. de Wit
De beslissing is op 19 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.