Belastingrecht
BPM. Vertrouwensbeginsel faalt. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit…
Gerechtshof Den Haag, 2 juni 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2877 · Gerechtshof Den Haag · 2 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2877
Zaakgegevens
Op 2 juni 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Datum publicatie
- 17 september 2026
- Zaaknummer
- BK-25/574
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2877
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BPM. Vertrouwensbeginsel faalt. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de stelling dat zij uit uitlatingen van DRZ of de Inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het tijdsverloop tussen de hertaxatie en het opleggen van de naheffingsaanslag rechtvaardigt evenmin de conclusie dat belanghebbende mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het de Inspecteur vrijstond met een beroep op interne compensatie te concluderen dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, waardoor er geen reden is om de naheffingsaanslag te verminderen. Het Hof gaat voorbij aan de door belanghebbende pas in hoger beroep ingebrachte koerslijst XRAY.
Procesgang
Rechtbank Den Haag · 26 juni 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:11419Gerechtshof Den Haag · 2 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2877
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/574
Uitspraak van 2 juni 2026
in het geding tussen:
[X] B.V., statutair gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 juni 2025, nummer SGR 23/8349.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.427 (de naheffingsaanslag). Daarbij is tevens € 21 aan belastingrente in rekening gebracht.
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft beslist, waarbij belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder is aangeduid:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 227;
- draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.”
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep is een bedrag aan griffierecht geheven van € 579. De Inspecteur heeft verweer gevoerd.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 22 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft aangifte bpm gedaan van een Audi A3 (de auto). De auto is door belanghebbende gekocht voor een bedrag van € 45.000. Op 8 september 2021 is de auto door de RDW gekeurd.
Een taxateur heeft de auto op 13 augustus 2021 geïnspecteerd en een taxatierapport opgesteld. De handelsinkoopwaarde van de auto is op basis daarvan bepaald op € 13.360. Daarbij is de XRAY-koerslijstwaarde als uitgangspunt genomen en daarop is vervolgens een waardevermindering vanwege schade toegepast. De historische nieuwprijs van de auto is door de taxateur bepaald op € 86.851.
In de aangifte is uiteindelijk uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van € 10.330. De op de aangifte verschuldigde bpm van € 3.130 is door belanghebbende voldaan.
Op 15 september 2021 heeft een hertaxatie door Domeinen Roerende Zaken (DRZ) plaatsgevonden. In de rapportage meldt DRZ bij het onderdeel ‘Overige opmerkingen’:
“De consumentenprijs van de aangever is niet toereikend, volgens de VWE Vin gegevens heeft het voertuig meer opties.”
De handelsinkoopwaarde bedraagt volgens DRZ € 35.170. Daarbij gaat DRZ uit van een nieuw gegenereerde XRAY-koerslijstwaarde en is geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen. De historische nieuwprijs is door DRZ bepaald op € 99.633.
De naheffingsaanslag bedraagt € 5.427. Daarbij is € 21 aan belastingrente in rekening gebracht. Bij de vaststelling van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 99.633 en een handelsinkoopwaarde van € 35.170. Er is daarbij geen waardevermindering vanwege schade in aanmerking genomen.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“7 In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of, gelet op de tijdspanne tussen hertaxatie en aanslagoplegging nog wel een naheffingsaanslag mocht worden opgelegd. Indien een naheffingsaanslag mocht worden opgelegd, zijn de huidige inkoopwaarde en de historische nieuwprijs van de auto in geschil.
8. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan.[1] Verweerder heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is, dat er beleid bestaat dat verweerder ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen of dat door DRZ of verweerder na de schouw uitlatingen zijn gedaan waaruit eiseres heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop rechtvaardigt niet de conclusie dat eiseres redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Van een schending van het vertrouwensbeginsel is geen sprake. Verweerder was bevoegd om een naheffingsaanslag op te leggen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is de door de taxateur bepaalde handelsinkoopwaarde niet goed bruikbaar. Door verweerder is toegelicht dat de X-ray koerslijst in onderhavige geval niet geschikt is, omdat een aantal fabrieksopties van de auto bij de totstandkoming van de koerslijst niet kunnen worden aangevinkt en om die reden onder “overige opties” zijn opgenomen. Verweerder heeft tevens toegelicht dat overige opties sneller afschrijven dan fabrieksopties zodat de Xray koerslijstwaarde lager is dan de handelsinkoopwaarde. Voorts stroken de bevindingen van de taxateur noch met de bevindingen van DRZ, noch met het eigen aankoopcijfer van de auto waarvan ter zitting niet is bestreden dat deze € 45.000 (exclusief BTW en Bpm) bedraagt. Dat de aankoopprijs ziet op een transactie met een autohandelaar, maakt niet dat aan het eigen aankoopcijfer voorbij moet worden gegaan.
10. Voor zover eiseres wordt gevolgd in haar subsidiaire standpunt dat moet worden uitgegaan van historische nieuwprijs dan € 101.044, slaagt het beroep dat verweerder doet op interne compensatie. Gelet op hetgeen hierboven over de Xray-koerslijst is overwogen acht de rechtbank aannemelijk dat de handelsinkoopwaarde hoger is dan het bedrag van € 35.170, waar bij de oplegging van de naheffingsaanslag van is uitgegaan. Verweerder bepleit primair een handelsinkoopwaarde van € 57.580. Subsidiair stelt verweerder dat de handelsinkoopwaarde moet worden bepaald op € 40.418, zijnde de koerslijstwaarde volgens AutotelexPro. Gelet op het eigen aankoopcijfer van € 45.000 acht de rechtbank een handelsinkoopwaarde van € 57.580 aannemelijk. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, ook indien het subsidiaire standpunt van verweerder gevolgd wordt en uitgegaan wordt van een historische nieuwprijs van € 101.044 en een handelsinkoopwaarde van € 40.418, de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog zou zijn vastgesteld. Aan de omstandigheid dat verweerder bij de aanslagoplegging is uitgegaan van een lagere handelsinkoopwaarde kan geen vertrouwen worden ontleend.
11. Tegen de in rekening gebrachte belastingrente zijn geen afzonderlijke gronden ingediend. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.
12. Gelet op het voorgaande is de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
13. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 29 december 2022 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 10 november 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 26 juni 2025 gedaan. Dat is afgerond 2 jaar en ruim 5 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met ruim 5 maanden is overschreden. Eiseres heeft dan ook recht op vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500. De overschrijding dient te worden toegerekend aan de bezwaarfase.
14 Nu aan eiseres een vergoeding van immateriële schade wordt toegekend, ziet de rechtbank aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten stelt de rechtbank met inachtneming van het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[2] en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op (afgerond) € 227 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en wegingsfactor van 0,25).
(…)
[1] Artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
[2] ECLI:NL:HR:2023:1526.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, meer specifiek of de handelsinkoopwaarde op het juiste bedrag is vastgesteld.
Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en:
-
primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag op grond van het vertrouwensbeginsel;
-
subsidiair tot vaststelling van de historische nieuwprijs van de auto op € 101.007, tot vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto op € 35.267, tot vaststelling van de verschuldigde bpm op € 8.468 en tot vaststelling van de naheffingsaanslag op € 5.338.
Voorts verzoekt belanghebbende vergoeding van de proceskosten in hoger beroep, beroep en bezwaar en verzoekt belanghebbende de Inspecteur te veroordelen in de kosten van € 69,95 van het opvragen van een XRAY-koerslijst met gespecificeerde opties door de gemachtigde van belanghebbende.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
Belanghebbende stelt in hoger beroep opnieuw dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd in verband met het lange tijdsverloop tussen het moment van de hertaxatie door DRZ op 15 september 2021 en het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag op 16 december 2022. Door dit lange stilzitten heeft de Inspecteur, aldus belanghebbende, het vertrouwen gewekt dat de door belanghebbende aangegeven bpm juist is en dat hij daarop niet meer zou terugkomen. Ook een impliciete gedraging kan door een redelijk denkende belastingplichtige als een standpuntbepaling van de Belastingdienst worden gezien. De Inspecteur had direct na de hertaxatie door DRZ de naheffingsaanslag kunnen opleggen. Dat is voor belanghebbende ook nog eens van groot belang, omdat belanghebbende de mogelijkheid heeft het voertuig te exporteren indien hij niet tevreden is over het bedrag dat hij op aangifte en naheffing heeft moeten voldoen, waarna de bpm zou worden teruggegeven op de voet van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm). Dit geldt op de voet van artikel 16 Wet bpm ook in het geval geen gebruik van de weg wordt gemaakt. Deze mogelijkheid wordt belanghebbende op deze wijze ontnomen, nu hij immers niet verwacht na een jaar en drie maanden nog te worden geconfronteerd met een naheffingsaanslag.
De Inspecteur betwist dat belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt. Niet alleen komt belanghebbende, aldus de Inspecteur, geen beroep op het vertrouwensbeginsel toe omdat belanghebbende een aangifte bpm (en een daarbij gevoegd taxatierapport) heeft ingediend waarvan op voorhand al vaststaat dat deze niet aan de wettelijke vereisten voldoet, maar voorts geldt dat door de Inspecteur geen vertrouwen is gewekt en dat geen sprake is van treuzelen of stilzitten zoals gesteld door belanghebbende, hetgeen ook nog eens niet is onderbouwd door belanghebbende.
De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan (artikel 20, lid 3, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De Inspecteur heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslag deze termijn niet overschreden. Gesteld noch gebleken is, dat er beleid bestaat dat de Inspecteur ertoe dwingt binnen een bepaalde periode na de schouw door DRZ de naheffingsaanslag op te leggen. Belanghebbende heeft onvoldoende aangedragen voor de (eventuele) stelling dat hij uit uitlatingen van DRZ of de Inspecteur na de schouw heeft mogen afleiden dat geen naheffingsaanslag zou volgen. Het enkele tijdsverloop tussen hertaxatie en het opleggen van de naheffingsaanslag rechtvaardigt evenmin de conclusie dat belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat geen naheffingsaanslag zou worden opgelegd. Het beroep op gewekt vertrouwen slaagt niet.
Belanghebbende stelt voorts dat uit de door haar in hoger beroep ingebrachte koerslijst XRAY een nauwkeurigere waarde van de opties kan worden bepaald dan uit de door de Inspecteur voor de naheffingsaanslag gebruikte koerslijst XRAY. In de door belanghebbende gegenereerde koerslijst XRAY zijn alle beschikbare opties en pakketten aangevinkt en de niet-aanvinkbare opties gespecificeerd opgenomen onder “overig”. Dit resulteert aldus belanghebbende in een andere historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde en uiteindelijk in een lager bedrag aan verschuldigde bpm. Het gebruik door de Inspecteur van de koerslijst AutotelexPro, waar de opties ook afzonderlijk en gespecificeerd zijn aangevinkt, doet hier niets aan af, nu het belanghebbende vrij stond een andere koerslijst te gebruiken.
De Inspecteur stelt dat de Rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat hij de door de taxateur van belanghebbende gebruikte koerslijst terzijde kon schuiven en terecht tot de conclusie kon komen dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Daarbij mocht de Inspecteur terecht verwijzen naar de koerslijst AutotelexPro nu deze tot een betere benadering van de handelsinkoopwaarde leidt en de opties hierin ook specifiek zijn opgenomen.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat het de Inspecteur vrijstond met een beroep op interne compensatie te concluderen dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld, waardoor er geen reden is om de naheffingsaanslag te verminderen. De Inspecteur heeft in dat kader overtuigend betoogd dat, gelet op de aankoopprijs van € 45.000, de handelsinkoopwaarde van de auto hoger ligt dan het bedrag van € 35.170 dat is gebruikt voor het vaststellen van de naheffingsaanslag en dat volgt uit de koerslijst XRAY van DRZ. De handelsinkoopwaarde (in onbeschadigde staat) zou eerder in de richting van een bedrag van € 57.580 moeten gaan wanneer met de aangegeven bpm en de omzetbelasting over de aankoopprijs rekening wordt gehouden. Dit volgt ook uit de koerslijst AutotelexPro die tot een handelsinkoopwaarde van € 40.418 komt. Gelet hierop kan worden voorbijgegaan aan de door belanghebbende eerst in hoger beroep ingebrachte koerslijst XRAY. Er is geen aanleiding de naheffingsaanslag te verminderen.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en M.J.M. van der Weijden, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd W. de Wit
De beslissing is op 2 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.