Belastingrecht
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker maakt spoedeisend belang van de behandeling van de…
Gerechtshof Den Haag, 16 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2907 · Gerechtshof Den Haag · 16 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2907
Zaakgegevens
Op 16 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- BK-26/595
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2907
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker maakt spoedeisend belang van de behandeling van de hoofdzaak niet aannemelijk.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
Voorzieningenrechter
Nummer BK-26/595
Uitspraak van 16 september 2026
ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
in het geding tussen
[X] te [Z] , verzoeker,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
inzake het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker in verband met de hierna te vermelden bij het Hof aanhangige procedure in hoger beroep.
Procesverloop
De Inspecteur heeft aan verzoeker voor het jaar 2023 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Verzoeker heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar afgewezen.
Verzoeker heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (de Rechtbank). Bij uitspraak van 21 juli 2026 heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Verzoeker is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij het Hof. De Inspecteur heeft op dit verzoek gereageerd.
Het Hof heeft besloten het verzoek zonder mondelinge behandeling af te doen.
Karakter van de voorlopige voorziening
2. Ingevolge artikel 8:81, lid 1, Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank bij de belastingkamer van het gerechtshof hoger beroep openstaat dan wel is ingesteld op grond van artikel 27h van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de voorzieningenrechter van het gerechtshof dat bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in de procedure in de hoofdzaak.
Feiten
Verzoeker heeft op 11 september 2024 aangifte IB/PVV voor het jaar 2023 gedaan. Daarin heeft hij opgegeven:
- een pensioenuitkering van [Pensioenfonds] van € 6.000;
- als voorheffing € 2.500.000 aan ingehouden loonheffing, € 2.999 aan genees- en heelkundige hulp, en € 2.000.000 aan restant persoonsgebonden aftrek.
Op 20 juni 2025 heeft verzoeker het restant persoonsgebonden aftrek nader op € 2.500.000 gesteld.
Na correspondentie met verzoeker heeft de Inspecteur bij brief van 13 januari 2025 geschreven dat hij over informatie van [Pensioenfonds] en de Sociale Verzekeringsbank (SVB) beschikt. Uit deze informatie zou volgen dat deze instanties verzoeker in 2023 een pensioen van € 8.870 respectievelijk AOW van € 18.177 hebben uitgekeerd zonder daar loonheffing op in te houden. Ondanks zijn verzoek daartoe aan verzoeker heeft de Inspecteur geen informatie van verzoeker ontvangen waaruit blijkt van zorgkosten die verzoeker niet vergoed heeft gekregen. Volgens de informatie van de Inspecteur was geen sprake van een restant persoonsgebonden aftrek.
Met dagtekening 21 juni 2025 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2023 opgelegd naar een inkomen uit werk en woning van (€ 8.870 + € 18.177 =) € 27.047, zonder verrekening van voorheffingen, en een aftrekbaar bedrag aan specifieke zorgkosten alsmede een restant persoonsgebonden aftrek van nihil.
Inhoud van het verzoek en standpunten
Verzoeker verzoekt, naar het Hof begrijpt, om toekenning van een bedrag van € 27.500.000 bij wijze van voorlopige voorziening.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen.
Overwegingen omtrent het verzoek
Voor het toewijzen van een verzoek om voorlopige voorziening is vereist dat verzoeker aannemelijk maakt dat een spoedeisend belang aanwezig is. Dat betekent dat verzoeker aannemelijk moet maken dat een voorlopige voorziening nodig is om een onomkeerbare situatie te voorkomen. Verzoeker heeft geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die daarvoor aanleiding geven. Verzoeker heeft bijvoorbeeld niet gesteld dat sprake is van een financiële noodsituatie. Het verzoek is reeds daarom niet voor toewijzing vatbaar. De voorzieningenrechter overweegt voorts nog het volgende.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de aanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. Dit standpunt is erop terug te voeren dat de uitkeringen die verzoeker ontving nadat hij in 2001 arbeidsongeschikt was geworden volgens hem ten onrechte in de desbetreffende jaren als inkomen zijn belast. Naar de mening van verzoeker hadden die uitkeringen onbelast moeten blijven. Daarover heeft verzoeker zonder positief resultaat geprocedeerd, onder andere zes keer tot aan de Hoge Raad.
De conclusie luidt dat de behandeling van de hoofdzaak niet spoedeisend is. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen aanleiding om hem bij wijze van voorlopige voorziening het gevraagde bedrag – of een lager bedrag – toe te kennen dan wel een andere tegemoetkoming te bieden. Het verzoek is kennelijk ongegrond.
Proceskosten
De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.
Beslissing
De voorzieningenrechter van het Hof wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is vastgesteld door A. van Dongen als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier I. Hoogendoorn.
De griffier, de voorzitter,
I. Hoogendoorn A. van Dongen
De beslissing is op 16 september 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.