Belastingrecht
BPM. Premium of Premium Plus? Hof gaat uit van voertuig als geheel bij zoeken naar referentievoertuigen…
Gerechtshof Den Haag, 24 juni 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2884 · Gerechtshof Den Haag · 24 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2884
Zaakgegevens
Op 24 juni 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 24 juni 2026
- Datum publicatie
- 17 september 2026
- Zaaknummer
- BK-25/595
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2884
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
BPM. Premium of Premium Plus? Hof gaat uit van voertuig als geheel bij zoeken naar referentievoertuigen. Complex-aanpak maakt vergelijking van voertuigen en dus uitvoeren van toets 110 VWEU gemakkelijker, omdat discussie over verschil tussen standaard uitrusting en fabrieksopties wordt voorkomen. Hof komt tot conclusie dat de Premium Plus-uitvoering het meest vergelijkbaar is met de auto van belanghebbende. Koerslijst XRAY die belanghebbende pas in hoger beroep heeft overgelegd en uitgaat van Premium-uitvoering kan niet dienen. Taxatierapport belanghebbende kan niet dienen ter bepaling van waardevermindering wegens schade. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat met hoger bedrag aan schade dan door DRZ gecalculeerd bedrag rekening moet worden gehouden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat Inspecteur afschrijvingspercentage – zelfs als zou worden uitgegaan van 72% schadeaftrek – te laag heeft vastgesteld.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/595
Uitspraak van 24 juni 2026
in het geding tussen:
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: S.M. Bothof)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 8 juli 2025, nummer SGR 24/279.
Procesverloop
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (bpm) opgelegd van € 5.112 (de naheffingsaanslag).
Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van het beroep is een griffierecht geheven van € 365. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van immateriële schade afgewezen.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht van € 579 geheven. De Inspecteur heeft bij nader stuk verweer gevoerd. Belanghebbende heeft op 5 mei 2026 een pleitnota ingediend.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 13 mei 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 7.090 aan bpm voldaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes Benz GLE-klasse 450 4MATIC (de auto). De aangifte vermeldt Premium Plus. Bij de vaststelling van de afschrijving is gebruik gemaakt van een taxatierapport. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 114.599, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 49.500 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 30.300. De taxateur heeft de schade bepaald op € 19.237,41 en een bedrag van € 19.200 in aftrek gebracht. De auto is gekocht voor € 64.668,07 (exclusief btw en bpm).
Domeinen Roerende Zaken (DRZ) heeft een hertaxatie uitgevoerd. In het DRZ-rapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 120.940, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 61.406 en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat op € 60.058.
Naar aanleiding van de hertaxatie heeft de Inspecteur een naheffingsaanslag bpm opgelegd. Voor de afschrijving is de Inspecteur uitgegaan van de forfaitaire tabel. De naheffingsaanslag bedraagt € 5.112 (€ 12.202 -/- € 7.090).
In hoger beroep heeft belanghebbende een nieuwe koerslijst XRAY overgelegd en de Inspecteur een nieuwe koerslijst AutotelexPro (ATP).
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, als volgt overwogen en geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“5. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij op digitale wijze een nader stuk heeft ingediend. De rechtbank heeft dat stuk evenwel niet ontvangen. Eiseres heeft daarom ter zitting verzocht om aanhouding van de zaak opdat zij dat stuk alsnog kan indienen. De rechtbank heeft dat verzoek. Eiseres had moeten verifiëren of het stuk in het digitale dossier was opgenomen. Dat het uploaden van het bestand kennelijk is mislukt en dat eiseres dat pas op de zitting duidelijk is geworden, komt voor risico van eiseres.
(…)
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
9. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 8 september 2023 ontvangen. De rechtbank doet op 8 juli 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve niet overschreden. Eiseres heeft daarom geen recht op een vergoeding van immateriële schade.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
In geschil is of de naheffingsaanslag tot een te hoog bedrag is opgelegd.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag tot primair € 959, subsidiair € 3.139, meer subsidiair € 3.502 en uiterst subsidiair € 3.777, tot veroordeling van de Inspecteur in de (proces)kosten in bezwaar en beroep en tot veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep als het hoger beroep gegrond wordt verklaard op een ander punt dan alleen de nieuw overgelegde koerslijst XRAY.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
Premium of Premium Plus
Partijen twisten over het antwoord op de vraag of de auto ter zake van de uitvoering (het meest vergelijkbaar met) een Premium of een Premium Plus is. Belanghebbende stelt dat sprake is van een Premium-uitvoering. Zij voert daartoe aan dat uit het geboortekaartje van de auto niet volgt dat het gaat om een Premium Plus-uitvoering en dat het elektrische glazen panoramadak, de premium audio-installatie (Burmester) en Keyless Entry tot de standaarduitrusting van een Premium Plus behoren. Uit het VIN-rapport van de auto blijkt echter dat het panoramadak en de audio-installatie onder de optionele uitrusting vallen en dat de optie van Keyless Entry niet op de auto aanwezig is. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat, in afwijking van het vermelde in zijn pleitnota, alarmklasse 3 wel aanwezig is. De Inspecteur stelt dat sprake is van een Premium Plus-uitvoering. Hij voert daartoe aan dat buitenlandse auto’s vaak niet volledig gelijk zijn aan Nederlandse uitvoeringen, dat de taxateurs van belanghebbende en DRZ zijn uitgegaan van een Premium Plus en dat de CO2-uitstoot van de auto overeenkomt met een Premium Plus-uitvoering. Hij betwist dat de auto niet zou beschikken over Keyless Entry.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1472, geoordeeld dat voor gebruik van de koerslijstmethode overeenkomst vereist is wat betreft merk, model, type, uitvoering en leeftijd. Het Hof heeft ondervonden dat deze toets minder goed bruikbaar is bij voertuigen in het luxere en incourante segment. In de praktijk komen regelmatig voertuigen aan de orde die in Nederland niet leverbaar zijn en/of volgens specificaties van een derde land zijn gebouwd. Hierbij komt dat, zo is tussen partijen niet in geschil, buitenlandse voertuigen lastig te vergelijken zijn met Nederlandse, omdat buitenlandse voertuigen vaak meer opties hebben. In het laatste geval kan het aan de hand van de door de Hoge Raad geformuleerde toets lijken alsof een importvoertuig overeenkomt met een voertuig in een koerslijst, terwijl dit niet zo is. De extra opties en afwijkende uitrusting is ook vaak de reden dat een voertuig in het buitenland wordt gekocht en in Nederland wordt ingevoerd. Het is soms lastig om vanuit de indeling van de fabrikant in typen en uitvoeringen naar de verschillende voertuigen te kijken. Vanuit de gemiddelde handelaar – en vooral vanuit de gemiddelde consument – bezien is van belang welke opties en mogelijkheden een voertuig heeft, en niet of deze standaard zijn of optioneel. Het Hof acht niet van belang of een bepaalde optie tot de standaard uitrusting behoort of optioneel (een fabrieksoptie) is, omdat de aanwendingsmogelijkheden waarop de consument uiteindelijk zijn keuze maakt niet door dit verschil worden beïnvloed. De toets is immers of voertuigen met elkaar concurreren, en zonder bewijs van het tegendeel acht het Hof niet aannemelijk dat voertuigen die over dezelfde kenmerken beschikken, niet concurreren enkel omdat die kenmerken deels standaard en deels optioneel zijn (arrest Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 februari 2024, Commissie tegen Malta, ECLI:EU:C:2024:158, en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof gaat dus uit van een voertuig als geheel bij het zoeken naar referentievoertuigen. Deze complex-aanpak maakt vergelijking van voertuigen en dus het uitvoeren van de toets van 110 VWEU gemakkelijker, omdat deze discussies over het verschil tussen de standaard uitrusting en fabrieksopties voorkomt.
Het Hof laat in het midden welke uitvoering de auto officieel heeft. Het Hof komt tot de conclusie dat een referentievoertuig in de Premium Plus-uitvoering het meest vergelijkbaar is met de auto. Het Hof betrekt hierbij ook het verschil tussen de nieuwe koerslijst XRAY van de kant van belanghebbende en de nieuwe koerslijst ATP van de kant van de Inspecteur. In de koerslijst van belanghebbende wordt in totaal € 27.283 aan opties bijgeteld en in de nieuwe koerslijst ATP van de kant van de Inspecteur en DRZ voor in totaal € 22.492. In vergelijking met de bedragen in de koerslijst van de Inspecteur is de consumentenprijs in de koerslijst van belanghebbende hoger en is de handelsinkoopwaarde lager. De lagere handelsinkoopwaarde kan alleen zijn veroorzaakt door de versnelde afschrijving van de fabrieksopties in de koerslijst van belanghebbende, aangezien een vergelijking van de koerslijsten uitwijst dat het voertuig in de beide koerslijsten dezelfde kenmerken en mogelijkheden heeft, zij het dat de verdeling tussen ‘fabrieksopties’ en ‘standaard/standaarduitrusting’ verschilt. Het verschil in handelsinkoopwaarde komt dus door de manier waarop de specifieke kenmerken van de auto (de opties) zijn verwerkt. Het Hof acht versnelde afschrijving niet juist, gelet op de aard van deze kenmerken. Het gaat bijvoorbeeld om de audio-installatie, het panoramadak, de elektrische achterklep met sensor en het alarmsysteem. Dit zijn opties die lange tijd van nut zijn voor de gebruiker en niet versneld worden afgeschreven. Een Premium Plus-uitvoering is derhalve de beste referentie om mee te vergelijken. Het Hof neemt hierbij nog in aanmerking dat de taxateur van belanghebbende en de hertaxateur van DRZ ook zijn uitgegaan van de Premium Plus-uitvoering.
Koerslijst
Reeds omdat naar het oordeel van het Hof moeten worden uitgegaan van de vergelijking met een Premium Plus-uitvoering kan de koerslijst XRAY die belanghebbende voor het eerst in hoger beroep heeft overgelegd en die uitgaat van een Premium-uitvoering, niet dienen.
Schade
Belanghebbende heeft een taxatierapport overgelegd waarin de taxateur van belanghebbende onder meer een aftrek heeft toegepast van 40% van “bruto vraagprijzen particulier”. Reeds vanwege deze aftrek zonder goede onderbouwing is het Hof van oordeel dat dit taxatierapport niet kan dienen ter bepaling van een waardevermindering wegens schade. Hierbij neemt het Hof ook in aanmerking dat voor zover al iets is te zien op de onduidelijke foto’s in het taxatierapport, hiervan niets meer te zien is op de foto’s bij het rapport waardebepaling van DRZ. Overigens is het de vraag of met betrekking tot het vervangen van een dwarsdrager niet reeds sprake is van een essentieel gebrek aan de auto. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat met een hoger bedrag aan schade dan het door DRZ gecalculeerde bedrag rekening moet worden gehouden.
Door DRZ is 31% van het gecalculeerde schadebedrag in aanmerking genomen bij het vaststellen van de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat. Belanghebbende stelt dat met 72% van het door DRZ gecalculeerde schadebedrag rekening moet worden gehouden en niet met 31%. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de naheffingsaanslag de forfaitaire tabel (afschrijvingspercentage 54,499) toegepast, omdat dat gunstiger is voor belanghebbende. Het betoog van belanghebbende faalt. Nu de koerslijst XRAY van belanghebbende niet kan dienen, heeft zij niet de feiten aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat de Inspecteur het afschrijvingspercentage – zelfs als zou worden uitgegaan van 72% schadeaftrek – te laag heeft vastgesteld. De naheffingsaanslag is niet naar een te hoog bedrag opgelegd.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door L.D.M.A. Reijs, A. van Dongen en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier L. van den Bogerd.
De griffier, de voorzitter,
L. van den Bogerd L.D.M.A. Reijs
De beslissing is op 24 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.