Civiel recht overig
Dexia / tussenpersoon / advisering / wetenschap
Gerechtshof Den Haag, 29 september 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2888 · Gerechtshof Den Haag · 29 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2888
Zaakgegevens
Op 29 september 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 september 2026
- Datum publicatie
- 18 september 2026
- Zaaknummer
- 200.351.804/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, mr. J.B. Maliepaard
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2888
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Dexia / tussenpersoon / advisering / wetenschap
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.351.804/01
Zaaknummer rechtbank: : 11062814 EL 24-4
Arrest van 29 september 2026
in de zaak van
Dexia Nederland B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
appellante,
hierna te noemen: Dexia,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer, kantoorhoudende in Amsterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende in [woonplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [geïntimeerde],
advocaat: mr. J.B. Maliepaard, kantoorhoudende in Rotterdam.
1 De procedure in eerste aanleg
Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis van 5 december 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zittingsplaats Dordrecht, (hierna: het bestreden vonnis).
2 De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding in hoger beroep;
-
de memorie van grieven met producties;
-
de memorie van antwoord met producties;
-
de akte uitlaten van Dexia;
-
de antwoordakte van [geïntimeerde];
-
de door partijen gedeponeerde stukken, waarnaar zij in deze zaak verwijzen.
Het hof heeft een datum bepaald voor arrest. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3 De kern van de zaak
Deze zaak gaat over vier effectenleaseovereenkomsten tot stand gekomen tussen Dexia en [geïntimeerde] en die in eerste aanleg als volgt met contractnummers en Romeinse cijfers zijn aangeduid: 05001503 (overeenkomst I), 51106606 (overeenkomst II), 51882021 (overeenkomst III) en 60002466 (overeenkomst IV) Overeenkomst III is via een tussenpersoon (PMA Consultancy B.V., hierna: PMA Consultancy) tot stand gekomen. In hoger beroep is aan de orde de vraag of [geïntimeerde] bij overeenkomst III is geadviseerd door een tussenpersoon die niet de daarvoor vereiste vergunning had, terwijl Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten. Als deze tussenpersoon beleggingsadvies heeft gegeven en Dexia dat wist, dan wel behoorde te weten, heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en moet zij de volledige schade van [geïntimeerde] vergoeden.
Dexia heeft, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep relevant, gevorderd dat de kantonrechter voor recht verklaart dat Dexia met betrekking tot de overeenkomsten tussen haar en [geïntimeerde], na betaling van een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, aan al haar verplichtingen heeft voldaan en dat zij niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Dexia heeft ook gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten.
[geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. [geïntimeerde] heeft, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep relevant, een verklaring voor recht gevorderd dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld en/of toerekenbaar is tekortgeschoten tegenover [geïntimeerde] en heeft gevorderd dat Dexia de schade van [geïntimeerde] zal vergoeden. Hij heeft ook gevorderd Dexia te veroordelen in de proceskosten.
De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat Dexia met betrekking tot overeenkomsten I, II en IV niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Met betrekking tot overeenkomst III heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en Dexia veroordeeld de volledige schade van [geïntimeerde] te vergoeden. De kantonrechter heeft Dexia tevens veroordeeld in de proceskosten.
4 De beoordeling
Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld (onder 2 ‘De feiten’). Deze feiten zijn niet bestreden, zodat ze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.
In hoger beroep heeft Dexia grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering met betrekking tot overeenkomst III, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.
[geïntimeerde] heeft het hof verzocht om Dexia niet-ontvankelijk te verklaren in haar appel, althans - zakelijk weergegeven - het bestreden vonnis te bekrachtigen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.
Juridisch kader
Dexia handelt als aanbieder van effectenleaseovereenkomsten ten opzichte van [geïntimeerde] onrechtmatig, indien voorafgaand aan de totstandkoming van overeenkomst III met [geïntimeerde] (a) een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en (b) Dexia hiervan op de hoogte was, of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering aan [geïntimeerde] is niet vereist. Vast staat dat bij de totstandkoming van de overeenkomst III met [geïntimeerde] PMA Consultancy als cliëntenremisier is betrokken en dat deze niet beschikte over een vergunning om te adviseren. Het hof moet beoordelen of in dit geval is voldaan aan de hiervoor onder (a) en (b) genoemde vereisten met betrekking tot ‘advisering’ en ‘wetenschap’. Is dat het geval, dan heeft Dexia onrechtmatig gehandeld en is zij schadeplichtig. Verder geldt in dat geval dat een beroep van Dexia op eigen schuld van de afnemer geen succes heeft, omdat de billijkheid in een dergelijk geval in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. De inhoud van het advies van de cliëntenremisier of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct is ook niet meer van belang.
Advisering
Er is sprake van niet-toegestane advisering, indien een tussenpersoon in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van persoonlijke omstandigheden van de afnemer is van belang of de tussenpersoon al dan niet:
-
i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
-
ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
-
iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct een ander financieel product heeft geadviseerd.
Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer. Hoewel een zodanige, niet op een afweging van persoonlijke omstandigheden berustende aanprijzing onder omstandigheden mogelijk ook als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd, gaat de tussenpersoon daarmee niettemin de reikwijdte van zijn vrijstelling te buiten.
[geïntimeerde] heeft een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop PMA Consultancy in dit geval heeft bemiddeld bij de totstandkoming van overeenkomst III, onder “III.4 Advisering door de tussenpersoon” in zijn conclusie van antwoord. De stellingen van [geïntimeerde] komen, samengevat, op het volgende neer. Alvorens [geïntimeerde] in februari 2001 een Triple Effect (overeenkomst III) afsloot op advies van PMA Consultancy, is hij in december 1996, december 1997 en december 1998 drie verschillende overeenkomsten aangegaan met Dexia. Deze overeenkomsten zijn niet met een restschuld, maar met een opbrengst geëindigd. De aanleiding voor het sluiten van overeenkomst III ligt in een ontmoeting op straat in Dordrecht, waar de partner van [geïntimeerde], [partner], werd aangesproken door een medewerker van PMA Consultancy. [partner] is vervolgens een Triple Effect overeenkomst aangegaan. Omstreeks februari 2001 werd [partner] telefonisch benaderd door een medewerker van PMA Consultancy. Deze wilde de stand van zaken ten aanzien van het reeds afgesloten Triple Effect met haar bespreken. De medewerker maakte kenbaar dat het goed ging met de beleggingen en vroeg of [partner] nog financiële ruimte had. Die financiële ruimte was er, voortkomend uit het inkomen van haar en [geïntimeerde]. Ook was er wat spaargeld voorhanden zo maakte zij duidelijk aan de medewerker. De medewerker adviseerde om nog twee Triple Effect producten af te sluiten. Een daarvan kon op naam van [geïntimeerde] gezet worden en de andere op naam van [partner]. Zo zouden [partner] en [geïntimeerde] nog meer vermogen opbouwen. De medewerker begrootte vervolgens de bedragen die vooruitbetaald dienden te worden uit het spaargeld. [geïntimeerde] diende een vooruitbetaling van ca. NLG 10.000,00 te doen en [partner] een vooruitbetaling van ca. NLG 3.000,00. [partner] en [geïntimeerde] vertrouwden ook nu op het advies van de medewerker en volgden het advies op. De medewerker deed de aanvraagformulieren aan [partner] en [geïntimeerde] toekomen. Zij hebben de aanvraagformulieren ondertekend en teruggestuurd naar PMA Consultancy die de aanvragen vervolgens heeft doorgestuurd naar Dexia. Hierna zijn de overeenkomsten toegestuurd naar [partner] en [geïntimeerde] en vervolgens door hen ondertekend. Op deze wijze is [geïntimeerde] overeenkomst III aangegaan, aldus [geïntimeerde].
Dexia heeft de stellingen over wat feitelijk tussen [geïntimeerde] en PMA Consultancy is voorgevallen bij gebrek aan wetenschap betwist, omdat Dexia niet bij de advisering door PMA Consultancy aan [geïntimeerde] betrokken is geweest. Deze omstandigheid brengt volgens Dexia mee, dat van haar niet kan worden gevergd haar stellingen en de betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] nader te motiveren. Dexia voert verder aan dat de stellingen van [geïntimeerde] niet juist en niet voldoende concreet zijn. Dexia wijst er in dat verband op dat het gaat om herinneringen van [geïntimeerde] aan gebeurtenissen die zich meer dan twintig jaar geleden afgespeeld hebben. Deze herinneringen zeggen volgens Dexia weinig tot niets over wat er werkelijk is voorgevallen tussen [geïntimeerde] en PMA Consultancy. Van Dexia kon niet worden verlangd dat zij destijds onderzoek verrichtte naar de werkwijze van PMA Consultancy bij [geïntimeerde] en relevante gegevens hierover verzamelde, omdat in dat geval twee decennia na dato nieuwe regels op Dexia van toepassing worden verklaard die destijds niet golden. Een dergelijke verplichting vindt ook geen steun in het recht en het verzaken van deze (vermeende) verplichting kan niet ertoe leiden dat de stellingen van [geïntimeerde] voor waar worden gehouden. Dexia stelt daarbij dat het onjuist is dat tussenpersonen altijd een gepersonaliseerde aanbeveling deden, omdat niet is vastgesteld dat de tussenpersonen een vaste werkwijze hanteerden die is aan te merken als het doen van een gepersonaliseerde aanbeveling. Volgens Dexia is er genoeg bewijs voorhanden waaruit volgt dat tussenpersonen in veel gevallen niet vergunningplichtig adviseerden en daarom bestaat ook in dit geval de mogelijkheid dat niet vergunningplichtig is geadviseerd. Tot slot betoogt Dexia dat uit de stellingen van [geïntimeerde] niet volgt dat PMA Consultancy een aanbeveling heeft gedaan die zij als geschikt voor [geïntimeerde] heeft voorgesteld en die berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [geïntimeerde]. Dexia is dan ook van mening dat haar bewijsaanbod moet worden gehonoreerd.
Het hof overweegt als volgt. In de vele andere procedures die Dexia over de effectenleaseproblematiek heeft gevoerd, zijn stukken in het geding gebracht waaruit duidelijk is geworden dat Dexia voor de distributie van haar effectenleaseproducten op grote schaal tussenpersonen heeft ingezet. Ook in deze procedure heeft [geïntimeerde] deze stukken (deels) overgelegd. Dexia maakte gebruik van tussenpersonen juist omdat die hun cliënten zouden kunnen adviseren een effectenleaseproduct af te nemen. Zij wist, dan wel behoorde te begrijpen, dat de bij haar aangesloten tussenpersonen de afnemers niet slechts in algemene zin over deze producten pleegden te informeren. Zo volgt (onder meer) uit het jaarverslag van (de rechtsvoorgangster van) Dexia over 1997, een artikel uit Het Financieele Dagblad van 22 april 1998, de tekst op de website van Dexia op 11 mei 2000 en een interview met de directeur beleggingsproducten van Dexia in het tijdschrift ‘Het effect Spaar Select’ uit 2000 dat Dexia bewust gebruikmaakte van tussenpersonen als afzetkanaal, juist omdat zij belangstellenden van een persoonlijk advies konden voorzien.
Door deze bedrijfsmatige opzet waarmee effectenleaseproducten door tussenpersonen werden verkocht, heeft Dexia gefaciliteerd en bevorderd dat tussenpersonen (die doorgaans op commissiebasis werkten) een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan (potentiële) afnemers, terwijl het juist op de weg van Dexia had gelegen na te gaan wat de aard van de betrokkenheid van de tussenpersoon was en of er al dan niet sprake was van (verboden) vergunningplichtige advisering door de tussenpersoon. Dexia voert aan dat op haar geen ‘rechtsplicht’ rust om de werkwijze van de tussenpersoon te controleren. Echter, dat neemt niet weg dat het Dexia niet was toegestaan om een effectenleaseovereenkomst te sluiten als de tussenpersoon beleggingsadvies had gegeven zonder over een vergunning te beschikken. Dexia had niet haar ogen mogen sluiten voor het feit dat tussenpersonen afnemers slechts zelden in algemene zin pleegden te informeren over effectenleaseproducten. Het betreft hier een eigen verantwoordelijkheid van Dexia. Zij heeft niet erop mogen vertrouwen dat de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE; nu AFM) erop zou toezien dat de tussenpersonen niet in strijd met de wet handelden. Dat Dexia de stellingen van [geïntimeerde] inmiddels slechts bij gebrek aan wetenschap kan betwisten, is dan ook het gevolg van haar eigen nalatigheid en komt daarom voor haar rekening en risico. In de verhouding met [geïntimeerde] komt ook voor haar risico dat zij – naar eigen zeggen – pas sinds het arrest van de Hoge Raad van 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) wist dat de inhoud van de contacten tussen de afnemer en de tussenpersoon van doorslaggevende betekenis zouden zijn.
Dexia heeft in dit geval nog aangevoerd dat het opmerkelijk is dat [geïntimeerde] zich allerlei details over de gevoerde gesprekken meent te herinneren, maar niet de fundamentele punten zoals met wie hij gesproken heeft. Voorts stelt Dexia dat, gelet op het feit dat twee eerdere overeenkomsten winstgevend waren, het mogelijk is dat [geïntimeerde] op eigen initiatief overeenkomst III is aangegaan. [geïntimeerde] stelt dat overeenkomst III hem werd voorgesteld als geschikt, nog voordat zijn financiële situatie en wensen opnieuw werden besproken met de medewerker van PMA Consultancy. Volgens Dexia is het dan ook onvoldoende om met betrekking tot overeenkomst III te kunnen spreken van een gepersonaliseerde aanbeveling in de zin van de prejudiciële beslissing.
Naar het oordeel van het hof moet de door [geïntimeerde] geschetste betrokkenheid van de tussenpersoon bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, worden gekwalificeerd als vergunningplichtige advisering. Uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt namelijk dat (i) PMA Consultancy heeft geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde], (ii) [geïntimeerde] de financiële doelen aan PMA Consultancy bekend heeft gemaakt, (iii) PMA Consultancy vervolgens een specifiek effectenleaseproduct van een specifieke aanbieder heeft geadviseerd. Deze stellingen volstaan in ieder geval voor de conclusie dat PMA Consultancy het effectenleaseproduct aan [geïntimeerde] heeft voorgesteld als geschikt voor [geïntimeerde], en dat op die grond sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling.
Het hof oordeelt dat de door [geïntimeerde] overgelegde producties voldoende aanknopingspunten bieden voor het standpunt van [geïntimeerde] dat PMA Consultancy met [geïntimeerde] de aanschaf van het effectenleaseproduct (overeenkomst III) heeft besproken. De omstandigheid dat [geïntimeerde] in zijn processtukken niet de naam of het geslacht van de tussenpersoon vermeldt, maakt niet dat zijn relaas over de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst ongeloofwaardig is. Het feit dat eerdere overeenkomsten winstgevend waren, maakt dit oordeel ook niet anders. Het hof volgt Dexia niet in haar stelling dat volgens [geïntimeerde] de wensen en financiële situatie van [geïntimeerde] voor het aangaan van overeenkomst III niet opnieuw zijn besproken. [geïntimeerde] stelt dat in of omstreeks februari 2001 mede namens hem door [partner] met de medewerker is gesproken, dat rekening is gehouden met de financiële situatie en doelstellingen van [geïntimeerde] en [partner] tezamen en dat het advies was afgestemd op hun spaargeld. Op die basis is de medewerker met het advies gekomen een overeenkomst op naam van [geïntimeerde] aan te gaan en een overeenkomst op naam van [partner] aan te gaan. Mede gelet op het feit dat tussenpersonen veelvuldig een specifiek op de persoon toegesneden advies gaven aan potentiële afnemers, waarbij het gesprek volgens een min of meer vast patroon verliep, heeft [geïntimeerde] de stelling dat er is geadviseerd, hiermee voldoende gemotiveerd onderbouwd.
Dexia heeft de door [geïntimeerde] geschetste gang van zaken niet voldoende gemotiveerd betwist. Het hof zal haar daarom niet toelaten tot het leveren van tegenbewijs. Dexia heeft immers onvoldoende aanknopingspunten verschaft om te kunnen concluderen dat de stellingen van [geïntimeerde] over de gang van zaken niet (in grote lijnen) stroken met de werkelijkheid. Het betoog van Dexia dat zij niet eerder heeft kunnen weten dat [geïntimeerde] zich zou beroepen op een schending van artikel 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (hierna: NR 1999), snijdt geen hout. Het moet Dexia, mede gezien (bijvoorbeeld) de WCAM-procedure in 2005-2006 en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, al veel eerder duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering(en) van [geïntimeerde] zij zich mogelijk zou moeten verdedigen, op welke grondslagen en voor welke schendingen.
Voor zover Dexia nog aanvoert dat de combinatie van het geven van beleggingsadvies en het aanbrengen van cliënten onder de toenmalige wet- en regelgeving geen vergunningplichtige activiteit was, wordt dit verweer verworpen. Uit HR 2 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2012) volgt dat een cliëntenremisier op grond van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 over een vergunning moet beschikken, indien hij zich niet beperkt tot het aanbrengen van een potentiële belegger bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert.
Uit het voorgaande volgt dat het ervoor moet worden gehouden dat PMA Consultancy vergunningplichtig advies heeft gegeven aan [geïntimeerde] in de zin van de prejudiciële beslissing.
Wetenschap Dexia
Ter zake van de wetenschap van Dexia heeft [geïntimeerde] gesteld dat Dexia een bedrijfsmatige werkwijze had voor de verkoop van effectenleaseproducten, waarvan onderdeel was dat door de tussenpersonen die effectenleaseproducten voor haar verkochten financieel advies werd gegeven gericht op de aanschaf van een effectenleaseproduct van Dexia. Volgens [geïntimeerde] was Dexia op de hoogte van de werkwijze van de door haar ingeschakelde tussenpersonen. Zij wist dat deze tussenpersonen standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaven aan de cliënten die zij als cliëntenremisier vervolgens bij Dexia aanbrachten als afnemers van effectenleaseproducten. [geïntimeerde] is dan ook van mening dat Dexia bekend heeft moeten zijn met de advisering aan [geïntimeerde].
Het hof overweegt als volgt. Uit de door [geïntimeerde] en Dexia overgelegde producties, die deels ook in vele andere procedures zijn overgelegd, volgt dat Dexia haar producten aanbood via tussenpersonen. Dexia heeft deze tussenpersonen destijds zelf omschreven als onafhankelijke, gespecialiseerde adviseurs met kwaliteit en kennis van zaken, zodat een met zorg omkleed persoonlijk advies gegarandeerd was. Dat terwijl zij deze tussenpersonen aan zich had gebonden als cliëntenremisier (op commissiebasis) en wist of moest weten dat deze tussenpersonen niet beschikten over een vergunning om te adviseren. Uit de overgelegde producties blijkt ook dat het voor Dexia kenbaar was dat deze tussenpersoon zich voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst tegenover [geïntimeerde] als adviseur had gepresenteerd. Gezien deze gang van zaken had Dexia behoren te waarborgen dat PMA Consultancy aan de eisen van artikel 41 NR 1999 voldeed. Dexia heeft onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat zij ook bij nader onderzoek niet had kunnen weten dat de tussenpersoon vergunningplichtig advies had gegeven. Tegen deze achtergrond had het op de weg van Dexia gelegen nader te onderbouwen waarom zij in dit concrete geval niet wist en ook niet kon weten dat [geïntimeerde] door PMA Consultancy werd geadviseerd. Kortom, er is voldaan aan het vereiste dat Dexia wist of behoorde te weten dat PMA Consultancy [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
Dexia heeft ook in dit verband aangevoerd dat de STE/AFM nooit heeft laten weten dat de tussenpersonen zonder vergunning geen advies mochten verstrekken. Wat hier ook van zij, in verhouding tot haar afnemers, ligt op Dexia, als professionele effecteninstelling, het risico van de mogelijk (achteraf) onjuiste afweging over wat vergunningplichtig advies inhoudt en/of het ontbreken van signalen van de STE/AFM dat PMA Consultancy adviseerde. Hierbij komt dat het hof hiervoor al heeft vastgesteld dat Dexia wist of behoorde te weten dat PMA Consultancy [geïntimeerde] advies heeft gegeven.
Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van Dexia, omdat zij de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot haar ‘wetenschap’ onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Bovendien heeft Dexia onvoldoende concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.
Verklaring voor recht
Dexia komt met haar voorwaardelijke grief (III) op tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door haar gevorderde verklaring voor recht met betrekking met overeenkomst III wordt afgewezen. Omdat de voorgaande grieven niet slagen, is de voorwaarde waaronder deze grief is aangevoerd niet vervuld. Deze grief behoeft daarom geen behandeling.
Conclusie
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat Dexia met betrekking tot overeenkomst III onrechtmatig heeft gehandeld en dat zij de schade van [geïntimeerde] volledig dient te vergoeden.
Partijen zijn, met verwijzing naar rov. 4.15. van het bestreden vonnis, in staat zelf de door Dexia aan [geïntimeerde] verschuldigde schadevergoeding te berekenen.
Slotsom en proceskosten
Uit het voorgaande volgt dat de grieven van Dexia niet tot vernietiging van het bestreden vonnis kunnen leiden. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
Dexia is aan te merken als de in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom in eerste aanleg terecht in de proceskosten veroordeeld, zodat de daartegen gerichte grief van Dexia faalt. Dexia dient ook in hoger beroep te worden veroordeeld in de proceskosten. Gelet op de in hoge mate gestandaardiseerde processtukken in deze procedure, zal het hof voor het bepalen van het salaris van de advocaat aansluiten bij appeltarief II.
5 De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het bestreden vonnis;
veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 362,00 aan griffierecht en op € 1.935,00 (1.5 punt × appeltarief II) voor salaris advocaat, en op € 189,00 voor nakosten. Als Dexia niet binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, worden de proceskosten vermeerderd met € 98,00 en de kosten van betekening;
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden daarvan zijn voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. P. Volker, C.A. Joustra en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 september 2026 in aanwezigheid van de griffier.