Belastingrecht

Nummer hoofdzaak: BK-25/484. Wrakingsverzoek afgewezen

Gerechtshof Den Haag, 6 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 6 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
6 augustus 2026
Datum publicatie
18 september 2026
Zaaknummer
200.371.257/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2891
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Nummer hoofdzaak: BK-25/484. Wrakingsverzoek afgewezen

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Zaaknummer wrakingszaak : 200.371.257/01

Nummer hoofdzaak : BK-25/484


Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken (hierna: de wrakingskamer) van 6 augustus 2026.

Inzake het schriftelijke verzoek om wraking, als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in de hoofdzaak met bovengenoemd nummer van:

[X] ,

wonende in [Z] ,

verzoekster,

(gemachtigde: […] ).

Het wrakingsverzoek is gericht tegen de behandelend raadsheren in de hoofdzaak, mrs. P.J.J. Vonk, T.A. de Hek en M.J.M. van der Weijden (hierna: de raadsheren wier wraking is verzocht), en de bij die zaak betrokken griffier, mr. L. van den Bogerd (hierna: de griffier).

Het geding

1.1.

De procedure waarin verzoekster het verzoek tot wraking (wrakingsverzoek) heeft gedaan (de hoofdzaak) betreft een zaak van verzoekster tegen de Inspecteur van de Belastingdienst (de Inspecteur).

1.2.

Verzoekster is door de meervoudige belastingkamer van het hof uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op 28 januari 2026. Op 26 januari 2026 heeft verzoekster een verzoek om uitstel van deze behandeling ingediend. Het hof heeft het verzoek op 27 januari 2026 toegewezen en haar het volgende bericht:

“Zodra een nieuwe zittingsdatum bekend is ontvangt u hiervan bericht. Bij een volgend verzoek om uitstel wegens ziekte dient een medische verklaring van een (huis)arts te worden verstrekt.”

De zitting heeft daarop geen doorgang gevonden.

1.3.

Verzoekster is vervolgens op 5 maart 2026 door het hof uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op 1 april 2026.

1.4.

Op 9 maart 2026 heeft verzoekster verzocht om verplaatsing van de zittingsdatum en daarbij een bijlage gevoegd met informatie over een vlucht naar [buitenland] . Het hof heeft bij bericht van dezelfde datum verzocht om nadere bewijsstukken:

“Het hof verzoekt u om nadere bewijsstukken waaruit blijkt dat de vlucht op u betrekking heeft en dat u de vlucht voor de ontvangst van de uitnodiging voor de zitting, derhalve vóór 5 maart 2026, heeft geboekt. Indien u de vlucht na deze datum heeft geboekt, verzoekt het hof u eveneens nadere bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat de vlucht op u betrekking heeft, alsmede toe te lichten om welke redenen u aanleiding heeft gezien om na ontvangst van de uitnodiging voor de zitting deze vlucht te boeken. Het hof verzoekt u de nadere bewijsstukken (en toelichting) uiterlijk op 16 maart 2026 aan het hof te doen toekomen. Indien het hof de desbetreffende bewijsstukken niet uiterlijk op 16 maart 2026 ontvangt, zal de zitting op 1 april 2026, 12:30 uur doorgaan.”

1.5.

Verzoekster heeft naar aanleiding van het verzoek van het hof op 10 maart 2026 stukken ingediend. Het hof heeft op 11 maart 2026 verzoekster bericht:

“Uit de door u in dat verband overgelegde stukken blijkt echter niet dat er een vlucht op uw naam is geboekt. Het Hof wijst daarom uw verzoek om uitstel van de zitting af.

1.6.

Op 31 maart 2026 heeft verzoekster opnieuw een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak op 1 april 2026 ingediend wegens ziekte en de volgende verklaring van de huisarts bijgevoegd:

“v Actieve episode- en probleemlijst:

08-2016 spanningshoofdpijn

11-2022 depressie/overspannen

Medisch Centrum […] , [naam 1] , huisarts”

1.7.

Het hof heeft verzoekster op 31 maart 2026 bericht:

“Het hof heeft kennisgenomen van het door u op 31 maart 2026 ingediende verzoek om uitstel van de zaak met zaaknummer BK-25/484. Het Hof ziet echter geen aanleiding om uw verzoek om uitstel van de zaak te honoreren, gelet op de data zoals vermeld in de meegezonden bijlage. De zitting met zaaknummer BK-25/484 van 1 april 2026, 12:30 uur gaat dus door.”

1.8.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft vervolgens op 1 april 2026 een

aanvang genomen. Aldaar is de gemachtigde van verzoekster verschenen. Verzoekster is niet verschenen. De gemachtigde van verzoekster heeft tijdens de mondelinge behandeling namens verzoekster een verzoek tot wraking gedaan van de raadsheren wegens het niet verlenen van uitstel van de mondelinge behandeling. De voorzitter heeft daarop het onderzoek ter zitting geschorst. De raadsheren wier wraking is verzocht hebben niet in de wraking berust.

1.9.

De wrakingskamer van het hof heeft verzoeksters wrakingsverzoek bij beslissing van 14 april 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1206, afgewezen.

1.10.

Verzoekster is vervolgens op 15 april 2026 door het hof uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak door de meervoudige belastingkamer op 7 mei 2026.

1.11.

Op 6 mei 2026 heeft verzoekster een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling ingediend wegens reeds geplande afspraken en medische omstandigheden. Verzoekster voert daarnaast aan dat zij in een zeer belastende privésituatie verkeert wegens een aanstaande woningontruiming. Verzoekster heeft het verzoek om uitstel onder meer onderbouwd met een verklaring ten aanzien van de medische toestand van haar gemachtigde en een beslagexploot bestemd voor haar gemachtigde.

1.12

Het hof heeft het uitstelverzoek op diezelfde dag toegewezen en haar het volgende bericht:

“Het verzoek om uitstel van de zitting is toegewezen. Hierbij deel ik u mee dat de zitting op donderdag 7 mei 2026 om 10.00 uur niet doorgaat. Zodra een nieuwe zittingsdatum bekend is ontvangt u hiervan bericht.”

1.13.

Verzoekster is vervolgens op 7 mei 2026 door het hof uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak op 7 juli 2026.

1.14.

Op 4 juli 2026 heeft verzoekster een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling ingediend. In het verzoek om uitstel staat, onder meer, het volgende:

“In de strafzaak heeft het gerechtshof inmiddels bijgevoegde uitspraak gedaan over de grondslag waarop de Belastingdienst de vermogensaanpassingen in de aanslagen inkomstenbelasting heeft gebaseerd. Deze uitspraak kan gevolgen hebben voor de onderhavige procedure. Wij hebben daarom meer tijd nodig om de betekenis en de gevolgen daarvan voor deze zaak zorgvuldig te onderzoeken.

Gelet hierop verzoeken wij u het verzoek tot aanhouding van de zitting, dan wel het verzoek om uitstel van de zitting, toe te wijzen.”

Verzoekster heeft als bijlage het arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het hof in deze zaak van [naam 2] gevoegd.

1.15.

Het hof heeft verzoekster op 6 juli 2026 om 10.27 uur bericht:

“Het verzoek om uitstel van de zitting is afgewezen. De zitting op dinsdag 7 juli 2026 om 12.30 uur gaat dus door. Ter zitting kan de uitkomst van het hoger beroep in de strafzaak van [naam 2] en de mogelijke invloed ervan op de zaak van belanghebbende worden besproken.”

1.16.

Bij bericht dat door het hof is ontvangen op 6 juli 2026 om 15.45 uur, heeft verzoekster opnieuw een verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling ingediend. In het verzoek om uitstel staat, onder meer, het volgende:

“Hartelijk dank voor uw mededeling dat de mogelijke invloed van de uitspraak ter zitting kan worden besproken en dat u deze uitspraak als een voor de beoordeling van de zaak relevant stuk beschouwt.

Wij beschikken echter nog steeds niet over het strategisch overleg (destijds aangemerkt als geheimhoudingsstukken), waarin de fiscale en strafzaak zijn besproken. Deze stukken zijn destijds door de AVG-behandelaar, mevrouw [naam 3] , tevens boete-fraudecoördinator bij de Belastingdienst en lid van het team SFO van de Belastingdienst, namens de inspecteur aan de rechtbank Rotterdam toegezonden en vervolgens door de rechtbank Rotterdam teruggezonden (zie bijlage).

Ter zitting heeft de heer [naam 4] herhaaldelijk verklaard dat hij niet over deze stukken beschikt. Juist deze stukken zijn echter van belang voor een zorgvuldige beoordeling van de zaak.

Ik verzoek u daarom nogmaals de behandeling van de zaak aan te houden totdat wij de beschikking hebben over alle voor de beoordeling relevante stukken.”

Verzoekster heeft het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling met bijlagen onderbouwd.

1.17

Het hof heeft het uitstelverzoek bij bericht van 6 juli 2026, verzonden om 17.15 uur, afgewezen. In het bericht heeft het hof toegezegd ter zitting en/of in de uitspraak te motiveren waarom het verzoek om uitstel is afgewezen.

1.18.

Verzoekster heeft bij bericht, dat door het hof is ontvangen op 6 juli 2026 om 18.03 uur, een verzoek tot wraking gedaan van de raadsheren en de griffier.

1.19.

De raadsheren wier wraking is verzocht hebben de wrakingskamer meegedeeld niet te berusten in de wraking.

Het wrakingsverzoek

2. Verzoekster heeft aan haar verzoek tot wraking het volgende ten grondslag gelegd:

“Hierbij wraak ik de rechter(s) en/of de griffier van het Hof die, ondanks mijn eerste en tweede verzoek om uitstel, het uitstelverzoek zonder deugdelijke motivering hebben afgewezen. Hierdoor wordt mij de mogelijkheid ontnomen om mijn zaak naar behoren voor te bereiden en wordt mijn recht op een eerlijk proces geschonden.”

Beoordeling van het wrakingsverzoek

3.1.

De wrakingskamer doet dit wrakingsverzoek af zonder behandeling ter zitting (zie artikel 4, lid 1, onderdeel a, van het Wrakingsprotocol gerechtshof Den Haag). Het verzoek is kennelijk ongegrond.

3.2

Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechter jegens de verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1331).

3.3

Op grond van artikel 8:15 Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.4.

De wrakingsgronden komen in de kern erop neer dat de raadsheren wier wraking is verzocht ten onrechte de mondelinge behandeling niet hebben uitgesteld, waardoor verzoekster de mogelijkheid is ontnomen om de zaak naar behoren voor te bereiden. Ook klaagt verzoekster dat het hof beide afwijzingen niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Volgens verzoekster is haar recht op een eerlijk proces geschonden.

3.5.

Voor processuele beslissingen, zoals het afwijzen van een dergelijke verzoeken om uitstel, geldt dat zij geen grond kunnen opleveren voor wraking. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van procedurele beslissingen van het hof. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel is belast met de behandeling van de zaak. Slechts indien een beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat het hof jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden (vgl. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De beslissing van het hof is naar het oordeel van de wrakingskamer niet zo onbegrijpelijk dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat de raadsheren wier wraking is verzocht jegens verzoekster een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoekster dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is. Het hof heeft immers toegezegd dat de uitkomst van het hoger beroep in de strafzaak en de mogelijke invloed ervan op de zaak ter zitting zullen worden besproken en dat ter zitting of in de uitspraak zal worden gemotiveerd waarom het verzoek om uitstel is afgewezen. De wrakingskamer begrijpt dit zo dat het hof de mogelijkheid om na de bespreking van de gronden van de uitstelverzoeken ter zitting alsnog tot uitstel over te gaan heeft willen openhouden, en heeft aangekondigd dat als dat niet zou gebeuren, dat nader zou worden gemotiveerd. Van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke partijdigheid schade zou kunnen lijden is dus geen sprake.

3.6

Het voorgaande brengt mee dat het verzoek tot wraking van de behandelend raadsheren zal worden afgewezen.

3.7.

Ten aanzien van het verzoek om wraking van de griffier, overweegt de wrakingskamer als volgt. Ingevolge 8:15 Awb kan een verzoek tot wraking slechts betrekking hebben op de rechters die de zaak behandelen. Een verzoek tot wraking kan dus geen betrekking hebben op de griffier.

3.8.

Het voorgaande brengt mee dat verzoekster ten aanzien van het verzoek tot wraking van de griffier niet-ontvankelijk zal worden verklaard.


Wrakingsverbod

4. De wrakingskamer ziet aanleiding om te bepalen dat volgende wrakingsverzoeken van verzoekster in de hoofdzaak niet in behandeling zullen worden genomen wegens misbruik van recht (artikel 8:18, lid 4, Awb). Verzoekster heeft bij het hof immers al in deze zaak op dezelfde gronden - namelijk dat het verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling was geweigerd - tevergeefs, een verzoek tot wraking van de behandelend raadsheren ingediend. Dit levert misbruik van recht op.

Beslissing

De wrakingskamer:

  • wijst het verzoek tot wraking van de raadsheren af;

  • verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking van de griffier;

  • bepaalt dat volgende verzoeken tot wraking in de hoofdzaak niet in behandeling zullen worden genomen;

  • bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan verzoekster, aan de raadsheren wier wraking is verzocht, aan de griffier alsmede aan de Inspecteur.

Deze uitspraak is gegeven door mr. J.W. van den Hurk, mr. M.Y. Bonneur en mr. Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. T. van Hout. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2026.

De griffier de voorzitter