Goederenrecht

Verzoek tot het verlenen van een vervangende machtiging voor het wijzigen van de splitsingsakte (art. 5:140…

Gerechtshof Den Haag, 13 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over goederenrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Datum publicatie
8 oktober 2026
Zaaknummer
200.362.786/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. D. Korzec, mr. C. Canters
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:3025
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verzoek tot het verlenen van een vervangende machtiging voor het wijzigen van de splitsingsakte (art. 5:140 BW). Redelijke grond om medewerking aan de wijziging te weigeren?

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Zaaknummer hof : 200.362.786/01

Zaak- en rekestnummer rechtbank : 11619769 \ RP VERZ 25-50232

Beschikking van 13 oktober 2026

in de zaak van

[appellante] ,

wonend in [woonplaats]

appellante,

advocaat: mr. D. Korzec, kantoorhoudend in Amsterdam,

tegen

[verweerder] ,

wonend in [woonplaats],

verweerder,

advocaat: mr. C. Canters, kantoorhoudend in Rotterdam.

Het hof noemt partijen hierna [appellante] en [verweerder].

1 De zaak in het kort

1.1

Deze zaak gaat over het verzoek tot het verlenen van een vervangende machtiging voor het wijzigen van de splitsingsakte (art. 5:140 BW). De vraag is of [appellante] een redelijke grond had om haar medewerking te weigeren aan de wijziging.

1.2

De kantonrechter vond van niet en het hof is het daarmee eens.

2 Procesverloop in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift (met bijlagen), ter griffie ingekomen op 19 december 2025 respectievelijk 23 december 2025, is [appellante] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 24 september 2025. [verweerder] heeft een verweerschrift (met bijlagen) ingediend dat op 20 maart 2026 is ontvangen ter griffie van het hof.

2.2

[appellante] heeft een op 12 juni 2026 door de griffie ontvangen akte houdende vermeerdering van eis ingestuurd. [verweerder] heeft daarop gereageerd met een op 25 juni 2026 ontvangen akte uitlaten vermeerdering van eis (met bijlage 24).

2.3

Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 13 juli 2026. [appellante] heeft voorafgaand daaraan nog de bijlagen 15 tot en met 18 aan het hof toegestuurd en [verweerder] bijlage 25. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt. De mondelinge behandeling is op 18 augustus 2026 (met toestemming van partijen: enkelvoudig) voor het beproeven van een schikking voortgezet. Bij die gelegenheid heeft [appellante] nog de bijlagen 19 tot en met 24 overgelegd en [verweerder] de bijlagen 26 en 27. Vervolgens is een datum voor de beschikking bepaald.

2.4

MONEYOU (hypotheekhouder van het appartementsrecht [adres 1]) en de Vereniging van Eigenaars [adres 2] (hierna: de VvE) zijn als belanghebbenden opgeroepen maar niet verschenen.

3 Feitelijke achtergrond

3.1

Bij notariële akte van 1 april 1982 (hierna: de splitsingsakte) is het pand aan [adres 1] gesplitst in twee appartementsrechten, te weten 91 (de benedenwoning) en 91A (de bovenwoning). Daarbij is de VvE opgericht en het is “Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten 1973” (hierna: het Modelreglement) van toepassing verklaard.

3.2

In het Modelreglement zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 6

1. Iedere op-, aan- of onderbouw zonder toestemming van de vergadering is verboden.

(…)

Artikel 7

De eigenaars of gebruikers mogen zonder toestemming van de vergadering geen verandering in het gebouw aanbrengen, waardoor de hechtheid ervan in gevaar zou worden gebracht of waardoor het architectonisch uiterlijk of de constructie ervan gewijzigd zou worden.

(…)

Artikel 9

(…)

2.De eigenaars en gebruikers zijn verplicht het privé gedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan nader in de akte te regelen bestemming. Een gebruik dat afwijkt van deze bestemming is slechts geoorloofd met toestemming van de vergadering. (…)

3.3

[verweerder] is eigenaar van het appartementsrecht 91. Het appartementsrecht geeft recht op het uitsluitend gebruik van de benedenwoning met voor- en achtertuin, schuur en verder toebehoren. [verweerder] is voor 2/5 aandeel gerechtigd in de gemeenschap en heeft één stem in de vergadering van eigenaars.

3.4

[appellante] is eigenaar van het appartementsrecht 91A. Het appartementsrecht geeft recht op het uitsluitend gebruik van de bovenwoning met balkon, zolder en verder toebehoren. [appellante] is voor 3/5 aandeel gerechtigd in de gemeenschap en heeft één stem in de vergadering van eigenaars.

3.5

In maart 2023 heeft [verweerder] contact gehad met een makelaar en architect met betrekking tot zijn voornemen om de benedenwoning te verkopen. Er is toen geconstateerd dat de splitsingsakte en -tekening niet in overeenstemming zijn met de werkelijke situatie. Dat betrof de uitbouw (serre) en het woongedeelte in het souterrain.

3.6

Zowel op 9 oktober 2023 als op 25 oktober 2023 heeft een algemene ledenvergadering plaatsgevonden, waarbij alleen [verweerder] aanwezig was. Bij beide vergaderingen stonden de (verbouwing van de) uitbouw en het plaatsen van zonnepanelen bij de woning van [verweerder] op de agenda.

3.7

[verweerder] heeft aan [appellante] gevraagd om de splitsingsakte te mogen wijzigen, in die zin dat de uitbouw en het woongedeelte in het souterrain daarin ook worden opgenomen. Partijen hebben daarover veelvuldig gecorrespondeerd, waarna [verweerder] een notaris de opdracht heeft gegeven om de splitsingsakte te vernieuwen. [appellante] heeft uiteindelijk geweigerd om mee te werken aan de wijziging van de splitsingsakte.

3.8

Op 24 september 2025 heeft de kantonrechter de vervangende machtiging verleend. Op 24 oktober 2025 is de gewijzigde splitsingsakte bij de notaris gepasseerd.

4 Procedure bij de rechtbank

4.1

Bij verzoekschrift van 26 maart 2025 (en na vermeerdering van zijn verzoek) heeft [verweerder] de kantonrechter in de rechtbank verzocht een vervangende machtiging te verlenen tot het wijzigen van de splitsingsakte en voor zover nog medewerking of een handeling van [appellante] zou zijn vereist, [appellante] op straffe van een dwangsom te veroordelen tot medewerking.

4.2

[verweerder] heeft aan dat verzoek ten grondslag gelegd dat [appellante] haar medewerking zonder redelijke grond weigert. De splitsingsakte en -tekening zijn niet in overeenstemming met de huidige en werkelijke situatie ter plaatse. De uitbouw en het woongedeelte in het souterrain zijn immers niet of onjuist in de splitsingsakte opgenomen en in de splitsingstekening helemaal niet weergegeven. Hoewel [appellante] in eerste instantie akkoord was met de wijziging heeft zij haar medewerking hieraan alsnog geweigerd. Ook na de mondelinge behandeling bij de kantonrechter zijn partijen in overleg getreden, zijn zij op hoofdlijnen tot overeenstemming gekomen maar kwam [appellante] met nieuwe aanvullende eisen en weigerde zij alsnog haar medewerking te verlenen.

4.3

De kantonrechter heeft het verzoek tot vervangende machtiging toegewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld.

5 Verzoek in hoger beroep

5.1

[appellante] verzoekt primair de beschikking te vernietigen en subsidiair (indien het hof oordeelt dat de beschikking in stand blijft) dat [verweerder]

  • de zonnepanelen van het verlengdak verwijdert;

  • het koepeldakraam afsluit;

  • permanent en effectief alle nadelige effecten van het dakraam beëindigt;

  • alle structureel gewijzigde gemeenschappelijke onderdelen te voltooien met een structureel rapport dat wordt goedgekeurd door gekwalificeerde ingenieurs;

  • de voormalige uitbreiding herstelt;

  • het dak versterkt om het levende gewicht van een mens van gemiddeld 150 kg te kunnen dragen;

  • een vergoeding aan [appellante] betaalt gezien de inbreuk op haar eigendom, het verlies in financiële waarde en haar woongenot;

met veroordeling van [verweerder] in de kosten van beide instanties.

5.2

Na vermeerdering heeft [appellante] verzocht om daaraan toe te voegen dat:

  • artikel 35 van de toepasselijke statuten van de VvE van toepassing blijft met betrekking tot de gezamenlijke bevoegdheid van de bestuurders van de VvE;

  • [verweerder] binnen veertien dagen meewerkt aan elke notariële akte, correctie van het kadaster of andere handelingen die nodig zijn om de juridische positie van [appellante] te herstellen zoals die bestond vóór de wijziging van de akte, op straffe van een dagelijkse dwangsom bij niet-naleving.

5.3

Kort gezegd zien de bezwaren van [appellante] op het volgende. Zij heeft nooit toestemming gegeven voor de werkzaamheden die [verweerder] heeft uitgevoerd (grief 1), zij heeft de oproepingen voor de VvE-vergaderingen nooit ontvangen (grief 2), zij heeft een redelijke grond om haar toestemming te weigeren omdat zij haar eigendomsrechten verliest (grief 3) en er is nooit overeenstemming tussen partijen bereikt (grief 4).

5.4

[verweerder] heeft verweer gevoerd en heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van de beschikking en veroordeling van [appellante] in de proceskosten. Hij heeft bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van het verzoek vanwege (kort gezegd) strijd met de goede procesorde.

6 Beoordeling in hoger beroep

6.1

[verweerder] wil de splitsingsakte wijzigen omdat de uitbouw en het woongedeelte in het souterrain niet dan wel onjuist in de splitsingsakte zijn opgenomen en in de splitsingstekening helemaal niet is weergegeven. Op grond van artikel 5:139 lid 1 BW kan een akte van splitsing worden gewijzigd met medewerking van alle appartementseigenaars. Indien een of meer leden zonder redelijke grond weigeren hun medewerking of toestemming te verlenen aan de wijziging van de splitsingsakte, kan hun toestemming op grond van artikel 5:140 BW worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter. Het gaat er dus om of [appellante] zonder redelijke grond weigert haar medewerking of toestemming te geven aan de wijziging van de splitsingsakte.

6.2

[appellante] meent dat zij een redelijke grond heeft om voornoemde medewerking te weigeren. Zij voert daartoe aan dat het hier gaat om verbouwingen aan de uitbouw en het woongedeelte van het souterrain waarbij [verweerder] zich gemeenschappelijke grond en onderdelen heeft toegeëigend. De VvE-beslissing ten aanzien van de uitbreidings- en kelderwerkzaamheden was volgens [appellante] nietig. Het betreft immers een nieuwe uitbreiding op gemeenschappelijke grond met een geschatte omvang van 24m2 waarbij een voormalig schuin dak wordt verhoogd tot een vlak dak. Verder zijn er werkzaamheden verricht aan de kelder waarbij werd gezaagd in de funderingsmuur om twee grote ramen te plaatsen zodat zonlicht in de kelder kon worden gelaten. De kelder bevindt zich niet enkel op eigen grond maar (deels) op gemeenschappelijke grond. De voortuin verloor een oppervlakte van 296 cm (L) x 65 cm (W) x 72 cm (D) aan de dakkappellen. Er zijn werkzaamheden verricht aan de achtergevel van het gebouw. Daarbij heeft [verweerder] geweigerd de vraag van [appellante] te beantwoorden of hij de buitenmuur aan de achterkant had afgebroken bij de aanleg van de uitbreiding zodat [appellante] aanneemt dat [verweerder] de muur heeft doorgebroken. De zonnepanelen zijn fysiek gemonteerd aan [appellante]’s balkon. Deze werken zijn van structurele aard en hebben het uiterlijk van het gebouw zowel aan de voor- als achterkant aanzienlijk veranderd, hetgeen in strijd is met artikel 7 van het Modelreglement. Voor dergelijke handelingen is een unaniem VvE-besluit vereist zoals voorzien in art. 5:139 BW en daarvan is geen sprake. Het besluit werd alleen ondertekend door [verweerder] en [appellante] heeft nooit expliciete toestemming gegeven voor de uitbreiding van de uitbouw en kelderwerkzaamheden.

6.3

Het hof overweegt als volgt. Weliswaar is sprake van een wijziging in de goederenrechtelijke situatie (daarvoor is namelijk ook de wijziging van de splitsingsakte noodzakelijk) maar deze wijziging is niet het gevolg van de door [verweerder] gerealiseerde verbouwingen. [verweerder] heeft (met bijlage 26) voldoende onderbouwd aangetoond dat het souterrain al bestond in 2002 en door de rechtsvoorganger van [verweerder] is aangebracht. Het souterrain behoorde al tot het privé-gedeelte van [verweerder]. Ter zitting in hoger beroep heeft [verweerder] toegelicht dat hij (enkel) de bestaande ruimte hoger heeft gemaakt door de vloerbalken van het plafond te verhogen en dat hij niets heeft gewijzigd aan de fundering. Verder zijn er aan de voorkant van het souterrain ramen gemaakt met uitzicht op de voortuin. De voortuin behoort ook tot het privé-gedeelte van [verweerder]. Niet valt in te zien hoe dit ten nadele is van [appellante]. Ook is er dus geen sprake van het toe-eigenen van gemeenschappelijke gedeelten. Dat het souterrain niet zou voldoen aan veiligheidsnormen en oorzaak is van de door [appellante] geconstateerde scheurvorming, zoals [appellante] nog heeft betoogd, is onvoldoende vast komen te staan. Het rapport dat [appellante] door de Bouwkundige Keuringsdienst heeft laten opstellen (bijlage 19) kan over de oorzaak van de scheurvorming geen uitsluitsel geven en constateert in elk geval dat er geen veiligheidsprobleem is. Verder heeft [verweerder] een e-mail van 30 juli 2026 in het geding gebracht (bijlage 26) waarin namens de gemeente het volgende is opgemerkt:

“Op basis van de uitgevoerde inspectie is niet vastgesteld dat sprake is van een direct

constructief gevaar of van een situatie die door de gemeente kan worden herleid tot de

aanwezigheid van de kelder. Het ontstaan van de geconstateerde scheurvorming geeft

vooralsnog aanleiding om deze te beschouwen als regulier of cosmetisch achterstallig onderhoud.” Ook is in deze e-mail vermeld dat bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning uit 2023 tekeningen van de bestaande situatie zijn ingediend waarop de kelder is weergegeven en dat bij de beoordeling van de

constructieve onderdelen van de aanvraag rekening is gehouden met de draagkracht en

constructieve veiligheid van het gehele pand, inclusief de bestaande kelder.

6.4

Verder heeft [verweerder] gesteld dat de uitbouw al (voor 2002) door zijn voorganger is gerealiseerd en dat hij deze (enkel) heeft uitgebreid. Deze uitbouw bevindt zich in de achtertuin. [verweerder] heeft er terecht op gewezen dat de achtertuin tot het privé-gedeelte van [verweerder] behoort. In de splitsingsakte staat immers “Het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning op de begane grond met voor- en achtertuin, schuur en verder toebehoren (…)” Ook hier is er dus geen gemeenschappelijke ruimte onttrokken omdat de achtertuin al exclusief tot het gebruiksrecht van [verweerder] behoorde en [appellante] hoe dan ook geen beschikking daarover heeft. Dat het dak van de uitbouw niet aan de veiligheidsnormen zou voldoen heeft [appellante] onvoldoende onderbouwd. De vrees van [appellante] dat de uitbouw illegaal is, is eveneens ongegrond nu uit bijlage 26 volgt dat de uitbouw vergunningsvrij mocht worden gebouwd. Tot slot verwerpt het hof ook de stelling dat [verweerder] door het realiseren van een uitbouw een andere bestemming heeft gegeven aan de tuin en dat dat in strijd is met artikel 9 lid 2 Modelreglement. In artikel 9 van de (oude) splitsingsakte is immers opgenomen dat de bestemming van de appartementsrechten als bedoeld in artikel 9 lid 2 Modelreglement die van wonen is. Die bestemming heeft [verweerder] niet gewijzigd. [appellante] heeft zich nooit verzet tegen de aanwezigheid van de oude uitbouw zodat hier mogelijk sprake is van verjaring en een beroep op artikel 7 Modelreglement in zoverre faalt.

6.5

[appellante] beroept zich verder op nietigheid van het besluit van 25 oktober 2023. Een besluit van een VvE is nietig indien het in strijd is met de wet of de statuten (artikel 2:14 lid 1 BW). Volgens [appellante] is uitdrukkelijke toestemming van alle appartementseigenaars vereist en heeft zij zich juist steeds verzet tegen de verbouwingswerkzaamheden van [verweerder]. Net als de kantonrechter volgt het hof het betoog van [appellante] niet. Het wijzigen van de splitsingsakte is tussen partijen meermaals onderwerp van gesprek geweest en daarover is ook al eens op hoofdlijnen overeenstemming geweest. Van verlies van ruimte bestemd voor gemeenschappelijk gebruik is - zoals hiervoor overwogen - ook geen sprake. [appellante] verliest verder uit het oog dat ingevolge art. 5:139 BW weliswaar een meerderheidsbesluit nodig is voor de aktewijziging maar dat bij gebreke daaraan op grond van art. 5:140 BW een vervangende machtiging kan worden verzocht. Dat er geen meerderheidsbesluit ligt is dus op zichzelf geen grond voor weigering. Of [appellante] op de juiste wijze is opgeroepen voor de VvE-vergadering van 25 oktober 2023 kan in het midden blijven omdat [appellante] niet binnen een maand nadat zij van het besluit heeft kennisgenomen vernietiging van het besluit heeft verzocht.

6.6

[appellante] heeft zich ook op het standpunt gesteld dat zij door de aktewijziging onvrijwillig een groter deel betaalt aan het onderhoud en de verzekering. Ook dit betoog kan het hof niet volgen omdat onderhoud van uitbouw en souterrain en de verzekering daarvan volgens artikel 8 respectievelijk art 16 lid 2 van de nieuwe splitsingsakte voor rekening van [verweerder] komt. [verweerder] heeft gesteld en ook met bijlage 27 onderbouwd dat hij een (aanvullende) verzekering heeft afgesloten voor de uitbouw en het souterrain. [verweerder] heeft verder onweersproken gesteld dat hij heeft aangeboden de breukdelen in de (nieuwe) splitsingsakte te wijzigen maar dat [appellante] niet akkoord is gegaan met aanpassing van de breukdelen. Dat [appellante] nu een verhoogde verzekeringspremie moet betalen heeft zij onvoldoende onderbouwd. Dat geldt ook voor de stelling dat de economische waarde of verkoopbaarheid van haar appartementsrecht is gedaald. Aan die stellingen gaat het hof dan ook voorbij.

6.7

[appellante] heeft verder nog aangevoerd dat zij overlast ervaart van de aanpassingen aan de uitbouw. Zo verloor zij haar zicht op de tuin, is er verlies van privacy door het plaatsen van het dakraam, vormen de zonnepanelen een brandgevaar en stellen de zware aanpassingen aan de fundering en ondersteunende muren [appellante] bloot aan structurele schade (scheuren in het gebouw). Nog afgezien van de omstandigheid dat [verweerder] heeft aangeboden maatregelen te treffen om de bezwaren van [appellante] weg te nemen (waarmee zij niet akkoord is gegaan), is het enkele feit dat zij (enige) overlast ervaart onvoldoende reden om haar medewerking aan wijziging van de splitsingsakte te weigeren. Voor wat betreft de scheurvorming heeft [verweerder] met bijlage 25 voldoende aangetoond dat deze al aanwezig was voordat hij verbouwingswerkzaamheden heeft verricht. Dat er zware aanpassingen aan de fundering hebben plaatsgevonden die tot schade leiden, is door [verweerder] gemotiveerd betwist en door [appellante] niet (nader) onderbouwd.

6.8

Het hof is van oordeel dat [appellante] er geen reëel belang bij heeft zich ertegen te verzetten dat het souterrain en de uitbouw in de splitsingsakte aan de omschrijving van het appartementsrecht van [verweerder] wordt toegevoegd, zodat de juridische situatie gaat aansluiten bij de feitelijke situatie. [appellante] heeft daarom geen redelijke grond om haar medewerking aan wijziging van de splitsingsakte te weigeren. De grieven falen dus.

6.9

Het subsidiair verzochte (inclusief de vermeerdering) betreft een zelfstandig tegenverzoek. Op grond van art. 362 Rv is een dergelijk tegenverzoek voor het eerst in hoger beroep niet mogelijk zodat het hof [appellante] op dit punt niet-ontvankelijk zal verklaren.

6.10

Aan het bewijsaanbod van [appellante] gaat het hof voorbij omdat het geen betrekking heeft op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.

Conclusie en proceskosten

6.11

De conclusie is dat het hoger beroep van [appellante] niet slaagt en dat zij niet-ontvankelijk is in haar tegenverzoek. Daarom zal het hof de beschikking bekrachtigen. Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep.

6.12

De proceskosten van [verweerder] worden begroot op:

griffierecht € 362,-

salaris advocaat € 3.870,- (3 punten × tarief II)

nasalaris € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 4.421,-

7 Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 24 september 2025;

  • veroordeelt [appellante] in de kosten van de procedure in hoger beroep, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 4.410,-;

  • bepaalt dat als [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en deze beschikking vervolgens wordt betekend, [appellante] de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nasalaris van € 98,-;

  • verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar tegenverzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.P.J. Ruijpers, mr. J.E.H.M. Pinckaers en mr. F. van der Hoek en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2026 in aanwezigheid van de griffier.