Personen- en familierecht
Ontvankelijkheid hoger beroep. Vóór verstrijken appeltermijn zijn alleen stukken ingediend; beroepschrift…
Gerechtshof Den Haag, 26 april 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:2159 · Gerechtshof Den Haag · 26 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2022-2159
Zaakgegevens
Op 26 april 2022 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 26 april 2022
- Datum publicatie
- 28 oktober 2022
- Zaaknummer
- 200.306.943/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2159
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontvankelijkheid hoger beroep. Vóór verstrijken appeltermijn zijn alleen stukken ingediend; beroepschrift wordt dag na verstrijken appeltermijn ingediend. Apparaatsfout?
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 26 april 2022deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2022:2159
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 16 december 2022
ECLI:NL:PHR:2022:1179Hoge Raad · 30 juni 2023
ECLI:NL:HR:2023:997Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg · Conclusie contrairGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.306.943/01
Rekestnummer rechtbank : FA RK 19-8702
Zaaknummer rechtbank : C/09/583958
beschikking van de enkelvoudige kamer van 26 april 2022
[appellant] ,
wonende te [plaats] , Verenigde Staten van Amerika,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
voorheen advocaat mr. M.T. Wernsen te 's-Gravenhage,
thans advocaat mr. L.L. Schipper-Heikens te ’s-Gravenhage,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. S.C. Meijler te 's-Gravenhage.
1 Het procesverloop in hoger beroep
De man is op 17 februari 2022 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Den Haag van 16 november 2021 (hierna de bestreden beschikking).
De vrouw heeft op 24 maart 2022 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een journaalbericht van de zijde van de man van 14 maart 2022 met als bijlagen het procesdossier in eerste aanleg, ingekomen op diezelfde datum.
Op 6 april 2022 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarop alleen de ontvankelijkheid van de man in hoger beroep is behandeld.
Ter zitting is/zijn, via een MsTeams-verbinding, verschenen:
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Mr. Schipper-Heikens heeft voorafgaand aan de zitting bij e-mail van 6 april 2022 pleitnotities overgelegd.
2 De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het hof dient te beoordelen of de man kan worden ontvangen in zijn hoger beroep. De man heeft op 17 februari 2022 hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 16 november 2021.
Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 358 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geldt voor de man, nu hij in eerste aanleg in de procedure is verschenen, een beroepstermijn van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat het hoger beroep van de man na afloop van de in artikel 358 Rv genoemde termijn voor het instellen van hoger beroep is ingediend en dat hij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn hoger beroep.
De man geeft aan dat zijn advocaat op 16 februari 2022 een V1-formulier heeft ingedien met de intentie om een hoger beroepschrift in te dienen. Daarbij is abusievelijk verzuimd om het beroepschrift zelf toe te voegen. In zijn visie is er daarnaast sprake van een apparaatsfout nu het hof niet op 16 februari 2022 heeft geconstateerd dat het beroepschrift ontbrak. In zijn visie dient hij de mogelijkheid te krijgen om het verzuim te herstellen.
Het hof overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de beroepstermijn op 16 februari 2022 afliep. Het beroepschrift is op 17 februari 2022 ingediend, derhalve na afloop van de geldende termijn voor het instellen van hoger beroep. Uitgangspunt is dat rechtsmiddeltermijnen van openbare orde zijn en door de rechter ambtshalve moeten worden toegepast. Hierop kan slechts onder bijzondere omstandigheden een uitzondering worden gemaakt (HR 21 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:413). Het hof constateert dat van de zijde van de man op 16 februari 2022 zowel bij de centrale balie van het paleis van justitie te Den Haag als ter griffie (alleen) stukken zijn ingediend, doch geen beroepschrift of enig (proces)stuk dat als zodanig kan worden aangemerkt. Het beroepschrift is op 17 februari 2022 via Zivver (Veilig Mailen) ter griffie ontvangen, en daarmee na afloop van de geldende termijn voor het instellen van hoger beroep. Dat de advocaat van de man de intentie had om hoger beroep in te stellen, is naar het oordeel van het hof niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan een uitzondering moet worden gemaakt op het uitgangspunt dat rechtsmiddelentermijnen ambtshalve en strikt moeten worden toegepast.
Daarbij komt dat op grond van 1.1.5 van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven, in geval van indiening van een beroepschrift via Veilig Mailen, dit beroepschrift direct per post aan de griffie van het hof dient te worden nagezonden of te worden afgegeven aan de Centrale Balie van het hof. Het hof constateert dat het beroepschrift nimmer per post bij de griffie is ingediend.
Het feit dat de griffie na ontvangst van de stukken op 16 februari 2022 niet uit eigen beweging de advocaat van de man erop heeft gewezen dat het beroepschrift ontbrak, kan naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een apparaatsfout.
Het hof ziet gelet op het vorenstaande geen grond om de man in de gelegenheid te stellen om een en ander te herstellen. Dit brengt met zich dat de man niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.
3 De beslissing
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, bijgestaan door mr. A.J. Nederveen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2022.