Insolventierecht

Faillissement. Centrum van voornaamste belangen.

Gerechtshof Den Haag, 19 juni 2014

Zaakgegevens

Op 19 juni 2014 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over insolventierecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
's-Gravenhage
Datum uitspraak
19 juni 2014
Datum publicatie
22 juli 2014
Zaaknummer
200.148.072/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. C.J Blauw te Amsterdam, mr. T.H.D. Struycken te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2014:2460
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Faillissement. Centrum van voornaamste belangen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.148.072/01

Rekestnummer rechtbank : C/09/461117 / FT RK 14/430

arrest van 19 juni 2014

inzake

[appellant],

wonende te Marbella, Spanje,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. C.J. Blauw te Amsterdam,

tegen

Deutsche Bank Nederland N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

ABN AMRO Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden,

hierna te noemen: De Banken,

advocaat: mr. T.H.D. Struycken te Amsterdam.

Het geding

Bij vonnis van de Rechtbank Den Haag van 22 april 2014 is [appellant] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers tot rechter commissaris en met aanstelling van mr. M.C.J.A. Schröeder-van Waes, advocaat te 's-Gravenhage, als curator. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 30 april 2014, is [appellant] van voornoemd vonnis in hoger beroep gekomen en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen. Bij brief van 3 juni 2014 heeft [appellant] nog stukken overgelegd. Op 11 juni 2014 hebben de Banken een verweerschrift ter griffie van het hof ingediend. De curator heeft bij brief van 4 juni 2014 schriftelijk verslag uitgebracht aan het hof.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Aldaar zijn verschenen: [appellant] vergezeld van zijn advocaat, de heer J. de Groot namens de ABN Amro Bank vergezeld van zijn advocaat en de curator voornoemd.

Mr. Blauw heeft de zaak bepleit aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank – zakelijk weergegeven - het volgende overwogen. Bij gebrek aan feiten of omstandigheden die tot een andere conclusie kunnen leiden gaat de rechtbank er van uit dat in ieder geval tot augustus 2001 het centrum van voornaamste belangen van [appellant] in Nederland was gelegen. [appellant] heeft zich in augustus 2001 laten uitschrijven uit de Gemeentelijk Basisadministratie van de gemeente Wassenaar en heeft naar het zich laat aanzien sindsdien in verschillende landen zijn verblijf gehad. De rechtbank gaat er van uit dat de omstandigheid dat [appellant] na augustus 2001 geen bekende woonplaats in Nederland of daarbuiten heeft, op zichzelf niet met zich brengt dat het centrum van voornaamste belangen van verweerder niet meer in Nederland ligt. Niet is gebleken van een vaste plaats waar hij sindsdien zijn beroep is gaan uitoefenen en/of zijn verblijf heeft gehad. De Banken hebben diverse omstandigheden gesteld op grond waarvan volgens hen dient te worden aangenomen dat het centrum van voornaamste belangen van [appellant] in Nederland is blijven liggen. Het had op de weg van [appellant] gelegen om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen, en zo nodig te bewijzen, waaruit blijkt dat het centrum van de voornaamste belangen elders gelegen is. [appellant] heeft dit echter niet, althans niet in voldoende mate, gedaan. De rechtbank is van oordeel dat er van kan worden uitgegaan dat de plaats waar [appellant] gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is, ook na 2001 in Nederland is gelegen, zodat het er voor kan worden gehouden dat het centrum van de voornaamste belangen van [appellant] in Nederland gelegen is. Hierop heeft de rechtbank geoordeeld dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat [appellant] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en van het vorderingsrecht van de Banken en heeft de rechtbank [appellant] in staat van faillissement verklaard.

2.

De grieven van [appellant] kunnen als volgt worden samengevat.

[appellant] meent dat de Rechtbank Den Haag niet bevoegd was om zijn faillissement

uit te spreken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen dat het centrum van voornaamste belangen van [appellant] tot augustus 2001 in Nederland gelegen was. [appellant] heeft van 3 mei 2001 tot 1 augustus 2001, dus slechts 3 maanden, als inwoner van de gemeente Wassenaar ingeschreven gestaan. Daarvoor was hij reeds sinds 1996 niet meer in Nederland woonachtig. [appellant] is sedert 1996 actief op The London Stock Exchange waar hij bedrijven naar de beurs brengt. [appellant] heeft de Belgische nationaliteit. Uit zijn Belgische paspoort blijkt dat deze door het Belgische consulaat in London is uitgegeven.

[appellant] heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het er voor moet worden gehouden dat hij ook na 2001 zakelijke banden met Nederland heeft behouden. De activiteiten van [appellant] betreffen hoofdzakelijk werkzaamheden ten behoeve van verschillende Engelse vennootschappen. Ook de Banken waren hiervan op de hoogte. Dat [appellant] in 2005 (later, in 2008 gewijzigd) een kredietovereenkomst is aangegaan met de rechtsvoorganger van de Deutscher Bank, de Hollandsche Bank Unie (hierna: HBU) rechtvaardigt voornoemde overweging niet. Met het krediet is door [appellant] in buitenlandse vennootschappen geïnvesteerd, zoals HBU ook wist.

3.

Het verweer van de Banken kan als volgt worden samengevat. [appellant] is ook na zijn uitschrijving uit de Gemeentelijke Basisadministratie het beheer van zijn belangen in Nederland is blijven voeren. Zo heeft hij ten minste twee schuldeisers (de Banken) die aanzienlijke vorderingen op hem hebben uit hoofde van aan hem of (voorheen) aan hem gelieerde vennootschappen in Nederland verstrekte krediet, waarvoor [appellant] zich hoofdelijk aansprakelijk of borg heeft gesteld. Verder is uit verhaalsonderzoek gebleken dat [appellant] een groot gedeelte van zijn vermogen houdt door middel van een trust. De beherende entiteit is de op Curaçao gevestigde vennootschap United International Trust

N.V.. Deze N.V. is de bestuurder van de eveneens op Curaçao gevestigde vennootschap Floris De Renesse N.V. De onroerende zaak[adres 1]te Wassenaar is eigendom van Stoeplaan Monumenten B.V. in liquidatie. Stoeplaan Monumenten B.V. in liquidatie wordt bestuurd door Floris De Renesse N.V. Verder houdt [appellant] grote delen van zijn zakelijke administratie in Nederland en houdt hij kantoor in Nederland, in het bijzonder aan de [adres 2]te Den Haag.

De stelling van [appellant] dat de kredietovereenkomst is met HBU ten behoeve van investeringen in het buitenland is onjuist. [appellant] heeft zich borg gesteld voor de terugbetaling van krediet dat is verstrekt aan Stoeplaan Monumenten B.V. voor de aankoop van het pand aan de [adres 1]te Wassenaar. Nadien is de verstrekking van dit krediet overgenomen door de ABN Amro Bank waarbij [appellant] zich voor de terugbetaling eveneens hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld.

4.

De curator heeft het volgende verklaard. Het is de curator bij haar onderzoek gebleken dat de ex-vriendin en moeder van een kind van [appellant], mevrouw F. van Hulst, samen met haar kinderen wonen in het pand aan de [adres 1]in Wassenaar. Mevrouw Van Hulst heeft aangegeven over de administratie van [appellant] te beschikken en heeft deze administratie (circa 35 ordners) bij de curator aangeleverd. Uit deze administratie volgt dat de activiteiten van een groot aantal van entiteiten rond [appellant] inmiddels is gestaakt, is gefailleerd en/of is ondergebracht in een andere entiteiten. De activiteiten van de verschillende entiteiten zijn divers, maar richten zich hoofdzakelijk op het houden van aandelen in ondernemingen en/of de handel in aandelen en andere financiële

instrumenten. De verschillende entiteiten werden of worden formeel (indirect) bestuurd door de heren [bestuurder 1], [bestuurder 2] en/of [bestuurder 3]. Als vestigings- en/of correspondentieadres hanteren de verschillende entiteiten veelal het adres aan de [adres 2]te Den Haag. De betrokkenheid van [appellant] bij de verschillende entiteiten volgt uit de in de administratie aangetroffen e-mails, brieven, faxen en of bankafschriften van [appellant] (veelal geadresseerd aan de [adres 2]te Den Haag of verstuurd met een faxnummer uit de regio Den Haag) en/of de correspondentie die namens of op instructie van [appellant] wordt

gevoerd dan wel aan [appellant] en de heren [bestuurder 1], [bestuurder 2] of [bestuurder 3] gezamenlijk gericht is. Het is de indruk van de curator dat een aanzienlijk deel van de economische belangen van [appellant] direct of indirect gerelateerd zijn aan in Nederland gevestigde vennootschappen.

5.

Op basis van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting overweegt het hof als volgt.

6.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 1346/2000 betreffende

insolventieprocedures (hierna: InsVo) zijn de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is (internationaal) bevoegd de insolventieprocedure te openen. Het gaat daarbij in beginsel om het centrum van de voornaamste belangen ten tijde van de indiening van het verzoek. Het centrum van de voornaamste belangen dient volgens overweging 13 van de considerans van de InsVo overeen te komen met de plaats waar de schuldenaar gewoonlijk het beheer over zijn belangen voert en die daardoor als zodanig voor derden herkenbaar is. In beginsel is het centrum van de voornaamste belangen in geval van een natuurlijk persoon die een beroepsactiviteit uitoefent de plaats waar hij het beroep uitoefent. Uit de tekst van de bepaling noch uit de considerans van de verordening volgt dat voor natuurlijke personen de gewone verblijfplaats als centrum van de voornaamste belangen heeft te gelden (zie HR 9januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7896).

7.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het centrum van de voornaamste belangen van [appellant] ten tijde van de indiening van het verzoek tot faillietveerklaring op 5 februari 2014 in Nederland is gelegen. Het hof overweegt daartoe als volgt. [appellant] heeft ook na zijn uitschrijving uit de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Wassenaar in 2001 zakelijke banden met Nederland behouden. Zo heeft hij op 14 april 2008 een (gewijzigde) kredietovereenkomst met HBU gesloten, heeft zich op 16 december 2008 jegens HBU borg gesteld voor een vordering van de bank op een derde, heeft zich in 2010 jegens HBU hoofdelijk verbonden voor een vordering van de bank op een derde en heeft zich op 30 maart 2011 hoofdelijk verbonden voor een vordering van ABN AMRO Bank N.V. op een derde. Tevens is uit het onderzoek van de curator gebleken dat de zakelijke administratie van [appellant] ter grootte van 35 ordners zich in Nederland bevindt. Uit deze administratie is het de curator gebleken dat een aanzienlijk deel van de economische belangen van [appellant] direct of indirect gerelateerd zijn aan in Nederland gevestigde vennootschappen en dat [appellant] zich ten behoeve van zakelijke correspondentie meerdere malen heeft bediend van postbusadressen in Nederland en het adres aan de Breitnerlaan in Den Haag.

Verder is onweersproken komen vast te staan dat [appellant] een groot gedeelte van zijn vermogen houdt door middel van een trust. De beherende entiteit is de op Curaçao gevestigde vennootschap United International Trust N.V.. Deze N.V. is de bestuurder van de eveneens op Curaçao gevestigde vennootschap Floris De Renesse N.V. De onroerende zaak [adres 1]te Wassenaar is eigendom van Stoeplaan Monumenten B.V. in liquidatie. Stoeplaan Monumenten B.V. in liquidatie wordt op haar beurt weer bestuurd door Floris De Renesse N.V. Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting van het hof verklaard nergens anders op de wereld bezittingen van dergelijke omvang heeft.

6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

Beslissing

Het hof bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank Den Haag van 22 april 2014.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, J.J.I. Verburg en K.I. Oyunlu en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2014 in aanwezigheid van de griffier.