Personen- en familierecht
Vrouw wenst dat het hof bij de berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen af wijkt van de…
Gerechtshof Den Haag, 8 juli 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2486 · Gerechtshof Den Haag · 8 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2486
Zaakgegevens
Op 8 juli 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 juli 2026
- Datum publicatie
- 30 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.362.761/01, 200.362.761/02 en 200.362.763/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2486
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vrouw wenst dat het hof bij de berekening van de verdeling van de kosten van de kinderen af wijkt van de aanbeveling in het rapport Alimentatienormen. Het hof is van oordeel dat de vrouw geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die rechtvaardigen dat van het forfaitaire systeem moet worden afgeweken.
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers : 200.362.761/01 (ontbinding geregistreerd partnerschap), 200.362.761/02 (schorsingsverzoek) en 200.362.763/01 (verdeling)
rekestnummers rechtbank : FA RK 24-4343 (ontbinding geregistreerd partnerschap) en FA RK 25-1054 (verdeling)
zaaknummers rechtbank : C/09/668091 (ontbinding geregistreerd partnerschap) en C/09/680134 (verdeling)
beschikking van de meervoudige kamer van 8 juli 2026
inzake
[de vrouw] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. M. Jonkman te Rotterdam,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. A. Kaynak te Rotterdam.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,
locatie: Den Haag,
hierna te noemen: de raad.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Den Haag van 14 oktober 2025, uitgesproken onder voormelde zaaknummers (hierna: de bestreden beschikking).
2 Het geding in hoger beroep
De vrouw is op 18 december 2025 in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De man heeft op 5 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingediend:
-
een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 19 mei 2026 met bijlagen;
-
een journaalbericht van de zijde van de man van 20 mei 2026 met bijlagen;
-
een journaalbericht van de zijde van de man van 20 mei 2026 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 21 mei 2026 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
-
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
-
de man, bijgestaan door zijn advocaat.
De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
3 De feiten
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
Partijen zijn op [datum] 2020 in [plaats] een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan. Dit geregistreerd partnerschap is ontbonden op [datum] 2026 door inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Zij zijn de ouders van:
-
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2020 te [plaats] (hierna: [minderjarige 1] );
-
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [plaats] (hierna: [minderjarige 2] ),
(hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen).
De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
De rechtbank Den Haag heeft op 30 juli 2024 voorlopige voorzieningen getroffen, kort gezegd inhoudende dat: aan de vrouw het uitsluitende gebruik van de echtelijke woning toekomt, aan de vrouw de kinderen worden toevertrouwd, een voorlopige zorgregeling met opbouw wordt bepaald, alsmede een kinderalimentatie.
4 De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep nog van belang, de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken en voorts:
- bepaald in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: de zorgregeling) dat:
o de minderjarigen om de week van donderdag na school tot vrijdag naar school bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige 1] op vrijdag naar school brengt en [minderjarige 2] aansluitend daarop terugbrengt naar de vrouw;
o voor de duur van zes maanden: de minderjarigen om de week op vrijdag na school twee uur contact hebben met de man, bij de vrouw thuis, waarna [minderjarige 1] vervolgens bij de man verblijft tot zondag, om 19.30 uur;
o vanaf april 2026: de minderjarigen om de week van vrijdag uit school tot zondag om 19.30 uur bij de man verblijven
waarbij de man verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de minderjarigen;
- een verdeling van de feest- en vakantiedagen vastgesteld, in die zin dat de minderjarigen bij de man verblijven:
o tijdens de gehele meivakantie, tenzij de meivakantie twee weken duurt, dan zijn de minderjarigen de eerste week van de meivakantie bij de man;
o tijdens de tweede en derde week van de zomervakantie;
o tijdens de tweede week van de kerstvakantie;
o in de even jaren op Eerste Kerstdag en in de oneven jaren op Tweede Kerstdag;
-
bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 14 oktober 2025 een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van € 275,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
-
bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 14 oktober 2025 een kinderalimentatie voor [minderjarige 2] van € 333,- per maand zal betalen, en vanaf 14 april 2026 € 275,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
-
bepaald ter zake van de vergoedingsrechten dat aan de vrouw toekomt een bedrag van € 4.175,49 uit hoofde van de verplichting van de man tot (voorlopige) vergoeding van woonlasten;
-
deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de ontbinding van het geregistreerd partnerschap – uitvoerbaar bij voorraad verklaard, bepaald dat iedere partij de eigen proceskosten draagt en het meer of anders verzochte afgewezen.
De vrouw is het niet eens met die beslissing. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking deels te vernietigen en
in de zaak met zaaknummer 200.362.761/02
te bepalen dat de uitvoerbaarheid bij voorraad ten aanzien van de verdeling van de zorgregeling wordt opgeschort in afwachting van een beschikking van het hof, en;
in de hoofdzaak met zaaknummer 200.362.761/01
te bepalen dat:
1. de man contact met [minderjarige 2] zal hebben:
o voor de duur van twee maanden:
? om de week op vrijdag na school twee uur in [locatie] /bij de zwemles;
? alsmede om de week op donderdagmiddag na school twee uur contact bij de man thuis waarbij de vrouw [minderjarige 2] zal ophalen;
o voor de duur van twee maanden (volgend op de hiervoor gestelde periode):
? om de week op zaterdagochtend van 09.00 uur tot 13.00 uur contact bij de man thuis waarbij de vrouw [minderjarige 2] zal brengen en halen omdat [minderjarige 1] reeds bij de man verblijft;
? alsmede om de week op donderdagmiddag na school twee uur contact bij de man thuis waarbij de vrouw [minderjarige 2] zal ophalen;
o voor de duur van twee maanden (volgend op de hiervoor gestelde periode):
? om de week op zaterdag van 09.00 uur tot 17.30 uur contact bij de man thuis waarbij de vrouw [minderjarige 2] zal brengen en halen omdat [minderjarige 1] reeds bij de man verblijft;
? alsmede om de week op donderdagmiddag na school twee uur contact bij de man thuis waarbij de vrouw [minderjarige 2] zal ophalen;
o zes maanden na het opstarten van de opbouwregeling:
? om de week van vrijdag vanuit school tot zondag 17.30 uur;
? om de week van donderdag na school tot vrijdagochtend naar school;
2. de contactregeling van [minderjarige 1] (en uiteindelijk ook voor [minderjarige 2] ) op zondagmiddag zal eindigen om 17.30 uur;
3. de contactregeling tussen de man en de minderjarigen gedurende de kerstvakantie als volgt wordt vastgesteld:
o [minderjarige 1] tijdens de even jaren in de tweede week van de kerstvakantie en tijdens de oneven jaren in de eerste week van de kerstvakantie bij de man verblijft;
o [minderjarige 1] tijdens de even jaren op Eerste Kerstdag en in de oneven jaren op Tweede Kerstdag bij de man verblijft;
o [minderjarige 2] vanaf december 2027 tijdens de even jaren in de tweede week van de kerstvakantie en tijdens de oneven jaren in de eerste week van de kerstvakantie bij de man verblijft;
o [minderjarige 2] met ingang van april 2026 tijdens de even jaren op Eerste Kerstdag bij en in de oneven jaren op Tweede Kerstdag bij de man verblijft;
o [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tijdens oud en nieuw bij de vrouw zullen zijn;
4. de contactregeling tussen de man en de minderjarigen gedurende de meivakantie als volgt vast te leggen:
o [minderjarige 1] tijdens de oneven jaren in de eerste week van de meivakantie en tijdens de even jaren in de tweede week van de meivakantie bij de man verblijft;
o [minderjarige 2] vanaf mei 2028 tijdens de oneven jaren in de eerste week van de meivakantie en tijdens de even jaren de tweede week van de meivakantie bij de man verblijft;
5. de contactregeling tussen de man en [minderjarige 2] gedurende de zomervakantie ingaat in de zomer van 2028;
6. te bepalen dat de man ten behoeve van [minderjarige 1] een bijdrage dient te voldoen in de kosten van opvoeding en verzorging van €318,50 per maand (te indexeren met het indexeringspercentage over 2026) en een bijdrage van € 397,00 (te indexeren met het indexeringspercentage over 2026) per maand ten behoeve van [minderjarige 2] zolang [minderjarige 2] gemiddeld één dag per week bij de man is en €318,50 (te indexeren met het indexeringspercentage over 2026) per maand zes maanden na afkomst van de beschikking van het hof;
7. de man de achterstallige hypotheekpenningen ad € 17.756,34 voor zijn rekening dient te nemen en dat de verrekende belasting volledig aan de vrouw toekomt op grond waarvan aan de vrouw toekomt een bedrag van € 260.765,64 uit de overwaarde van de woning en dat aan de man toekomt een bedrag van € 88.252,42.
De man voert verweer. Hij verzoekt het hof om bij beschikking, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de vrouw in haar hoger beroep tegen de bestreden beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken van de vrouw af te wijzen, kosten rechtens.
5 De motivering van de beslissing
200.362.761/02
De vrouw heeft ter zitting haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking ingetrokken. Deze intrekking heeft tot gevolg dat, nu de door de vrouw aangevoerde gronden niet meer kunnen worden onderzocht, de vrouw niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar verzoek.
200.362.761/01
Hoor en wederhoor eerste aanleg
De eerste grief van de vrouw richt zich tegen het oordeel van de rechtbank om het aanvullende verweerschrift van de man en de brief van 5 september 2025 in behandeling te nemen. Volgens de vrouw heeft de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.
De man stelt dat er wel degelijk sprake is geweest van hoor en wederhoor bij de rechtbank. Daarnaast verbindt de vrouw geen gevolg aan deze grief, zodat de grief niet voldoende geconcretiseerd is, aldus de man.
Het hof is van oordeel dat deze grief geen doel treft. De herstelfunctie van het hoger beroep brengt met zich mee dat eventuele gebreken van de procedure in eerste aanleg in hoger beroep kunnen worden gerepareerd. Indien en voor zover er al sprake van is geweest dat de rechtbank Den Haag het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, zoals de vrouw stelt en de man betwist, is het hof van oordeel dat dit gebrek in hoger beroep is hersteld. In hoger beroep heeft immers een mondelinge behandeling plaatsgevonden en is de vrouw voldoende in de gelegenheid gesteld om op het verweer van de man te reageren. Het hof zal daarom voorbijgaan aan de stelling van de vrouw dat het beginsel van hoor en wederhoor in eerste aanleg is geschonden.
Zorgregeling
Ter zitting heeft de vrouw twee grieven betreffende de vastgestelde zorgregeling ingetrokken. Deze ingetrokken grieven betroffen de locatie van de zorgregeling en de opbouwregeling op de donderdag. Ter beoordeling aan het hof ligt de verdere vaststelling van de zorgregeling voor.
De ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling overeenstemming bereikt over de zorgregeling. Zij verzoeken het hof om de zorgregeling zoals de rechtbank die in de bestreden beschikking heeft vastgesteld vanaf april 2026 over te nemen, met uitzondering van de eindtijd waarop de man de minderjarigen op zondag moet terugbrengen naar de vrouw. Zij willen dat het hof vaststelt dat de minderjarigen om de week van vrijdag uit school tot zondag om 17.30 uur bij de man verblijven.
Ook ten aanzien van de vakantieregeling hebben partijen overeenstemming bereikt. Zij verzoeken het hof om de volgende afspraken op te nemen. De minderjarigen zijn:
-
in de meivakantie de eerste week in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man, en de tweede week in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw;
-
in de kerstvakantie de eerste week in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man, en de tweede week in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw.
Partijen zijn wat betreft de zomervakanties overeengekomen dat zij nog overleg zullen voeren om afspraken te maken over de definitieve verdeling van de zomervakanties.
Het hof zal de overeenstemming opnemen in het dictum van deze beschikking. Nu de overeengekomen zorgregeling en vakantieregeling afwijkt van de regeling die bij de bestreden beschikking is vastgesteld, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en voorgenoemde wijziging van de zorgregeling en vakantieregeling aldus vaststellen.
Kinderalimentatie
Het hof overweegt ten aanzien van de kinderalimentatie dat de grief van de vrouw zich enkel richt tegen de verdeling van de draagkracht.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking vastgesteld dat de ouders door het tekort in draagkracht beiden tot hun maximale draagkracht belast dienen te worden en dat de man slechts de helft van de zorgkorting kan verzilveren ten aanzien van [minderjarige 1] . De vrouw is het hier niet mee eens, en vindt dat van de man kan worden verlangd dat hij een groter deel van het tekort in draagkracht voor zijn rekening neemt. Omdat de vrouw een lager inkomen heeft is het niet redelijk dat de helft van het tekort via de berekening van de zorgkorting voor haar rekening komt. De verdeling van het tekort zou niet bij helfte maar naar rato van het tekort moeten worden toegerekend aan de man en de vrouw. Voor de man resteert immers gezien zijn hogere inkomen een veel groter bedrag aan ‘vrije ruimte’ dan voor de vrouw. Zij vindt dat dit maakt dat er moet worden afgeweken van de alimentatienormen. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en stelt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van het rapport Alimentatienormen rechtvaardigen.
Het hof overweegt als volgt. Het hof dient te beoordelen of hetgeen de vrouw heeft gesteld voldoende grond is om in dit specifieke geval af te wijken van het rapport Alimentatienormen. Volgens de wettelijke richtlijnen en de alimentatienormen geldt dat beide ouders verplicht zijn naar draagkracht bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage wordt rekening gehouden met de behoefte van het kind én de draagkracht van de ouders. De verdeling van het tekort aan draagkracht gebeurt in beginsel naar rato van de draagkracht van beide ouders
De zorgkorting is een vermindering op de alimentatieplicht van de niet-verzorgende ouder, gebaseerd op het aantal dagen zorg. De zorgkorting wordt slechts toegepast voor zover er voldoende draagkracht is; bij een tekort wordt deze verminderd zodat het tekort niet volledig bij één ouder terechtkomt. Het tekort aan draagkracht wordt in beginsel gelijkelijk verdeeld, of naar rato van draagkracht indien er een groot verschil is. Dit systeem waarborgt dat beide ouders tot het maximum van hun draagkracht bijdragen en dat de zorgkorting alleen wordt toegepast voor zover er draagkracht resteert. De rechter kan in bijzondere omstandigheden afwijken van de standaardverdeling om een onevenredige belasting te voorkomen.
Het hof overweegt dat hier in deze zaak geen sprake van is. Het enkele feit dat de vrouw een lagere draagkracht en daarmee een lager bedrag als vrije ruimte beschikbaar heeft dan de man, betekent niet dat de man met een hoger bedrag dient bij te dragen aan het draagkrachttekort dat er bij de ouders bestaat. De zorgkorting is immers een vermindering van de alimentatieverplichting en geen bijdrage aan het tekort. Het inkomensverschil tussen de man en de vrouw is ook niet zodanig dat van de man kan worden gevergd dat hij boven zijn draagkracht bijdraagt in het tekort. Daarbij neemt het hof ook in overweging dat de vrouw nog het bedrag van € 260.000,- in het kader van de verdeling zal ontvangen. Daarnaast kan zij bij haar nieuwe woning huurtoeslag aanvragen, waardoor de vrouw maandelijks een hoger inkomen beschikbaar heeft dan waar thans rekening mee is gehouden bij de berekening van haar draagkracht. Het hof ziet op grond van het vorenstaande geen aanleiding om af te wijken van de alimentatie normen en zal het verzoek van de vrouw, om het tekort niet bij helfte maar na rato van de draagkracht in mindering te brengen op de zorgkorting, afwijzen.
200.362.763/01
Vergoeding vaste lasten echtelijke woning
De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte de vergoeding voor het niet betalen van de hypotheek door de man heeft vastgesteld op € 4.175,-. Na de verkoop van de woning bleek namelijk dat er nog een bedrag van € 17.646,- aan openstaande hypotheekbetalingen moest worden voldaan. Op grond van de toezegging van de man tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure behoort dit volledige bedrag voor zijn rekening te komen.
De man voert verweer tegen dit verzoek van de vrouw en stelt dat de rechtbank op juiste gronden is gekomen tot het oordeel dat hij slechts € 4.175,- aan de vrouw hoeft te vergoeden.
Het hof overweegt als volgt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man erkend dat hij tijdens de voorlopige voorzieningenprocedure heeft toegezegd de woonlasten van de echtelijke woning door te betalen. Hij geeft echter aan dat hij daartoe niet in staat was vanwege financiële problemen. Ook erkent hij dat het om een bedrag van € 17.646,- gaat. Omdat de man zowel de afspraak als het bedrag van de openstaande hypotheekbetalingen erkent kan het verzoek van de vrouw in beginsel worden toegewezen met inachtneming van het volgende. Het hof merkt op dat het hier om de helft van het openstaande bedrag gaat, omdat de andere helft – bij de notariële afwikkeling van de verkoop van de woning - al ten laste van de man is gekomen doordat deze zijn aandeel in de overwaarde op de woning heeft verminderd. Het hof oordeelt dat de grief van de vrouw slaagt en wijst haar verzoek deels toe. De bestreden beschikking wordt op dit punt vernietigd en de man wordt veroordeeld tot betaling van de helft van € 17.646,-, zijnde een bedrag van € 8.823,-. Wat voor het overige door de vrouw is verzocht is niet voor toewijzing vatbaar.
Proceskosten
Het hof zal, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.362.761/02
verklaart de vrouw in haar schorsingsverzoek niet-ontvankelijk;
in de zaak met zaaknummer 200.362.761/01
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de zorgregeling en vakantieregeling, en, opnieuw beschikkende:
bepaalt in het kader van de zorgregeling dat:
-
de minderjarigen om de week van donderdag na school tot vrijdag naar school bij de man verblijven, waarbij de man [minderjarige 1] op vrijdag naar school brengt en [minderjarige 2] aansluitend daarop terugbrengt naar de vrouw;
-
de minderjarigen om de week van vrijdag uit school tot zondag om 17.30 uur bij de man verblijven;
waarbij de man verantwoordelijk is voor het halen en brengen van de minderjarigen;
stelt een verdeling van de feest- en vakantiedagen vast, in die zin dat de minderjarigen:
-
in de meivakantie de eerste week in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man zijn, en de tweede week in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw zijn;
-
in de kerstvakantie de eerste week in de oneven jaren bij de vrouw en in de even jaren bij de man zijn, en de tweede week in de oneven jaren bij de man en in de even jaren bij de vrouw zijn;
-
partijen zullen onderling overleg voeren over de zomervakanties;
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;
in de zaak met zaaknummer 200.362.763/01
vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de vergoeding vaste lasten echtelijke woning, en, opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 8.823,- zoals overwogen in r.o. 5.12;
in de zaken met zaaknummer 200.362.761/01 en 200.362.763/01
verklaart deze bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Sutorius-van Hees, A.N. Labohm en P.C. van Es, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 8 juli 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.