Belastingrecht
BPM. Belanghebbende heeft schade aan de tussenbak ten tijde van de registratie van de auto, niet aannemelijk…
Gerechtshof Den Haag, 2 juni 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2876 · Gerechtshof Den Haag · 2 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2876
Zaakgegevens
Op 2 juni 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Datum publicatie
- 17 september 2026
- Zaaknummer
- BK-25/552
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2876
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BPM. Belanghebbende heeft schade aan de tussenbak ten tijde van de registratie van de auto, niet aannemelijk gemaakt. Het hoger beroep is ongegrond.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/552
Uitspraak van 2 juni 2026
in het geding tussen:
[X] h.o.d.n. [X-1] , te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 20 juni 2025, nummer SGR 23/7494.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.115 (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank verklaart:
- het beroep ongegrond, en
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,37;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 113,37;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 184 voor de helft aan eiseres te vergoeden, en
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) het door eiseres betaalde griffierecht van € 184 voor de helft aan eiseres te vergoeden.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een bedrag aan griffierecht geheven van € 289.
De Inspecteur heeft verweer gevoerd.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op 27 juni 2022 aangifte bpm gedaan ter zake van een uit het buitenland afkomstige Land Rover Range Rover Sport 3.0 TDV6 HSE (de auto). De datum van de eerste toelating van de auto is 27 januari 2017.
In de aangifte bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] . De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 17 juni 2022. Het taxatierapport vermeldt onder meer:
Historische nieuwprijs € 117.227
Handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) € 25.458
Schade € 20.418 (72% van € 28.356)
Handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) € 5.040
Bruto bpm € 26.892
De RDW heeft de auto op 23 juni 2022 gekeurd.
In de aangifte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 182 g/km (NEDC).
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 1.153 aan bpm voldaan.
Door Domeinen Roerende Zaken (DRZ) is een hertaxatie uitgevoerd op 6 juli 2022. Het DRZ-rapport vermeldt onder meer:
Historische nieuwprijs € 121.756
Netto catalogusprijs € 75.619
Handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) € 30.826
Schade € 2.434 (72% van € 3.380)
Handelsinkoopwaarde (in beschadigde staat) € 28.392
De Inspecteur heeft met dagtekening 6 januari 2023 een naheffingsaanslag bpm opgelegd van € 5.115.
Een tot de gedingstukken behorende offerte voor [belanghebbende] van [A V.O.F.] uit [woonplaats] van 22 juni 2022 vermeldt onder meer:
“OmschrijvingPrijs per stukBedrag
[nummer]
Tussenbak € 3.485,00 € 3.485,00
Cardan € 1.850,00 € 1.850,00
Arbeid € 1.100,00 € 1.100,00
Olie € 120,00 € 120,00
Totaal excl. BTW € 6.555,00
21% BTW € 1.376,55
Totaal incl. BTW € 7.931,55”
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“Hertaxatie DRZ
9. De bewijslast dat sprake is van meer schade aan de auto dan door DRZ is vastgesteld, rust op eiseres. Eiseres stelt dat het rapport van DRZ niet deugdelijk is en verwijst naar het door haar ingediende taxatierapport. In het beroepschrift heeft zij ook foto’s van enkele schadeposten opgenomen.
10. De rechtbank kan aan de foto’s in het taxatierapport niet zien dat sprake is van meer schade aan de auto dan door DRZ is vastgesteld. Ook uit de interieurfoto’s die zijn opgenomen in het beroepschrift kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van schade of, bijvoorbeeld, ongunstige lichtinval of viezigheid. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht ook geen reden om te twijfelen aan de deskundigheid of zorgvuldigheid van de taxateurs van DRZ. Zij zijn ook niet gebonden aan beleid dat wordt gevoerd door de autobranche en hetzelfde geldt voor verweerder.
(…)
Conclusie
14. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek op welk bedrag de waardevermindering vanwege schade dient te worden vastgesteld.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, tot primair vernietiging van de naheffingsaanslag, tot subsidiair, rekening houdend met een hoger bedrag aan schade en dienovereenkomstige vermindering van de inkoopwaarde en de verschuldigde bpm, een lagere naheffingsaanslag, en tot veroordeling van de Inspecteur in de (proces)kosten.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Schade
Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de belastingplichtige die stelt recht te hebben op een vermindering van belasting, de daarvoor benodigde feiten moet stellen en bij betwisting aannemelijk moet maken. De beoordelaar van DRZ heeft schade in aanmerking genomen. De afwijzing van de overige door belanghebbende gestelde schade is in het rapport van DRZ toegelicht. Belanghebbende stelt dat DRZ ten onrechte te weinig schade in aanmerking heeft genomen en verwijst daarbij naar het taxatierapport met daarin een offerte voor een nieuwe tussenbak en aanverwante onderdelen (zie onder 2.8).
De Rechtbank heeft op goede gronden beslist dat niet meer schade in aanmerking hoeft te worden genomen dan DRZ heeft gedaan. Het enkele wijzen op foto’s onder opgave van de daaraan verbonden reparatiekosten in een taxatierapport is, tegenover de gemotiveerde betwisting van de Inspecteur met het rapport van DRZ met foto’s niet voldoende om meer schade aannemelijk te maken. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de auto ten tijde van de aangifte meer dan vijf jaar oud is en een kilometerstand heeft van ongeveer 146.000. Op de foto’s in het taxatierapport is, behalve normale gebruikssporen en reflecties, niets bijzonders te zien aan de auto.
Belanghebbende heeft nog gesteld dat, gelet op de offerte bij het taxatierapport, ten onrechte geen rekening is gehouden met schade aan de tussenbak.
Het Hof is met de Inspecteur van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om enige schade aan de tussenbak (en/of de cardanas) in aanmerking te nemen. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat de taxateur van belanghebbende de technische staat van de auto in het taxatierapport vermeldt als “GOED”, niets vermeldt over de tussenbak en slechts onder “BIJKOMENDE KOSTEN” vermeldt “ONDERDELEN VERNIEUWEN VOLGENS OFFERTE 6.555,00”, terwijl de RDW en DRZ niets hebben geconstateerd en de auto rijdend naar DRZ is gekomen. Een rekening voor nadien aan de tussenbak uitgevoerde werkzaamheden, eventueel in eigen beheer, is niet overgelegd.
Belanghebbende heeft derhalve naar het oordeel van het Hof schade aan de tussenbak ten tijde van het belastbare feit, de registratie van de auto, niet aannemelijk gemaakt.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd W. de Wit
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.