Belastingrecht

Naheffing bpm. Interne compensatie. Essentiële gebreken. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet…

Gerechtshof Den Haag, 24 juni 2026

Zaakgegevens

Op 24 juni 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
24 juni 2026
Datum publicatie
17 september 2026
Zaaknummer
BK-25/585
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2881
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Naheffing bpm. Interne compensatie. Essentiële gebreken. Beroep op vertrouwensbeginsel slaagt niet. Inspecteur heeft ten onrechte rekening gehouden met een waardevermindering wegens schade. Naheffingsaanslag niet naar een te hoog bedrag vastgesteld. Hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/585

Uitspraak van 24 juni 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: S.M. Bothof)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 juli 2025, nr. SGR 23/8112.

Procesverloop

1.1.

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 9.547 (de naheffingsaanslag).

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 184. De Rechtbank heeft als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond.

  • veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;

  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 250;

  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,38;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 113,38;

  • draagt de Staat en verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiser.”

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk verweer gevoerd. Belanghebbende heeft op 5 maart 2026 nadere stukken ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft op aangifte met dagtekening 26 oktober 2021 een bedrag van € 7.233 aan bpm voldaan ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz G-Klasse 63 AMG (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 3 maart 2017.

2.2.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan op basis van een taxatierapport van [naam taxateur] B.V. (de taxateur). Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 251.037, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 93.400 en de

handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 22.000.

2.3.

De auto is op 26 oktober 2021 door de RDW gekeurd. De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 322 g/km NEDC. De RDW heeft na de keuring de auto een WOK-status gegeven. Op 6 januari 2023 is de auto door de RDW opnieuw gekeurd en is de WOK-status opgeheven.

2.4.

Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft op 5 november 2021 een onderzoek waardebepaling uitgevoerd. Het DRZ-rapport is gedagtekend 15 november 2021 en op 29 november 2022 gecorrigeerd. DRZ heeft de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 251.514, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 103.799 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 52.742.

2.5.

Naar aanleiding van het onderzoek waardebepaling heeft de Inspecteur met dagtekening 27 januari 2023 een naheffingsaanslag bpm opgelegd waarbij hij is uitgegaan van de gegevens van DRZ.

2.6.

In hoger beroep heeft belanghebbende e-mailcorrespondentie met de RDW overgelegd waarin onder meer staat:

“Het voertuig met kenteken [kenteken] is op 26 oktober 2021 aangeboden voor een invoerkeuring. Tijdens deze invoerkeuring is door de RDW geconstateerd dat het een schadevoertuig betreft. Hiervan is uw cliënt op dat moment schriftelijk op de hoogte gesteld. Het voertuig voldeed aan één of meer van de schadecriteria zoals genoemd in de Regeling Voertuigen.

Als uiteindelijk op 22 oktober 2022 voor het voertuig een kenteken kan worden afgegeven, wordt op dat moment de WOK geplaatst. Hiervan is uw cliënt ook een brief gestuurd. Er is geen buitenlandse WOK overgenomen door de RDW.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

“Schade, hertaxatie door DRZ en handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat

9. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met schade aan de auto. Verder stelt hij dat DRZ geen deugdelijke hertaxatie heeft uitgevoerd. Voor wat betreft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat stelt eiser primair dat hij een beroep kan doen op het marktonderzoek van de taxateur en subsidiair dat moet worden uitgegaan van de waarde van de koerslijst Eurotax. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

10. Uit de hiervoor vermelde feiten volgt dat de auto ten tijde van de aangifte essentiële gebreken had. In zijn arrest van 26 maart 2021[2] heeft de Hoge Raad, kort samengevat, geoordeeld dat artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling bpm bewerkstelligt dat voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig met essentiële gebreken de volgens artikel 9 van de Wet bpm verschuldigde bpm wordt voldaan zonder toepassing van de in artikel 10 van de Wet bpm bedoelde vermindering.

11. Naar aanleiding van voormeld arrest heeft de Staatssecretaris van Financiën bij besluit van 27 september 2021 goedgekeurd dat indien een belanghebbende voor een motorrijtuig met een essentieel gebrek de aangifte bpm indient met een taxatierapport, de inspecteur kan naheffen op basis van de wettelijke tabel. Hierbij wordt belanghebbende de mogelijkheid geboden om binnen een door de inspecteur gestelde termijn zelf een koerslijst te overleggen.

12. In voormeld besluit heeft de Staatssecretaris voorts bepaald dat voor aangiften met taxatierapport voor motorrijtuigen met essentiële gebreken die zijn ingediend tussen de datum van het arrest (26 maart 2021) en de dag voorafgaand aan de plaatsing van het besluit in de Staatscourant, de inspecteur ter zake van de gehanteerde afschrijvingsmethodiek niet zal terugkomen op de door belastingplichtige gemaakte keuze hierin. Het besluit van 27 september 2021 is op 15 oktober 2021 gepubliceerd in de Staatscourant.

13. De aangifte bpm, gedagtekend 26 oktober 2021, is op 1 november 2021 door verweerder ontvangen. Het voorgaande brengt mee dat verweerder had moeten naheffen op basis van de forfaitaire tabel, waarbij hij eiser in de gelegenheid had moeten stellen om een koerslijst te overleggen. Dat is evenwel niet gebeurd. Verweerder heeft bij het berekenen van de verschuldigde bpm de taxatiemethode gebruikt en heeft daarbij de bevindingen van DRZ gevolgd. Aldus heeft verweerder ook rekening gehouden met schade aan de auto. Bij berekening op basis van de forfaitaire tabel zou de verschuldigde bpm aanzienlijk hoger zijn geweest. De naheffingsaanslag is daarom eerder te laag dan te hoog vastgesteld. Wat eiser heeft aangevoerd over schade aan de auto, de hertaxatie door DRZ en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat behoeft daarom geen behandeling meer.

14. DRZ heeft ter vaststelling van de handelsinkoopwaarde een marktonderzoek gedaan, waarbij vraagprijzen zijn vastgesteld, waarop een handelsmarge in mindering is gebracht. Voor de vaststelling van de handelsmarge heeft de taxateur van DRZ koerslijsten geraadpleegd. Deze koerslijsten zijn toegevoegd aan de door verweerder overgelegde gedingstukken. Ter zitting heeft eiser gesteld dat voorafgaande aan de zitting door hem een nader stuk is ingediend, waarin als subsidiaire stelling een beroep op één van de door verweerder overgelegde koerslijsten (te weten de Eurotax koerslijst) wordt gedaan. Dit stuk heeft de rechtbank niet ontvangen en het is ook bij verweerder niet bekend. Eiser heeft ter zitting alsnog een beroep gedaan op de door verweerder aan het dossier toegevoegde Eurotax koerslijst.

De rechtbank overweegt dat, nu verweerder ten onrechte heeft nagelaten eiser voorafgaande aan de vaststelling van de naheffingsaanslag in de gelegenheid te stellen alsnog een koerslijst over te leggen, eiser in de beroepsfase nog wel een beroep zou mogen doen op toepassing van een koerslijst, maar dat de goede procesorde eist dat dit verzoek schriftelijk en onder overlegging van de koerslijst door eiser wordt gedaan, zodat verweerder in staat is een gemotiveerde reactie te geven en de rechtbank het beroep kan beoordelen. De enkele mondelinge verwijzing naar een door verweerder overgelegde koerslijst, die niet is gebruikt voor de vaststelling van de handelsinkoopwaarde van de auto, maar slechts voor de vaststelling van de handelsmarge, volstaat niet. Dit klemt te meer nu niet duidelijk is of eiser daadwerkelijk wil switchen naar de koerslijstmethode of alleen slechts wil betogen dat de handelsinkoopwaarde van de auto moet worden vastgesteld op de handelsinkoopwaarde van de koerslijst minus de schade. De rechtbank passeert daarom dit beroep op de koerslijst Eurotax.

Vertrouwensbeginsel

15. Eiser heeft ten slotte nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het tijdsverloop tussen de hertaxatie door DRZ en het opleggen van de naheffingsaanslag ruim één jaar is. Door het lange stilzitten heeft verweerder het vertrouwen gewekt dat geen naheffingsaanslag meer zou worden opgelegd.

16. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Verweerder handelt niet in strijd met het vertrouwensbeginsel indien hij (binnen de wettelijke termijn) een naheffingsaanslag oplegt op een later tijdstip dan mogelijk zou zijn geweest. Door het enkele verstrijken van de door eiser genoemde tijd kan immers bij hem niet het in rechte te beschermen vertrouwen zijn opgewekt dat verweerder van naheffing zal afzien.[3]

Slotsom

17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

(…)

[2] ECLI:NL:HR:2021:415.

[3] ECLl:NL:HR:1980:AW9992.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en niet naar een te hoog bedrag is opgelegd.

4.2.

Belanghebbende concludeert tot partiële vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar, en:

- primair tot vernietiging van de naheffingsaanslag,

- subsidiair de handelsinkoopwaarde vast te stellen op € 28.928, de verschuldigde bpm op € 9.216 en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 1.983,

- meer subsidiair de handelsinkoopwaarde vast te stellen op € 49.271, de verschuldigde bpm op € 15.698 en de naheffingsaanslag te verminderen tot € 8.465.

Belanghebbende verzoekt voorts om een (proces)kostenvergoeding voor alle fasen van het geding.

4.3.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

Gewekt vertrouwen

5.1.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat deze ruim één jaar na de controle door DRZ is opgelegd. Het Hof volgt dit standpunt niet. De Inspecteur heeft vijf jaar de tijd om een naheffingsaanslag op te leggen en heeft na verloop van één jaar van deze bevoegdheid gebruikgemaakt. Deze periode is niet onredelijk lang. De Inspecteur heeft in de tussentijd niets gedaan dat bij belanghebbende de indruk heeft kunnen wekken dat de aangifte zou worden gevolgd. Het Hof onderschrijft het oordeel van de Rechtbank op dit punt.

Handelsinkoopwaarde

5.2.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de auto ten tijde van het indienen van de aangifte essentiële gebreken vertoonde waardoor met het voertuig niet mocht worden deelgenomen aan het verkeer. Artikel 8, lid 3, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2021) bewerkstelligt dat voor een vanuit het buitenland overgebracht, gebruikt motorrijtuig met essentiële gebreken de volgens artikel 9 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet bpm) verschuldigde bpm wordt voldaan zonder toepassing van de in artikel 10, lid 1, Wet bpm bedoelde vermindering (HR 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415).

5.3.

Belanghebbende doet met toepassing van artikel 10b Wet bpm en artikel 110 VWEU een beroep op eerder geldend begunstigend beleid (het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 27 september 2021, nr. 2021-110975, Staatscourant 2021, 43482). Hoewel de aangifte is gedaan na de intrekking van het begunstigende beleid, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het begunstigende beleid moet worden toegepast omdat anders wel een vermindering kan worden toegepast voor auto’s met essentiële gebreken waarvoor de aangifte vóór 15 oktober is gedaan en niet voor auto’s waarvoor de aangifte na die datum is gedaan. Dat onderscheid is in strijd met het artikel 110 VWEU, aldus belanghebbende.

5.4.

Anders dan belanghebbende meent, mist artikel 10b Wet bpm toepassing omdat dit artikel spreekt over de toepassing van wettelijke bepalingen. Beleid is geen wettelijke bepaling. Het beleid is ingetrokken en de aangifte is ingediend na de datum waarvoor de goedkeuring gold. Belanghebbende kan niet op de voet van artikel 10b Wet bpm alsnog een beroep op dit beleid doen.

5.5.

Het beroep op het beleid gaat ook met toepassing van artikel 110 VWEU niet op. In dat kader is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat in Nederland soortgelijke voertuigen rijden waarvan de bij belanghebbende niet-geaccepteerde schade wegens essentiële gebreken wel in aftrek is toegelaten. In die bewijslast is belanghebbende niet geslaagd nu zij zelfs geen begin van bewijs heeft geleverd dat soortgelijke voertuigen bestaan. Met een algemeen geformuleerd beroep op artikel 110 VWEU is belanghebbende niet in haar bewijslast geslaagd.

5.6.

Voor het geval het Hof van oordeel is dat belanghebbendes beroep op het begunstigende beleid niet opgaat, doet belanghebbende een beroep op het vertrouwensbeginsel omdat de Inspecteur bij het opleggen van de naheffingsaanslag de taxatiemethode heeft toegepast en kennelijk van mening was dat met een waardevermindering vanwege schade rekening kon worden gehouden.

5.7.

Het Hof volgt belanghebbende niet in haar standpunt. De Inspecteur heeft in de bezwaarfase geen enkel standpunt ingenomen als gevolg waarvan hij zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Verder geldt dat de Inspecteur geen toezegging heeft gedaan dat het standpunt over het bestaan van essentiële gebreken niet zou worden betrokken in het verloop van de procedure. Het staat de Inspecteur dan ook vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Dit geldt eens te meer nu belanghebbende – zoals de Inspecteur terecht aanvoert – niet te goeder trouw is, aangezien zij aangifte heeft gedaan met gebruik van een taxatierapport dat niet aan de wettelijke vereisten voldoet en diverse gebreken bevat. Zo is onder meer een deel van de gestelde schade bij het onderzoek waardebepaling niet aangetroffen, is zonder goede onderbouwing een 30% handelsmarge in aanmerking genomen en is rekening gehouden met een onbekend schadeverleden.

5.8.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Inspecteur ten onrechte rekening heeft gehouden met een waardevermindering wegens schade. Het standpunt van belanghebbende dat de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 100.328 moet worden vastgesteld (koerslijst Eurotaxglass’s) behoeft dan ook geen behandeling. De Inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslag namelijk van een lagere handelsinkoopwaarde uitgegaan, omdat hij ten onrechte wel rekening heeft gehouden met een waardevermindering wegens schade. De naheffingsaanslag is dan ook eerder naar een veel te laag dan een te hoog bedrag opgelegd.

Slotsom

5.9.

Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.

De griffier, de voorzitter,

L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs

De beslissing is op 24 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.