Personen- en familierecht
Tussenbeschikking; voorlopige beslissing. Hof acht ingrijpen dringend noodzakelijk wegens risico van blijvend…
Gerechtshof Den Haag, 29 juli 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:2500 · Gerechtshof Den Haag · 29 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2500
Zaakgegevens
Op 29 juli 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Datum publicatie
- 31 juli 2026
- Zaaknummer
- 200.363.683/01 en 200.362.947/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. D.J.P.H Stoelhorst te Weert, mr. G.A.P Avontuur te Oosterhout (NB), mr. I.J.M Gelissen, mr. I.J.M Gelissen, mr. G.A.P Avontuur te Oosterhout (NB), mr. D.J.P.H Stoelhorst te Weert
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2500
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Tussenbeschikking; voorlopige beslissing. Hof acht ingrijpen dringend noodzakelijk wegens risico van blijvend contactverlies van de kinderen met vader zonder objectieve rechtvaardiging. Kinderen verblijven voorlopig bij de vader en er geldt een begeleide contactregeling met de moeder waarbij de gecertificeerde instelling de regie heeft. Voortzetting mondelinge behandeling na drie maanden.
Doorverwezen door Gerechtshof 's-Hertogenbosch, zie ECLI:NL:GHSHE:2025:3584
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Familie
zaaknummers gerechtshof Den Haag : 200.363.683/01 en 200.362.947/01
rekestnummers rechtbank Oost-Brabant : FA RK 24-4739 en JE RK 25-194
zaaknummers rechtbank Oost-Brabant : C/01/410263 en C/01/412752
zaaknummers gerechtshof ’s-Hertogenbosch : 200.358.432/01 en 200.358.492/01
beschikking van de meervoudige kamer van 29 juli 2026
in de zaak met zaaknummer 200.363.683/01:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst te Weert
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur te Oosterhout (NB)
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de gecertificeerde instelling] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
advocaat: mr. I.J.M. Gelissen
en in de zaak met zaaknummer 200.362.947/01:
[de gecertificeerde instelling] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
advocaat: mr. I.J.M. Gelissen
tegen
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur te Oosterhout (NB)
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. D.J.P.H. Stoelhorst te Weert
Beide zaken gaan over de minderjarigen:
-
[minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ;
-
[minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] .
Zij zullen hierna worden genoemd: de kinderen.
In zijn adviserende en/of toetsende taak is in beide zaken gekend:
de raad voor de kinderbescherming, regio Limburg ,
locatie: Maastricht ,
hierna te noemen: de raad.
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
In de zaken die hier aan de orde zijn, heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 9 december 2025 twee tussenbeschikkingen gegeven. De eerste tussenbeschikking bevat de inhoudelijke beoordeling. Voor het verloop van de procedure in hoger beroep tot nu toe verwijst het hof Den Haag (hierna: het hof) naar deze tussenbeschikking.
Bij de tweede tussenbeschikking heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de zaken in de stand waarin deze zich bevinden doorverwezen naar het hof voor verdere behandeling. Net als het hof ’s-Hertogenbosch zal het hof beide zaken, gelet op de samenhang, tegelijkertijd behandelen en beslissen in één beschikking.
In de inhoudelijke tussenbeschikking heeft het hof ’s-Hertogenbosch de gecertificeerde instelling opdracht gegeven het eerder opgestelde veiligheidsplan te actualiseren, een herstelgesprek tussen de vader en de kinderen voor te bereiden en (alleen als het [hulpverleningstraject] naar tevredenheid is afgerond) te voeren en, ten slotte, de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie van de vader nader te onderzoeken. Omdat er in de tussentijd wel contact tussen de vader en de kinderen moest zijn, op een wijze waarop de veiligheid van de kinderen volledig zou zijn gewaarborgd, heeft het hof een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de vader en de kinderen contact met elkaar hebben in het kader van een traject van begeleide omgang (het [hulpverleningstraject] ). Omdat de moeder de zorgregeling in het verleden meerdere keren niet is nagekomen, is aan haar medewerking aan dit traject een dwangsom verbonden.
Het hof ’s-Hertogenbosch heeft in zijn beschikking benadrukt dat het nadere onderzoek naar de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader moet worden gedaan vanuit zijn oordeel dat er sprake is van meerdere (objectieve) signalen van onveiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader. Reden daarvoor was dat de gecertificeerde instelling de veiligheid van de kinderen bij de vader op dat moment al voldoende gewaarborgd vond. Aan de gecertificeerde instelling is verzocht vóór 9 april 2026 een nadere verslaglegging in het geding te brengen over de wijze waarop het nadere onderzoek is verricht, met daarbij het geactualiseerde veiligheidsplan en het eindrapport van het [hulpverleningstraject] .
Het hof heeft hierna in beide zaken de volgende stukken ontvangen:
van de gecertificeerde instelling:
-
een journaalbericht van 7 april 2026, ingekomen op 10 april 2026, met als bijlagen het geactualiseerde veiligheidsplan en het verslag van de gecertificeerde instelling met bijlagen;
-
een journaalbericht van 9 april 2026, ingekomen op diezelfde datum, met als bijlage de tussentijdse rapportage van het verloop van het [hulpverleningstraject] ;
-
een journaalbericht van 2 juli 2026, ingekomen op diezelfde datum, met wijziging van het verzoek en met bijlagen waaronder de eindrapportage van het [hulpverleningstraject] ;
van de moeder:
-
een journaalbericht van 30 april 2026, ingekomen op 1 mei 2026, met bijlagen;
-
een journaalbericht van 6 juli 2026, ingekomen op diezelfde datum, met bijlagen;
van de vader:
- een journaalbericht van 3 juli 2026, ingekomen op diezelfde datum, met wijziging van het verzoek en met bijlage.
Nadat [minderjarige 1] eerder al een brief aan het hof had gestuurd via de kinder- en jongerenrechtswinkel, heeft de voorzitter van het hof op 10 juli 2026 met [minderjarige 1] gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling is een samenvatting gegeven van de brief van [minderjarige 1] en van dit gesprek. Alle betrokkenen hebben hierop kunnen reageren.
De mondelinge behandeling in beide zaken is voortgezet op 16 juli 2026. Verschenen zijn:
-
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
-
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
-
de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] , bijgestaan door [jurist GI] , jurist;
-
de raad, locatie [locatie 2] , vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overhandigd en voorgedragen.
Alle partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd bevestigd dat het hof alles wat partijen naar voren hebben gebracht en aan stukken hebben overgelegd in de ene zaak, ook als naar voren gebracht en overgelegd in de andere zaak mogen beschouwen. Gemakshalve zal het hof hierna ook wel naar beide zaken verwijzen met ‘de zaak’.
2 De verdere beoordeling
Het hof zal hierna achtereenvolgens de volgende onderdelen bespreken:
-
de (gewijzigde) verzoeken waarop het hof moet beslissen;
-
de opdrachten van het hof ’s-Hertogenbosch aan de gecertificeerde instelling;
-
de begeleide contacten tussen de vader en de kinderen (het [hulpverleningstraject] );
-
hoe willen partijen nu verder?
-
wat adviseert de raad op de zitting?
-
de beslissing;
-
de uitleg van de beslissing;
-
voortzetting van de mondelinge behandeling.
De (gewijzigde) verzoeken waarop het hof moet beslissen
Na de tussenbeschikkingen van het hof ’s-Hertogenbosch hebben de vader en de gecertificeerde instelling hun verzoeken gewijzigd. De verzoeken waarop het hof nu moet beslissen, houden (samengevat) het volgende in.
De vader verzoekt het hof, na wijziging van zijn verzoek:
-
af te wijzen de verzoeken van de moeder in eerste aanleg tot wijziging van de geldende zorgregeling tussen de vader en de kinderen in een begeleide zorgregeling, althans een onbegeleide, beperkte zorgregeling;
-
primair: het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader te bepalen en een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen vast te stellen van één weekend per twee weken, en
-
subsidiair: de zorgregeling tussen de vader en de kinderen vast te stellen die de gecertificeerde instelling in eerste aanleg heeft verzocht, te weten een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen de helft van de tijd bij ieder van de ouders verblijven, met instandhouding van de dwangsom die de moeder moet betalen als zij de zorgregeling niet nakomt;
-
de moeder te veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en van het hoger beroep.
De gecertificeerde instelling verzoekt het hof, na wijziging van haar verzoek:
-
primair: het verzoek van de vader tot vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem toe te wijzen, met inzet/voortzetting van hulpverlening voor de kinderen, en met vaststelling van een begeleide omgangsregeling ( [hulpverleningstraject] ) tussen de moeder en de kinderen; en
-
subsidiair: een co-ouderschapsregeling vast te stellen waarbij de kinderen de helft van de tijd bij ieder van de ouders verblijven (week-op-week-af). Hierbij geldt volgens de GI als voorwaarde dat er in de thuissituatie van beide ouders hulpverlening is, bij de moeder gericht op systemische gezinsbehandeling en bij de vader gericht op de ondersteuning bij het hervormen van het samengestelde gezin.
De moeder verzoekt het hof een begeleide omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen, en de gecertificeerde instelling in de kosten van deze procedure te veroordelen.
De opdrachten van het hof ’s-Hertogenbosch aan de gecertificeerde instelling
De gecertificeerde instelling heeft in april 2026 een geactualiseerd veiligheidsplan aan de ouders toegestuurd. Het herstelgesprek tussen de vader en de kinderen dat de gecertificeerde instelling volgens de instructie van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch zou moeten voeren als het [hulpverleningstraject] naar tevredenheid was afgerond, heeft nog niet kunnen plaatsvinden.
Ter uitvoering van de opdracht tot nader onderzoek van de veiligheid van de kinderen bij de vader, heeft de gecertificeerde instelling een huisbezoek afgelegd bij de vader, zijn partner en hun zoon om de fysieke thuissituatie en de opvoedsituatie in kaart te brengen. Met de vader en zijn partner zijn gesprekken gevoerd over hun opvoedvaardigheden, het stellen van grenzen, de emotionele beschikbaarheid en de bereidheid en mogelijkheden om de kinderen een veilige en voorspelbare omgeving te bieden. Om zicht te krijgen op de huidige relatie van de vader en de kinderen en op de stappen die eventueel kunnen worden gezet om de omgang uit te breiden, heeft de gecertificeerde instelling kennis genomen van de verslagen vanuit het [hulpverleningstraject] en de evaluatiegesprekken met de ouders bijgewoond. Verder heeft de gecertificeerde instelling informatie opgevraagd bij betrokken professionals, waaronder de school, de huisarts, en hulpverleners van [hulpverleningsinstantie 1] (die het [hulpverleningstraject] uitvoert) en [hulpverleningsinstantie 2] (die eerst hulp verleende aan beide ouders en later alleen aan de vader). Dit om patronen in gedrag en communicatie van de ouders (ten opzichte van de kinderen en van elkaar) in kaart te brengen. Daarbij is gekeken naar het gedrag van de vader richting de kinderen, de manier waarop de ouders met elkaar communiceren, incidenten die eerder hebben plaatsgevonden, en de manier waarop de vader omgaat met spanningen, afspraken, grenzen en samenwerking. Op 22 juni 2026 heeft de gecertificeerde instelling de ARIJ-veiligheidstaxatie bij de vader afgenomen. Uit deze taxatie komt naar voren dat het risico op toekomstige onveiligheid laag is.
In aanvulling op het [hulpverleningstraject] is gestart met specialistische hulpverlening aan de kinderen bij [hulpverleningsinstantie 3] . Doel hiervan is nadere diagnostiek bij en behandeling van de kinderen. De rapportage van [hulpverleningsinstantie 3] was op het moment van de zitting nog niet beschikbaar. Bij navraag door de gecertificeerde instelling kort voor de zitting kon [hulpverleningsinstantie 3] nog niet zeggen wanneer deze rapportage gereed zal zijn.
De gecertificeerde instelling heeft het hof eerder laten weten dat aanvullend onderzoek nodig is om de veiligheid, opvoedsituatie en ontwikkelingsvoorwaarden in beide thuissituaties volledig in kaart te brengen en te kunnen beoordelen wat nodig is voor duurzame stabiliteit voor de kinderen. Daarvoor is volgens de gecertificeerde instelling het volgende nodig:
1. inzet van [hulpverleningstraject] in de thuissituatie bij de vader, waarbij ook de partner, het halfbroertje en de stiefzus meegenomen worden in de observaties en begeleiding;
2. inzet van opvoedondersteuning in de thuissituatie bij de vader (ook tijdens de [hulpverleningstraject] -bezoeken), om zicht te krijgen op de dagelijkse opvoedpraktijk, de interactie en de gezinsdynamiek;
3. inzet van passende hulpverlening in de thuissuatie bij de moeder, gericht op voor- en nazorg rondom de omgangsmomenten met actieve betrokkenheid van de kinderen en de moeder;
4. uitvoering van een uitgebreide veiligheidsanalyse door een betrokken hulpverleningsinstantie, waarbij wordt gekeken naar risicofactoren (zoals structurele strijd tussen de ouders, negatieve uitlatingen richting de andere ouder en loyaliteitsdruk bij de kinderen) en beschermende factoren (zoals steun vanuit het netwerk bereidheid tot samenwerking en leerbaarheid) in beide thuissituaties.
De begeleide contacten tussen de vader en de kinderen (het [hulpverleningstraject] )
Vanaf 11 februari 2026 tot en met 10 juni 2026 hebben in het kader van het [hulpverleningstraject] achttien begeleide bezoeken plaatsgevonden. Vanaf het vijfde bezoek ging het om wekelijkse bezoeken van twee uur per keer.
Bij de evaluatie van 11 mei 2026 heeft [hulpverleningsinstantie 1] geadviseerd het gezin van de vader – in eerste instantie alleen de partner van de vader en het halfbroertje van de kinderen – bij de omgangsmomenten te gaan betrekken. Dit is niet doorgegaan, omdat de moeder hiervoor geen toestemming heeft gegeven.
[hulpverleningsinstantie 1] concludeert in de eindrapportage van 18 juni 2026 dat de omgang tussen de vader en de kinderen (in de achttien bezoeken die hebben plaatsgevonden en die overwegend in de woning van de vader hebben plaatsgevonden) consequent positief verloopt. De kinderen voelen zich zichtbaar veilig en op hun gemak bij de vader. Zij zoeken actief zowel verbaal als fysiek contact, betrekken de vader bij hun spel, delen persoonlijke ervaringen en zoeken hem op voor steun en troost als zij spanning of verdriet ervaren. De vader sluit gedurende de omgang sensitief en responsief aan bij de behoeften van de kinderen, biedt passende structuur en begrenzing en reageert rustig en consequent op hun emoties en gedrag. Verder uiten de kinderen de wens om meer tijd met de vader door te brengen, zoals samen op vakantie gaan en langere omgangsmomenten. De vader houdt de kinderen buiten de problematiek van de volwassenen en richt zich op het contact met de kinderen.
[hulpverleningsinstantie 1] merkt in deze rapportage verder op dat er vanuit professioneel perspectief op basis van de kwaliteit van de interactie geen zorgen bestaan over het contact tussen de vader en de kinderen, en dat de kwaliteit van de ouder-kindrelatie aanleiding geeft om de omgang uit te breiden naar onbegeleide contactmomenten.
Deze uitbreiding naar onbegeleide contacten heeft echter niet plaatsgevonden. Dat had te maken met het grote verschil tussen de observaties van de omgangsbegeleiders en wat de kinderen volgens de moeder aan haar terugkoppelen. Dit verschil was eerder al aanleiding om de omgang vanaf 23 april 2026 (na een formele klacht van de moeder) te laten begeleiden door twee medewerkers van [hulpverleningsinstantie 1] , in plaats van één. [hulpverleningsinstantie 1] vermeldt hierover in de eindrapportage dat de observaties van beide medewerkers gedurende het hele traject consistent zijn en elkaar bevestigen.
De omgang is begeleid gebleven, niet vanwege de kwaliteit van het contact tussen de vader en de kinderen, maar omdat bij onbegeleide omgang wat de moeder daarover zou rapporteren niet meer zou kunnen worden getoetst aan objectieve observaties van de [medewerkers] , aldus [hulpverleningsinstantie 1] .
[hulpverleningsinstantie 1] beschrijft verder ernstige zorgen over het handelen van de moeder gedurende het traject. Er zijn herhaaldelijk signalen geweest die erop wijzen dat de kinderen door de moeder met volwassenenproblematiek worden belast en worden betrokken bij onderwerpen die betrekking hebben op het conflict tussen de ouders. De kinderen spreken tijdens de omgang over juridische kwesties, financiële afspraken en toestemming voor vakanties. Ook benoemen de kinderen dat zij van moeder dingen wel of juist niet moeten zeggen. Deze signalen zijn structureel aanwezig gebleven, ook nadat deze zorgen met de moeder zijn besproken. [hulpverleningsinstantie 1] wijst erop dat dit een risico is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen, de hechtingsrelatie met beide ouders ernstig onder druk kan zetten en voor ouderonthechting kan zorgen.
De grootste zorg binnen deze casus ligt dan ook niet bij de kwaliteit van het contact tussen de vader en de kinderen, maar bij de belasting die de kinderen ervaren als gevolg van de ouderlijke strijd en wat de moeder hierover met de kinderen deelt, zo schrijft [hulpverleningsinstantie 1] aan het slot van de eindrapportage.
De zorg dat de moeder de kinderen belast met volwassenenproblematiek is voor [hulpverleningsinstantie 1] uiteindelijk aanleiding geweest om daarover op 18 juni 2026 een melding te doen bij Veilig Thuis. Veilig Thuis heeft de melding op 2 juli 2026 overgedragen aan de gecertificeerde instelling, wat betekent dat de verantwoordelijkheid voor vervolgstappen bij de gecertificeerde instelling ligt.
Omdat de moeder tijdens de laatste evaluatie, op 11 juni 2026, heeft laten weten dat zij op korte termijn een nieuwe gerechtelijke procedure zal starten waarin zij het eenhoofdig gezag zal vragen, kon het [hulpverleningstraject] niet in de lopende vorm worden voortgezet. Voor de start van het traject hadden ouders immers een samenwerkingscontract ondertekend waarin was opgenomen dat gedurende het [hulpverleningstraject] geen nieuwe juridische procedure wordt gestart met betrekking tot onderwerpen die samenhangen met de omgangsregeling en de invulling van het ouderschap na scheiding. Met het oog op de continuïteit van de contacten tussen de vader en de kinderen zouden vanaf dat moment alleen nog begeleide contacten worden gefaciliteerd, maar het inhoudelijk onderzoek en de rapportage zouden tot een minimum worden beperkt.
Bij het contactmoment van 24 juni 2026 is de moeder alleen met [minderjarige 2] verschenen. [minderjarige 2] en de moeder hebben gezegd dat [minderjarige 2] niet wil, en de omgang is niet doorgegaan. Volgens de moeder was [minderjarige 1] er niet omdat ook hij niet meer wil komen. De moeder heeft de begeleider later verteld dat de kinderen niet willen en dat zij hen niet zal dwingen.
Daarna is er geen contact meer geweest tussen de vader en de kinderen.
Hoe willen partijen nu verder?
Ondanks de positieve omgangsverslagen, is de moeder ervan overtuigd dat de kinderen de omgangsmomenten als negatief ervaren. Volgens de moeder leiden deze contacten tot herbelevingen van eerdere negatieve ervaringen met de vader en tot verschillende fysieke klachten bij de kinderen. Daarom wil de moeder dat er eerst meer zicht komt op de beleving van de kinderen en wat zij hebben meegemaakt, en dat daarin ondersteuning aan de kinderen wordt geboden, zodat er daarna een normaal contact met de vader kan zijn. Daarnaast wil de moeder dat de veiligheid in de thuissituatie bij de vader beter wordt onderzocht voordat verdere stappen worden gezet.
De vader wil dat het contact tussen hem en de kinderen zo snel mogelijk wordt hersteld. Volgens de vader is er geen reden voor bezorgdheid over de veiligheid van de kinderen als zij bij hem zijn. De moeder is de zorgregeling in het verleden bij herhaling niet goed nagekomen. Ondanks het verbeuren van aanzienlijke dwangsommen heeft zij de huidige begeleide omgang ook weer stopgezet. Verder blijft de moeder de kinderen negatief beïnvloeden als het om het contact met de vader gaat. Voor blijvend contactherstel is daarom volgens de vader nodig dat het hoofdverblijf van de kinderen nu bij hem wordt bepaald, waarbij een zorgregeling tussen de moeder en de kinderen kan worden vastgesteld.
De gecertificeerde instelling vindt dat de kinderen onbelast contact met hun vader moeten kunnen hebben. De moeder heeft zonder goede reden de begeleide omgang stopgezet. In het belang van de kinderen moet de omgang zo snel mogelijk wordt hervat, maar de middelen van de gecertificeerde instelling om dit te bewerkstelligen raken uitgeput. De gecertificeerde instelling ondersteunt daarom het verzoek van de vader tot vaststelling van het hoofdverblijf van de kinderen bij hem. Vanwege de zorg dat de moeder de kinderen ernstig belast met volwassenenproblematiek, verzoekt de gecertificeerde instelling vaststelling van een begeleide omgangsregeling tussen de moeder en de kinderen. In die situatie kan de gecertificeerde instelling zien welk gedrag er bij de kinderen overblijft als zij niet meer door de moeder kunnen worden belast met zaken die bij de kinderen weggehouden behoren te worden.
Als het hof de gecertificeerde instelling hierin niet volgt, moet een co-ouderschapsregeling worden vastgesteld waarbij de kinderen week op, week af bij de ouders verblijven. De verwachting is dat deze regeling rustiger voor de kinderen zal zijn en hen gedeeltelijk uit het loyaliteitsconflict haalt. De kinderen krijgen dan de mogelijkheid zich een eigen beeld van de vader te vormen en daar hebben zij recht op.
Wat adviseert de raad op de zitting?
De raad heeft op de zitting bij het hof verklaard dat niet alle processtukken door de raad zijn ontvangen, zodat de raad niet vooraf van het hele dossier heeft kunnen kennisnemen; de raad heeft wel de (recente) stukken van de hulpverlening goed gelezen. Omdat de zaak op de zitting zeer uitvoerig is besproken en het advies van de raad onder meer gaat over algemene inzichten over de ontwikkeling en de belangen van kinderen, op welk gebied de raad deskundig is, hecht het hof waarde aan de hierna weergegeven opmerkingen van de raad.
De raad benoemt dat wat de gecertificeerde instelling van het hof vraagt een grote impact zal hebben. Als de kinderen bij de vader gaan wonen, gaat de situatie voor de kinderen in het begin lastiger worden. Daarom zou dat goed moeten worden begeleid. Maar de raad begrijpt dat de middelen van de gecertificeerde instellingen op raken en ziet ook dat de zorgen alleen maar groter worden. De raad vindt het belangrijk dat de gecertificeerde instelling de ruimte krijgt om haar taak uit te oefenen en de zorgen af te wenden. Het stopzetten van de omgang lost niets op. Bovendien wordt daardoor de drempel voor de kinderen om goed contact met hun vader te hebben hoger en hoger. Als er niets wezenlijk verandert, dan gaan de kinderen een keuze maken voor één ouder, en dat is nu al in werking gezet. De raad maakt zich daar ernstig zorgen over.
De raad is in dit geval geen voorstander van een 50/50- regeling. Zo’n regeling kan goed werken als deze gedragen wordt door beide ouders, maar dat is hier niet het geval. Dan gaat het de belasting van de kinderen vergroten. Het is nu kiezen tussen twee kwaden.
De beslissing
In deze beschikking zal het hof een voorlopige zorgregeling vaststellen waarbij de kinderen hoofdzakelijk bij de vader zijn en zij onder begeleiding contact met de moeder hebben van minimaal 2 uur per week. Het hof zal bepalen dat de regie over de invulling van de contacten bij de gecertificeerde instelling ligt. Daarbij is het de bedoeling dat het contact van de kinderen met de moeder zo snel mogelijk (zodra de gecertificeerde instelling dat met het oog op de belasting van de kinderen door de moeder verantwoord vindt) wordt uitgebreid in duur en van begeleid naar onbegeleid. Het is voor de kinderen van groot belang om ruim contact te hebben met de moeder, die op dit moment hun primaire hechtingsfiguur is. In het ideale geval zou die uitbreiding leiden tot een co-ouderschap, bijvoorbeeld in de vorm die de gecertificeerde instelling en de vader subsidiair hebben verzocht.
Iedere verdere beslissing – over het hoofdverblijf, de definitieve zorgregeling en de proceskosten – zal worden aangehouden tot de verderop in deze beschikking genoemde mondelinge behandeling.
Het hof zal hierna uitleggen hoe het tot deze voorlopige beslissing is gekomen.
De uitleg van de beslissing
Het hof vindt de hierboven vermelde beslissing in het belang van de kinderen dringend noodzakelijk. Dit wordt hieronder toegelicht.
Het hof zal daarbij achtereenvolgens ingaan op:
- de dringende noodzaak van de vast te stellen voorlopige zorgregeling;
- de veiligheid van de kinderen bij de vader;
- de draagkracht van de kinderen voor de vast te stellen voorlopige zorgregeling.
De dringende noodzaak van de vast te stellen voorlopige zorgregeling
De omstandigheid dat de moeder tijdens het lopende [hulpverleningstraject] heeft aangekondigd dat zij een procedure over eenhoofdig gezag zal starten waardoor het traject moest worden aangepast en zij uiteindelijk de begeleide omgangsregeling helemaal heeft stopgezet, heeft de situatie voor de kinderen – onnodig – op scherp gezet en een impasse gecreëerd. Vanuit de begeleide omgangsregeling had rustig kunnen worden toegewerkt naar een bestendige zorgregeling van de kinderen met de vader. Bij de invulling daarvan hadden ook de resultaten van het lopende onderzoek door [hulpverleningsinstantie 3] en de daaruit voortvloeiende hulpverlening kunnen worden betrokken. Omdat de moeder de kinderen niet meer naar de begeleide omgangsmomenten zal brengen, is deze mogelijkheid nu komen te vervallen. De moeder heeft op de zitting van het hof dan wel gezegd dat de begeleide omgang wat haar betreft weer kan starten als iemand anders de overdracht van de kinderen regelt en de moeder de kinderen niet zelf hoeft te dwingen, maar de gecertificeerde instelling ziet daar geen heil in. Zij geeft aan dat als de moeder niet achter de omgang met de vader staat, het heel moeilijk is voor de kinderen om te voelen dat het goed is om naar hun vader te gaan. Ook het hof acht de kans van slagen van het opbouwen van een bestendige zorgregeling onder die omstandigheden zeer klein. Bovendien ziet het hof, mede gelet op de vele dwangsommen die de moeder al heeft verbeurd, geen enkele garantie dat de moeder na enige tijd niet opnieuw haar medewerking aan (al dan niet begeleide) contacten zal weigeren.
Het hof vindt het zorgelijk dat de moeder de door het hof ’s-Hertogenbosch vastgestelde zorgregeling niet meer nakomt. De moeder legt hiermee welbewust – en niet voor het eerst – het oordeel van de rechters en de adviezen van de betrokken professionele hulpverleners naast zich neer. Dat de kinderen zeggen dat zij niet meer willen gaan en dat de moeder, zoals zij tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard ‘niet de boeman wil zijn’ vormt daarvoor onvoldoende rechtvaardiging. Naar het oordeel van het hof handelt de moeder in strijd met de belangen van de kinderen en van de vader, omdat zij het de kinderen steeds moeilijker maakt de vader een plek in hun leven te gunnen, terwijl tijdens de begeleide omgang juist een warm en liefdevol contact tussen de vader en de kinderen wordt gezien. Het hof begrijpt dat het lastig is voor de moeder als de kinderen bij haar andere signalen afgeven, maar zoals de moeder tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend, is het heel goed mogelijk dat de tegenstrijdige signalen voortkomen uit het loyaliteitsconflict waar de kinderen last van hebben. In ieder geval ziet het hof geen enkele reden waarom de begeleide contacten in het kader van het [hulpverleningstraject] , waarbinnen de fysieke en emotionele veiligheid van de kinderen gewaarborgd was, moest worden gestaakt. Inzicht in de negatieve consequenties van het (bij herhaling) stopzetten van de omgang met de vader, lijkt bij de moeder volledig te ontbreken.
Gelet op het ernstige loyaliteitsconflict waarin de kinderen zich al jarenlang bevinden, de omstandigheid dat de kinderen sinds kort aangeven niet meer naar de omgangsmomenten met de vader te willen gaan en het feit dat moeder de omgang wederom heeft stopgezet, maakt het hof zich ernstig zorgen over een definitief verlies van het contact van de kinderen met hun vader, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. De kinderen worden ouder, krijgen steeds meer van de strijd tussen de ouders mee en elke keer dat de omgang met de vader wordt stopgezet, wordt de drempel voor een goed en onbelast contact met de vader hoger. Gelet op de leeftijd van de kinderen en de goede kwaliteit van de relatie tussen hen en de vader die tijdens de begeleide omgang door objectieve professionals is geconstateerd, is het nu nog mogelijk om in te grijpen. Als langer gewacht wordt en de kinderen uit zelfbescherming (nog sterker) voor één ouder gaan kiezen, acht het hof de kans (te) groot dat dit niet meer verantwoord kan gebeuren. Daarom acht het hof het dringend noodzakelijk dat de kinderen voorlopig hoofdzakelijk bij de vader zullen verblijven. Zoals de raad op de zitting heeft opgemerkt, is dit een ingrijpende beslissing, die de situatie in het begin waarschijnlijk moeilijker voor de kinderen zal maken. Ook op de moeder en op (de overige gezinsleden van) de vader zal deze verandering een grote impact hebben. Maar het hof acht deze stap noodzakelijk om te waarborgen dat de kinderen beide ouders in hun leven houden.
Voor het contact van de moeder met de kinderen is van belang dat in het [hulpverleningstraject] is geconstateerd dat de moeder de kinderen belast met de problematiek van de volwassenen. Uit de verslagen van het [hulpverleningstraject] blijkt dat de begeleiders op dit punt zulke ernstige zorgen hadden dat er, na tevergeefse bespreking van de zorgen met de moeder, uiteindelijk een melding is gedaan bij Veilig Thuis. In de Veilig Thuis-melding worden veel voorbeelden van uitlatingen van de kinderen genoemd, waarin zij er blijk van geven bezig te zijn met zaken waarmee zij op hun leeftijd niet horen te worden belast. Zo wordt door de [medewerkers] onder meer het volgende beschreven:
-
[minderjarige 1] zegt tegen [minderjarige 2] : ‘ [minderjarige 2] , jij moet ook nog vertellen wat bij mama is gezegd. Anders krijgen we de tien euro niet.’
-
[minderjarige 2] vraagt waarom [minderjarige 1] van vader niet naar het kinderfeestje van zijn beste vriend mag;
-
[minderjarige 2] zegt tegen vader: ‘weet je al dat we 5 minuten later zijn? Weet je dat jij tegen mama hebt gezegd dat zij geld moet betalen als we te laat komen?’,
-
[minderjarige 1] vertelt dat de moeder heeft gezegd dat vader de politie op hen af heeft gestuurd toen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en moeder op vakantie naar [land] wilden gaan.
Verder vermelden de [medewerkers] bijvoorbeeld dat de moeder een filmpje van [minderjarige 2] heeft gemaakt. In dit filmpje benoemt [minderjarige 2] dat zij zich ervan bewust is dat ze wordt gefilmd. De moeder vraagt aan [minderjarige 2] waarom ze een stuk van de tekening waarop staat ‘voor [minderjarige 2] van papa’ wil doorknippen. [minderjarige 2] zegt: ‘omdat ik niet aan papa wil denken’. Tevens is hoorbaar dat [minderjarige 2] zegt: ‘dan ga je dan weer aan papa sturen’. In het filmpje is te horen dat moeder het doorknippen van de tekening aanmoedigt met uitspraken als: ‘nou, schiet op, knippen’. De [medewerkers] benoemen vervolgens dat zij horen dat gedrag richting vader wordt bevestigd en aangemoedigd, in plaats van begrensd of gecorrigeerd.
De moeder erkent dat zij het met de kinderen over conflicten met de vader heeft. Ter rechtvaardiging voert zij aan dat zij eerlijk tegen de kinderen wil zijn als zij vragen stellen en dat zij niet tegen de kinderen wil liegen. De moeder miskent dat zij het, zeker bij de huidige leeftijden van de kinderen, voor een groot deel in de hand heeft wat de kinderen van de conflicten tussen de ouders merken en dus kan voorkomen dat de kinderen hierover vragen hebben. Voorbeeld hiervan is dat de moeder ervoor kiest zonder de vereiste toestemming met de kinderen op vakantie te gaan, waarop zij op Schiphol door de Koninklijke Marechaussee wordt gecontroleerd. Het hof merkt verder op dat eerlijk willen zijn geen rechtvaardiging vormt voor het belasten van de kinderen met informatie die gelet op hun leeftijd niet passend is.
Tot de zitting in hoger beroep was de moeder volgens de de gecertificeerde instelling niet bereid om hiervoor hulpverlening voor zichzelf te aanvaarden. De moeder stond volgens de gecertificeerde instelling alleen open voor hulpverlening voor de kinderen, niet voor hulpverlening die zou zijn gericht op haar opvoedingsvaardigheden. De moeder betwist dit. Het hof stelt vast dat de moeder in haar e-mail aan de gecertificeerde instelling van 27 juni 2026 in ieder geval nog uitdrukkelijk aangeeft dat zij doelt op ondersteuning voor de kinderen en niet op ondersteuning voor haarzelf als ouder. Het hof constateert verder dat deze hulpverlening in ieder geval niet op gang gekomen is.
Ter zitting heeft de moeder verklaard dat zij open staat voor opvoedondersteuning in haar thuissituatie. Het hof is er echter niet van overtuigd dat de moeder intrinsiek gemotiveerd is voor de hulpverlening die de gecertificeerde instelling nodig acht. De moeder heeft ter zitting namelijk ook verklaard dat zij deze hulpverlening vooral wil accepteren om te werken aan de beleving van de kinderen van de omgang met de vader en dat haar opvoedvaardigheden niet het probleem zijn. Het hof heeft daarom wezenlijke zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder, de invloed die dit heeft op (het welzijn van) de kinderen en de bereidheid van de moeder om hieraan te werken.
Gelet op een en ander vindt het hof het noodzakelijk dat de contacten met de moeder voorlopig begeleid zullen worden, bijvoorbeeld in een traject als het [hulpverleningstraject] , zodat de gecertificeerde instelling beter zicht kan krijgen op de relatie tussen de kinderen en de moeder en op haar opvoedvaardigheden, meer specifiek haar vermogen om de kinderen niet onnodig te belasten met zaken van volwassenen, die niet bij de kinderen thuishoren. Het hof realiseert zich dat deze beslissing diep ingrijpt in het persoonlijke leven van de moeder en de kinderen, maar daar staat tegenover dat nu niet ingrijpen naar het oordeel van het hof ook diepe sporen zal achterlaten in het leven van de kinderen en dat van de vader.
Het hof merkt op dat het de mogelijkheid van het vaststellen van de subsidiair verzochte co-ouderschapsregeling serieus heeft overwogen, omdat de belangen van kinderen in het algemeen gediend zijn bij continuïteit in hun opvoedomgeving. Een regeling waarbij de kinderen week-op-week-af bij ieder van de ouders zijn, lijkt op het eerste gezicht een minder ingrijpend alternatief. Een dergelijke regeling vraagt echter veel van de ouders. Zij zullen dan met elkaar moeten meebewegen en op elkaar moeten vertrouwen. Vanwege de al jarenlang aanhoudende strijd verwacht het hof dat dit de ouders niet zal lukken. Het hof heeft verder acht geslagen op het oordeel van de raad dat een 50/50-regeling de kinderen in dat geval juist zwaarder zal belasten. Het hof volgt de raad hierin. Ook worden de zorgen over de belasting van de kinderen door de moeder met volwassenenproblematiek door een dergelijke regeling niet weggenomen. Gelet op de zorgen die er nu al zijn acht het hof de kans groot dat de kinderen zullen worden ingezet om boodschappen door te geven of dat op andere manieren een te grote verantwoordelijkheid bij de kinderen wordt gelegd.
De veiligheid van de kinderen bij de vader
Het hof is, op basis van het dossier en dat wat op de zitting is besproken, van oordeel dat de thuissituatie van de vader op dit moment voldoende veilig is om te kunnen beslissen dat de kinderen voorlopig hoofdzakelijk bij de vader verblijven. Daarbij gaat het hof ervan uit dat de gecertificeerde instelling, zoals zij op de zitting heeft toegezegd, zorgdraagt voor (voortzetting/uitbreiding van de) opvoedondersteuning bij de vader thuis, en voor de nodige begeleiding en ondersteuning van de kinderen bij de overgang van de moeder naar de vader. Bij dit oordeel is het volgende van belang.
Vanaf het begin van de ondertoezichtstelling, inmiddels ruim vier jaar gelden, meldt de moeder zorgen over mishandeling van de kinderen door de vader. De gecertificeerde instelling is op dit punt het gesprek met de ouders aangegaan en heeft hierover contact gehad met de huisarts, het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling en de betrokken hulpverleners. De gecertificeerde instelling heeft tot op heden echter geen feitelijkheden geconstateerd, waaruit de conclusie kindermishandeling kan worden getrokken. Tijdens de zitting heeft de gecertificeerde instelling in aanvulling hierop verklaard dat uit het aanvullende onderzoek dat voor deze zitting is gedaan geen zorgen over de veiligheid van de kinderen bij de vader naar voren zijn gekomen.
De moeder heeft in 2021 en in 2022 bij de politie aangifte gedaan van mishandeling van haarzelf respectievelijk van [minderjarige 1] . Er is geen vervolg gegeven aan de aangiften omdat er onvoldoende aanknopingspunten gezien werden voor het instellen van een strafrechtelijke vervolging. De moeder heeft daarop bij het hof ’s-Hertogenbosch beklag gedaan als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering met het verzoek de vervolging van de vader te bevelen. In zijn beschikking van 14 november 2023 wijst het hof ’s-Hertogenbosch dit verzoek van de moeder af en overweegt het hof dat er wel aanwijzingen bestaan dat [minderjarige 1] door toedoen van de vader letsel heeft opgelopen, in het bijzonder in de vorm van een gekneusde enkel en blauwe plekken, maar dat er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn voor de overtuiging dat dit letsel opzettelijk is toegebracht.
Dit oordeel van de strafrechter betekent niet dat er nooit iets is voorgevallen. De vader heeft, ook op de zitting in hoger beroep, erkend dat hij zijn emoties niet altijd onder controle heeft gehad en dat hij de kinderen weleens te hardhandig heeft aangepakt. De vader heeft hieraan echter gewerkt; hij is in 2018, toen partijen nog bij elkaar waren, gestart met psychotherapie. De psychotherapeut schrijft op 23 juli 2025:
“Er is sprake van sterke groei in evenwicht van persoonlijkheid en identiteit. Cliënt kreeg toenemend contact met én zicht op zijn eigen emoties en motieven en leerde deze te begrijpen en te verdragen. Er ontstond meer rust en gelegenheid om stil te staan bij angst en onzekerheden als eigen gevoelens i.p.v. het idee snel te moeten handelen. Ook ongewenste en beangstigende gevoelens als boosheid en onmacht leerde hij herkennen en toegeven waardoor persoonlijkheid veel werd beter geïntegreerd. Hij staat steviger en evenwichtiger in relaties, kan eigen processen observeren en reguleren, ervaart minder spanning en meer eigenheid.
Client zette en zet zich sterk in voor de relatie met zijn kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zijn gevoelens hierover, soms onzekerheid en het opmerken van onmacht, waren vaak onderwerp in de behandeling. Dit leidde er o.a. toe dat hij actief begeleiding rondom de opvoeding vroeg, zich daarvoor sterk inzette en leerbaar opstelde.”
Daarnaast heeft de vader, op eigen verzoek, aanvullend een traject bij [hulpverleningsinstantie 2] doorlopen in de periode van juni tot en met december 2025. In het eindverslag van dit traject staat dat de vader zich bereid toonde tot zelfonderzoek, verantwoordelijkheid nam voor zijn eigen handelen en consequent het belang van zijn kinderen centraal bleef stellen.
De tussenrapportage en de eindrapportage van het [hulpverleningstraject] ondersteunen de verklaring van de psychotherapeut dat de vader grote stappen heeft gezet. Uit beide rapportages volgt dat de contactmomenten goed, rustig en positief verlopen. De vader sluit in zijn handelen aan bij de behoeften en initiatieven van de kinderen, hij verdeelt zijn aandacht, reageert passend op hulpvragen en biedt duidelijke en rustige begrenzing bij ongewenst gedrag van de kinderen. Ook als de kinderen (soms beschuldigende) dingen zeggen die te maken hebben met de strijd van de ouders, reageert de vader kort en rustig en buigt hij het gesprek vervolgens om naar een ander onderwerp. Dat dit de vader in de stressvolle situatie van begeleid contact en onzekerheid over het toekomstige contact met de kinderen lukt, is voor het hof een sterke aanwijzing dat de vader zijn emoties inmiddels voldoende onder controle heeft om op een verantwoorde manier met de kinderen om te gaan.
Ook in de situatie rond de stiefzus van de kinderen ziet het hof geen belemmering voor onbegeleid contact bij de vader thuis. Daarbij is wel van belang dat de gecertificeerde instelling het herstelgesprek met de vader, zijn partner, de kinderen en de stiefzus voert. Dit gesprek moet zo spoedig mogelijk plaatsvinden, ook als de moeder daarvoor geen toestemming geeft. Het hof verwacht van de vader en zijn partner dat zij de afspraken in het geactualiseerde veiligheidsplan nauwgezet zullen naleven, zoals de vader op de zitting ook uitdrukkelijk heeft toegezegd. De zorgen over ongepast (seksueel getint) gedrag onder de allemaal nog jonge minderjarigen worden hiermee naar het oordeel van het hof voldoende ondervangen.
Het hof ziet gelet op het voorgaande geen noodzaak voor verdergaand of ander onderzoek dan het onderzoek dat volgens de gecertificeerde instelling nodig is, waarbij het hof verwijst naar overweging 2.6. Het hof verwacht van de gecertificeerde instelling dat zij het daar beschreven onderzoek zal (laten) uitvoeren en de resultaten daarvan voor de volgende zitting in het geding zal brengen.
De draagkracht van de kinderen voor de vast te stellen voorlopige zorgregeling
Het hof gaat ervan uit dat de kinderen de verandering die deze beslissing met zich zal brengen aankunnen. Dit baseert het hof ten eerste op het feit dat de gecertificeerde instelling, die al jarenlang bij de kinderen betrokken is, het in hun belang vindt dat de kinderen bij de vader gaan wonen en dat ook de raad als deskundige zich daarbij heeft aangesloten. Verder weegt voor het hof zwaar mee dat de kinderen voorafgaand aan de bestreden beschikking structureel ruim contact met de vader hebben gehad, en dat uit alle verslagen van de begeleide contacten consequent naar voren komt dat de relatie van de kinderen met de vader goed is. Ten slotte gaat het, afgezien van de door de moeder gerapporteerde klachten over de mentale en fysieke gezondheid van de kinderen, goed met de kinderen.
De hiervoor bedoelde klachten vormen voor het hof, zeker afgezet tegen het aanzienlijke risico van blijvend contactverlies met de vader, onvoldoende reden om de kinderen op dit moment bij de moeder te laten blijven wonen. Daarbij is van belang dat het hof het waarschijnlijk acht dat deze klachten bij de kinderen met name voortkomen uit de spanningen rond het contact en het loyaliteitsconflict waarin zij zich bevinden. Als dit juist is, zullen de klachten naar verwachting afnemen als de kinderen bij de vader zijn gewend. De gecertificeerde instelling zal de kinderen, met name de eerste tijd na de overplaatsing, goed in de gaten moeten houden en als de klachten onverhoopt aanhouden, zo nodig, passende actie moeten ondernemen.
Op basis van het voorgaande acht het hof het verantwoord om de kinderen voorlopig hoofdzakelijk bij de vader te laten verblijven.
Voortzetting van de mondelinge behandeling
Het hof vindt het belangrijk in deze zaak de vinger aan de pols te houden. Daarom zal het hof de zitting voortzetten op 20 oktober 2026 om 14:00 uur. Het hof verzoekt de gecertificeerde instelling om het hof, de ouders en de raad uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling te informeren over de ontwikkelingen na deze tussenbeschikking van het hof. Vermoedelijk zullen op die zitting ook de resultaten van het lopende [hulpverleningsinstantie 3] -onderzoek kunnen worden besproken. Het hof gaat ervan uit dat de gecertificeerde instelling ook deze resultaten tijdig inbrengt in deze procedure.
3 De beslissing
Het hof:
bepaalt dat de kinderen voorlopig bij de vader zullen verblijven en dat de moeder en de kinderen ten minste twee uren per week contact met elkaar zullen hebben onder professionele begeleiding, waarbij de gecertificeerde instelling de regie heeft over de duur, frequentie en invulling van de contacten met inachtname van wat het hof in 2.19 over de uitbreiding van deze contacten heeft overwogen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
houdt iedere verdere beslissing over de definitieve zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de proceskosten aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet op [datum] om [tijd] uur in het gerechtsgebouw in Den Haag, Prins Clauslaan 60. De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. H.J. Wieman-Bart, I. Reijngoud en C.M. van der Kleijn;
verzoekt de gecertificeerde instelling, als meest gerede partij, om het hof uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling te informeren over de ontwikkelingen na deze beschikking van het hof en de stand van zaken op dat moment, en over de resultaten van het [hulpverleningsinstantie 3] -onderzoek;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de vader, de moeder, de gecertificeerde instelling en de raad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. Wieman-Bart, I. Reijngoud en C.M. van der Kleijn, bijgestaan door mr. N. van Duijvenbode als griffier, en is op 29 juli 2026 door mr. I. Reijngoud uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.