Personen- en familierecht

Eindbeschikking na raadsonderzoek; vervangende toestemming verhuizing verleend aan de moeder; het is niet in…

Gerechtshof Den Haag, 27 mei 2026

Zaakgegevens

Op 27 mei 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
27 mei 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
200.327.683/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2593
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eindbeschikking na raadsonderzoek; vervangende toestemming verhuizing verleend aan de moeder; het is niet in het belang van de minderjarige om van de moeder als hoofdverzorger te worden gescheiden; vader wordt voldoende gecompenseerd voor de verhuizing.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.327.683/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 22-336

zaaknummer rechtbank : C/09/624033

beschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2026

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.M. van Wijk te Honselersdijk,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag.

Als informant in deze procedure is aangemerkt:

[de gecertificeerde instelling] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1 Verder procesverloop in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 25 september 2024 (hierna: de tussenbeschikking), waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

1.2

Bij die beschikking heeft het hof in de zaak met zaaknummer 200.327.683/01 een eindbeslissing gegeven ten aanzien van de vergoeding voor de kosten van de echtelijke woning en in de zaak met zaaknummer 200.327.683/02 ten aanzien van de schorsing van de werking van de bestreden beschikking, en voorts:

  • de raad verzocht een onderzoek in te (doen) stellen zoals in die beschikking onder rechtsoverweging 5.5 omschreven en daaromtrent rapport en advies uit te brengen;

  • de behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 24 februari 2025;

  • bepaald dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;

  • iedere verdere beslissing aangehouden.

1.3

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

  • het raadsrapport van de zijde van de raad van 4 november 2025, ingekomen op 6 november 2025;

  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 20 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 31 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 2 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 7 april 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 8 april 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 april 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • een brief van de zijde van de gecertificeerde instelling van 13 april 2026, ingekomen op diezelfde datum.

1.4

De behandeling van de zaak is na de tussenbeschikking van dit hof diverse keren pro forma aangehouden, laatstelijk tot 27 december 2025.

1.5

Bij voorgenoemd journaalbericht van 2 april 2026 heeft de moeder aanvullende verzoeken ingediend. De moeder verzoekt het hof:

  • een nieuw onafhankelijk onderzoek te gelasten volgens de ‘veilige hulp methodiek’, uit te voeren door het expertisecentrum dwingende controle;

  • een bijzondere curator ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met kennis op het gebied van geweld in ‘conflictscheidingen’ te benoemen ter vertegenwoordiging van de minderjarige in de procedure.

Bij wijze van voorlopige voorziening, waarop de moeder het hof verzoekt met spoed te beslissen, zo mogelijk mondeling op de zitting, verzoekt de moeder het hof:

  • de moeder vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op een basisschool in [ plaats 1] en bij een huisarts in [ plaats 1] ;

  • de moeder voorlopige vervangende toestemming te verlenen voor alle in afwachting van de eindbeschikking te nemen gezagsbeslissingen;

  • de eerder vastgestelde regeling te wijzigen naar een zorgregeling zoals door het hof in het belang van de minderjarige wordt geacht, uitgaande van het hoofdverblijf bij de moeder in [ plaats 1] en van praktische uitvoerbaarheid in verband met de woonplaatsen van de ouders en het dagelijkse leven van de minderjarige.

1.6

De vader heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanvullende verzoeken van de moeder in zijn brief van 7 april 2026 en daarna bij brief van 10 april 2026 verweer tegen de verzoeken gevoerd.

1.7

De mondelinge behandeling is op 15 april 2026 voortgezet. Op deze mondelinge behandeling is deze zaak gezamenlijk behandeld met de zaak met zaaknummer 200.341.642/01. Verschenen zijn:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling] en [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling] ;

  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De advocaat van de moeder en de advocaat van de vader hebben op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

2 Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

Nog in geschil zijn allereerst de eerdere verzoeken van de moeder om vervangende toestemming verhuizing, de vervangende toestemming voor de inschrijving op school en de voorlopige zorgregeling.

2.2

Het hof zal ook de aanvullende verzoeken van de moeder beoordelen. Anders dan de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, is het hof van oordeel dat deze verzoeken tijdig zijn gedaan en dusdanig verweven zijn met de reeds aanhangige procedure dat geen sprake is van strijd met de goede procesorde. De vader heeft zich bovendien voorafgaande aan de zitting bij brief van 10 april jongstleden, schriftelijk tegen de aanvullende verzoeken van de moeder verweerd.

Het advies van de raad

2.3

De raad adviseert het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarige naar [ plaats 1] , af te wijzen, zoals weergegeven in het rapport van 4 november 2025. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad zijn in het rapport gegeven advies ten aanzien van de zorgregeling gewijzigd. Hij adviseert het hof een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige doordeweeks bij de ene ouder verblijft en drie van de vier weekenden bij de andere ouder waarbij de raad het aan het hof laat om te bepalen bij welke ouder de minderjarige doordeweeks en bij welke in die weekenden verblijft. De raad benadrukt dat beide ouders gelijkwaardig zijn en er geen aanwijzingen zijn voor zorgwekkende situaties bij een van hen. De verhuizing van de moeder naar [ plaats 1] heeft echter de uitoefening van de zorgregeling bemoeilijkt, waardoor de minderjarige nu klem zit tussen de ouders en onvoldoende ruimte krijgt voor haar eigen ontwikkeling. Door de afstand tussen [plaats 2] en [ plaats 1] moet de minderjarige lange afstanden afleggen, mist zij structureel contact met de vader en kan zij niet volledig naar school. De raad maakt zich grote zorgen over de minderjarige en de gebrekkige communicatie tussen de ouders. Het is daarom noodzakelijk dat de minderjarige duidelijkheid krijgt over haar woonplaats en de zorgregeling. Daarnaast moet zij een veilige relatie met beide ouders kunnen opbouwen en de vaste structuur ervaren die een volledige schoolweek biedt. De raad is van mening dat het belang van intensief contact tussen de vader en de minderjarige zwaarder weegt dan het belang van de moeder om bestaanszekerheid op te bouwen in [ plaats 1] . De afstand tussen [plaats 2] en [ plaats 1] vormt een belemmering voor gelijkwaardig contact met beide ouders en is derhalve niet in het belang van de minderjarige. Indien het hof het verzoek van de moeder tot verhuizing naar [ plaats 1] toch toewijst, is de raad van mening dat de minderjarige gezien haar jonge leeftijd in staat is van basisschool te wisselen.

Standpunten van partijen

2.4

De moeder kan zich niet vinden in het advies van de raad om haar verzoek tot vervangende toestemming voor de verhuizing van de minderjarige naar [ plaats 1] , af te wijzen. Volgens de moeder is het onderzoek van de raad onvolledig en niet gericht geweest op de beantwoording van de specifieke vragen die het hof heeft gesteld. Zo is er onder meer geen aandacht besteed aan de impact van het huiselijk geweld uit het verleden op de minderjarige, de impact hiervan op haar hechting en de mogelijkheid tot veilig contact met de vader. Om die reden meent de moeder dat het hof het rapport van de raad niet in overweging moet nemen.

De grootste zorg van de moeder betreft de veiligheid van de minderjarige en haar stabiele ontwikkeling. Daarnaast is ook haar eigen veiligheid van groot belang, wat voor haar de reden is geweest om naar [ plaats 1] te verhuizen. Terugkeren naar de randstad is voor haar geen optie omdat zij dan weer in het bereik komt van de dwingende controle van de vader. Volgens de moeder is de dwingende controle van de vader nooit gestopt en zelfs toegenomen. Bovendien zijn de traumaklachten van de minderjarige verergerd en nog steeds onbehandeld.

De moeder en de minderjarige wonen inmiddels al bijna twee jaar in [ plaats 1] . Co-ouderschap, zoals door de raad geadviseerd, vindt de moeder niet verenigbaar met de bescherming die de Staat moet bieden aan slachtoffers van huiselijk geweld, zoals vastgelegd in het Verdrag van Istanbul. Er moet volgens de moeder wel iets veranderen, omdat de huidige situatie niet langer houdbaar is. De moeder stelt dat zij afstand zal doen van haar ouderrol indien het hof haar verzoek tot vervangende toestemming voor de verhuizing met de minderjarige afwijst. De moeder wil niet dat de minderjarige verdere schade oploopt doordat zij haar naar de vader moet brengen.

2.5

De vader kan zich vinden in het advies van de raad. Uit het raadsrapport en het MASIC-onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een actuele onveilige situatie bij de vader; de ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige ligt vooral in de effecten van het conflict tussen de ouders op de minderjarige. Diverse instanties hebben vastgesteld dat het verblijf van de minderjarige bij de vader veilig is en dat het contact positief verloopt. Het advies van de raad is daardoor niet in strijd met het Verdrag van Istanbul. De vader heeft aan zichzelf gewerkt en erkent het partnergeweld uit het verleden, maar ontkent dat hij nog dwingende controle op de moeder uitoefent.

De verhuizing van de moeder naar [ plaats 1] bemoeilijkt de uitvoering van de huidige zorgregeling, waardoor de minderjarige niet een volledige schoolweek kan volgen. Afspraken hierover worden door de moeder niet nagekomen, wat heeft geleid tot betrokkenheid van de leerplichtambtenaar en tot het verzoek van de gecertificeerde instelling om een bijzondere curator te benoemen voor de minderjarige. Volgens de vader heeft de moeder met haar verhuizing de inzet van hulpverlening bemoeilijkt en stelt zij haar eigen belangen boven die van de minderjarige.

De vader heeft onvoldoende vertrouwen in de bereidheid van de moeder om de zorgregeling na te komen indien zij vervangende toestemming voor verhuizing naar [ plaats 1] krijgt. Gelet op het belang van de minderjarige is het volgens de vader wenselijk dat de moeder terugkeert naar de randstad, zodat een co-ouderschapsregeling kan worden gerealiseerd.

2.6

De gecertificeerde instelling deelt de zorgen die de moeder heeft over de opvoedsituatie bij de vader niet. Vanwege de praktische onuitvoerbaarheid van de zorgregeling mist de minderjarige wel veel school. Hoewel er gesprekken met de moeder zijn gevoerd om te komen tot een oplossing, heeft dit niet geleid tot verbetering van de schoolgang van de minderjarige. Sinds de minderjarige leerplichtig is, gaat zij slechts op dinsdag en donderdag naar school, terwijl zij ook op maandag en vrijdag aanwezig moet zijn. De moeder is verantwoordelijk voor het brengen van de minderjarige op deze dagen. De gecertificeerde instelling vindt het in het belang van de minderjarige dat zij volledig naar school gaat. Daarom heeft de gecertificeerde instelling op 19 maart 2026 een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven om de minderjarige op maandag en vrijdag naar school te brengen. Tot op heden heeft deze aanwijzing echter niet geleid tot verbetering van de schoolgang van de minderjarige.

Oordeel van het hof

Nieuw onafhankelijk raadsonderzoek

2.7

De moeder heeft het hof bij journaalbericht van 2 april 2026 verzocht om een nieuw onafhankelijk onderzoek te gelasten volgens de ‘veilige hulp methodiek’, uit te voeren door het Expertisecentrum Dwingende Controle.

2.8

Het hof acht zich met de informatie uit het raadsrapport en hetgeen de partijen naar voren hebben gebracht voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen over de vervangende toestemming verhuizing, de vervangende toestemming voor de inschrijving voor de school en de voorlopige zorgregeling. Het hof zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen.

Vervangende toestemming verhuizing

2.9

Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

2.10

Het gaat hier om een zeer complexe zaak met een zeer zorgelijke voorgeschiedenis van huiselijk geweld. Zo is vader in 2022 veroordeeld voor onder meer poging tot zware mishandeling van de moeder. Nadien heeft vader intensieve trajecten gevolgd: zowel hulptrajecten voor zichzelf als een lang traject van begeleide omgang met de minderjarige. De omgangsbegeleiding, de raad en de gecertificeerde instelling hebben geen zorgen (meer) over de veiligheid van de minderjarige bij de vader. De moeder is in 2024 verhuisd naar [ plaats 1] , zij heeft daarbij aangegeven dat een belangrijke reden daarvoor is dat zij, mede gelet op het belaste verleden, op afstand van de vader wil wonen. Vanwege deze verhuizing, zonder toestemming van de vader of de rechtbank, zijn de verhoudingen tussen de ouders verder op scherp gezet. De minderjarige lijdt hier onder. De eerder genoemde, door de rechtbank in kort geding vastgestelde voorlopige zorgregeling, die door het hof bij voornoemde tussenbeschikking in stand is gelaten, is sinds de minderjarige leerplichtig is, in combinatie met de verhuizing van de moeder, niet meer uitvoerbaar, waardoor zij schooldagen mist en niet toekomt aan haar eigen ontwikkeling. Alle partijen zijn van mening dat de huidige situatie niet langer kan voortduren en dat er een beslissing moet komen die duidelijkheid verschaft voor de minderjarige. Het hof komt tot het oordeel dat het verlenen van vervangende toestemming voor de verhuizing naar [ plaats 1] en het vaststellen van een zorgregeling die tevens recht doet aan de band tussen de vader en de minderjarige, in het belang is van de minderjarige. Anders dan de rechtbank zal het hof de moeder dus vervangende toestemming verlenen om met de minderjarige naar [ plaats 1] te verhuizen. Hiertoe overweegt het hof als volgt.

2.11

Het hof is allereerst van oordeel dat er voor de moeder een noodzaak bestond om naar [ plaats 1] te verhuizen nadat zij na het uiteengaan van partijen de echtelijke woning moest verlaten en er geen passende woonruimte in de omgeving beschikbaar was. Haar netwerk bevindt zich in [ plaats 1] en dit was destijds de enige haalbare optie. Inmiddels woont de moeder bijna twee jaar in [ plaats 1] , waar de minderjarige ook een groot deel van de week verblijft. [ plaats 1] is voor de minderjarige dus evenals [plaats 2] , een bekende en vertrouwde omgeving.

2.12

Het hof heeft bij de beoordeling van het verzoek van de moeder om vervangende toestemming voor de verhuizing verder rekening gehouden met de noodzaak die de moeder voelt om niet terug kunnen verhuizen – gelet op het belaste verleden – en met de belangen van de vader, bij wie de minderjarige inmiddels al lange tijd door de week verblijft. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij graag meer tijd met de minderjarige zou willen doorbrengen in de weekenden en vakanties, omdat hij bij de huidige regeling alleen de zorg draagt op dagen wanneer hij moet werken en de minderjarige naar school moet waardoor hij vrije tijd mist om met de minderjarige leuke dingen te doen.

2.13

Ten aanzien van de minderjarige heeft het hof meegewogen dat zij inmiddels al enige tijd naar de basisschool in [plaats 2] gaat. Door de hiervoor genoemde omstandigheden is dat echter maar twee keer per week en vanwege haar leeftijd en ontwikkeling acht het hof haar in staat om van basisschool te wisselen. Dat zij door de schoolwisseling niet in haar ontwikkeling zal worden geschaad, heeft ook de raad tijdens de voortgezette mondelinge behandeling aangegeven.

2.14

Alles afwegende is het hof van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is om met de moeder mee te verhuizen naar [ plaats 1] . Het hof heeft getracht om via de raad zicht te krijgen op de impact van het belaste verleden bij de moeder en de minderjarige. Ondanks het raadsrapport is daar onvoldoende zicht op gekomen. Het hof is desalniettemin van oordeel dat, gelet op het verleden van huiselijk geweld, niet van de moeder kan worden verwacht dat zij terugverhuist naar de regio [plaats 2] en dat het niet in het belang is van de minderjarige dat zij zal worden gescheiden van de moeder als hoofdverzorger, redenen waarom het hof afwijkt van het door het raad gegeven advies.

2.15

Op grond van de door het hof bij de beschikking van heden met zaaknummer 200.341.642/01 vastgestelde zorgregeling, acht het hof dat de vader voldoende wordt gecompenseerd voor de verhuizing van de minderjarige naar [ plaats 1] . Deze zorgregeling, die er samengevat op neerkomt dat de minderjarige drie van de vier weekenden en een groot deel van de vakanties met de vader zal doorbrengen doet recht aan de band tussen de vader en de minderjarige en zal de vader meer vrije tijd met de minderjarige geven, wat meer mogelijkheden biedt om samen activiteiten te ondernemen. Voor nadere overwegingen over die zorgregeling verwijst het hof naar voornoemde beschikking.

2.16

Het hof hoopt dat door deze beslissingen duidelijkheid en rust voor de minderjarige ontstaat, zodat zij ongestoord kind kan zijn en niet langer belast wordt met de conflicten tussen haar ouders. Het hof gaat ervan uit dat partijen zich in haar belang gaan inzetten om tot een normalisering van de verhoudingen te komen en dat zij de daarvoor benodigde hulpverlening verder gaan benutten. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt vernietigen en dus het verzoek van de moeder toewijzen.

2.17

Ten slotte overweegt het hof dat het kennis heeft genomen van hetgeen de gecertificeerde instelling en de raad naar voren hebben gebracht met betrekking tot de thans geldende zorgregeling die door de moeder onvoldoende wordt uitgevoerd. Hoewel de instanties, en in het bijzonder de raad, hebben geconstateerd dat de moeder onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van deze zorgregeling, acht het hof dat dit gebrek aan medewerking voornamelijk gelegen is in de praktische onmogelijkheid van de moeder om te voldoen aan de vastgestelde en bij tussenbeschikking van het hof in stand gelaten voorlopige zorgregeling. Vanwege de lange duur tussen deze tussenbeschikking, de totstandkoming van het door het hof verzochte raadsrapport en de voortgezette mondelinge behandeling is de minderjarige inmiddels leerplichtig geworden. Door de afstand, de reistijd en het werk van de moeder was het voor haar onmogelijk om de minderjarige op maandag en vrijdag op tijd naar school te brengen. Bij de nieuwe vastgestelde zorgregeling is er voor de moeder geen belemmering meer om deze na te komen. De gecertificeerde instelling dient toezicht te houden op de naleving van deze regeling en kan bij eventuele problemen de rechtbank verzoeken tot aanpassing. Het hof deelt de zorgen van de vader en de raad dat de moeder de zorgregeling bij verhuizing niet zal naleven, niet. Het hof weegt hierbij mee dat de moeder zich, ondanks haar zorgen over de veiligheid bij de vader en de afstand en reistijd, de afgelopen periode heeft ingezet om de zorgregeling binnen haar mogelijkheden na te komen.

Vervangende toestemming inschrijving school

2.18

De moeder verzoekt het hof haar vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op een basisschool in [ plaats 1] . De vader voert verweer.

2.19

Het hof overweegt als volgt. Gelet op artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de moeder niet voor het eerst in hoger beroep een dergelijk zelfstandig verzoek doen. Het hof zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen. Het hof gaat ervanuit dat de vader, nu de minderjarige als gevolg van de beschikkingen van het hof doordeweeks bij de moeder zal zijn in [ plaats 1] , in het belang van de minderjarige zijn medewerking verleent aan een inschrijving van de minderjarige op een basisschool aldaar.

Voorlopige zorgregeling

2.20

De moeder verzoekt het hof een voorlopige zorgregeling vast te stellen in afwachting van het raadsonderzoek. Het hof overweegt dat de moeder geen belang meer heeft bij dit verzoek aangezien het hof een definitieve zorgregeling heeft vastgesteld in de beschikking van heden met zaaknummer 200.341.642/01. Het hof zal dit verzoek van de moeder afwijzen.

Benoeming bijzondere curator

2.21

De moeder verzoekt het hof om een bijzondere curator over de minderjarige te benoemen. Het hof is gebleken dat dit verzoek reeds voor ligt bij de rechtbank Arnhem. Het hof oordeelt dat de moeder geen belang heeft bij dit verzoek.

Voorlopige voorzieningen

2.22

De moeder heeft het hof bij journaalbericht van 2 april 2026 verzocht om verschillende voorlopige voorzieningen te treffen. Aangezien het hof in deze beschikking is gekomen tot een einduitspraak, heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoeken.

2.23

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking ten aanzien van de vervangende toestemming voor verhuizing, en opnieuw beschikkende:

verleent de moeder – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de vader – toestemming om met de minderjarige te verhuizen naar [ plaats 1] ;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.J. van Elden, H.J.M. Smid-Verhage en
H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 27 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.