Personen- en familierecht

Eindbeschikking na raadsonderzoek; zorgregeling; vanwege verlening van vervangende toestemming verhuizing is…

Gerechtshof Den Haag, 27 mei 2026

Zaakgegevens

Op 27 mei 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
27 mei 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
200.341.642/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2595
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Eindbeschikking na raadsonderzoek; zorgregeling; vanwege verlening van vervangende toestemming verhuizing is het in het belang van de minderjarige dat zij doordeweeks bij de moeder is.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Familie

zaaknummer : 200.341.642/01

rekestnummer rechtbank : FA RK 22-336

zaaknummer rechtbank : C/09/624033

beschikking van de meervoudige kamer van 27 mei 2026

inzake

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M.M. van Wijk te Honselersdijk,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. J.G. Schnoor te Den Haag.

Als informant in deze procedure is aangemerkt:

[de gecertificeerde instelling] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

In zijn adviserende en/of toetsende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming, regio Haaglanden,

locatie: Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

1 Verder procesverloop in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 25 september 2024 (hierna: de tussenbeschikking), waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.

1.2

Bij die beschikking heeft het hof, alvorens nader te beslissen ter zake van de zorgregeling:

  • de raad verzocht een onderzoek in te (doen) stellen als omschreven in de zaak tussen partijen met zaaknummer 200.327.683/01 en daaromtrent rapport en advies uit te brengen;

  • de behandeling van de zaak aangehouden tot 24 februari 2025 pro forma;

  • bepaald dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op een na ontvangst van het rapport van de raad te bepalen datum, waarvoor partijen en de raad zullen worden opgeroepen;

  • iedere verdere beslissing aangehouden.

1.3

Nadien zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:

  • het raadsrapport van de zijde van de raad van 4 november 2025, ingekomen op 6 november 2025;

  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 20 november 2025 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 31 maart 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de moeder van 2 april 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 7 april 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 8 april 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • een journaalbericht van de zijde van de vader van 10 april 2026 met bijlage, ingekomen op diezelfde datum;

  • een brief van de zijde van de gecertificeerde instelling van 13 april 2026, ingekomen op diezelfde datum.

1.4

De behandeling van de zaak is na de tussenbeschikking van dit hof diverse keren pro forma aangehouden, laatstelijk tot 27 december 2025.

1.5

Bij voorgenoemd journaalbericht van 2 april 2026 heeft de moeder aanvullende verzoeken ingediend. De moeder verzoekt het hof:

  • een nieuw onafhankelijk onderzoek te gelasten volgens de ‘veilige hulp methodiek’, uit te voeren door het expertisecentrum dwingende controle;

  • een bijzondere curator ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) met kennis op het gebied van geweld in ‘conflictscheidingen’ te benoemen ter vertegenwoordiging van de minderjarige in de procedure.

Bij wijze van voorlopige voorziening, waarop de moeder het hof verzoekt met spoed te beslissen, zo mogelijk mondeling op de zitting, verzoekt de moeder het hof:

  • de moeder vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige in te schrijven op een basisschool in [plaats 1] en bij een huisarts in [plaats 1] ;

  • de moeder voorlopige vervangende toestemming te verlenen voor alle in afwachting van de eindbeschikking te nemen gezagsbeslissingen;

  • de eerder vastgestelde regeling te wijzigen naar een zorgregeling zoals door het hof in het belang van de minderjarige wordt geacht, uitgaande van het hoofdverblijf bij de moeder in [plaats 1] en van praktische uitvoerbaarheid in verband met de woonplaatsen van de ouders en het dagelijkse leven van de minderjarige.

1.6

De vader heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanvullende verzoeken van de moeder in zijn brief van 7 april 2026 en daarnaast bij brief van 10 april 2026, verweer tegen de verzoeken gevoerd.

1.7

De mondelinge behandeling is op 15 april 2026 voortgezet. Op deze mondelinge behandeling is deze zaak gezamenlijk behandeld met de zaak met zaaknummers 200.327.683/01 en 200.327.683/02. Verschenen zijn:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling] en [vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling] ;

  • de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De advocaat van de moeder en de advocaat van de vader hebben op de zitting pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

2 Verdere beoordeling van het hoger beroep

2.1

Nog in geschil is de zorgregeling.

2.2

Het hof zal ook de aanvullende verzoeken van moeder beoordelen. Anders dan de vader tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, is het hof van oordeel dat deze verzoeken tijdig zijn gedaan en dusdanig verweven zijn met de reeds aanhangige procedure dat geen sprake is van strijd met de goede procesorde. De vader heeft zich bovendien voorafgaande aan de zitting bij brief van 10 april jongstleden, schriftelijk tegen de aanvullende verzoeken van de moeder verweerd.

Het advies van de raad

2.3

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de raad zijn in het rapport gegeven advies over de zorgregeling gewijzigd. Hij adviseert het hof een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige doordeweeks bij de ene ouder verblijft en drie van de vier weekenden bij de andere ouder waarbij de raad het aan het hof laat om te bepalen bij welke ouder de minderjarige doordeweeks en bij welke in die weekenden verblijft. De raad benadrukt dat beide ouders gelijkwaardig zijn en er geen aanwijzingen zijn voor zorgwekkende situaties bij een van hen. De raad is daarom van mening dat de zorg over de minderjarige zo veel mogelijk gedeeld moet worden tussen de partijen. De verhuizing van de moeder naar [plaats 1] heeft echter de uitoefening van de zorgregeling bemoeilijkt, waardoor de minderjarige nu klem zit tussen de ouders en onvoldoende ruimte krijgt voor haar eigen ontwikkeling. De raad maakt zich grote zorgen over de minderjarige de gebrekkige communicatie tussen de ouders. Het is noodzakelijk dat de minderjarige een veilige relatie met beide ouders kan opbouwen en de vaste structuur gaat ervaren die een volledige schoolweek biedt. Vanwege de verhuizing van de moeder naar [plaats 1] dient de zorgregeling zo te worden vastgesteld dat de minderjarige doordeweeks volledig bij de ene ouder is zodat zij naar school kan. Dit zal rust brengen in de zorgregeling.

Standpunten van partijen

2.4

Volgens de moeder is het onderzoek van de raad onvolledig en niet gericht geweest op de beantwoording van de specifieke vragen die het hof heeft gesteld. Zo is er onder meer geen aandacht besteed aan de impact van het huiselijk geweld uit het verleden op de minderjarige, de impact hiervan op haar hechting en de mogelijkheid tot veilig contact met de vader. Om die reden meent de moeder dat het hof het rapport van de raad niet in overweging moet nemen.

De grootste zorg van de moeder betreft de veiligheid van de minderjarige en haar stabiele ontwikkeling. Daarnaast is ook haar eigen veiligheid van groot belang, wat voor haar de reden is geweest om naar [plaats 1] te verhuizen. Terugkeren naar de randstad is voor haar geen optie omdat zij dan weer in het bereik komt van de dwingende controle van de vader. Volgens de moeder is de dwingende controle van de vader nooit gestopt en zelfs toegenomen. Bovendien zijn de traumaklachten van de minderjarige verergerd en nog steeds onbehandeld.

Co-ouderschap, zoals door de raad geadviseerd, vindt de moeder niet verenigbaar met de bescherming die de Staat moet bieden aan slachtoffers van huiselijk geweld, zoals vastgelegd in het Verdrag van Istanbul. De huidige zorgregeling is schadelijk en niet haalbaar. De vader weigert ieder overleg. De minderjarige raakt klem in het onderwijssysteem en de medische zorg. De moeder wil dat de minderjarige doordeweeks bij haar is en twee weekenden bij de vader.

2.5

De vader voert – samengevat – het volgende aan. Uit het raadsrapport en het MASIC-onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn voor een actuele onveilige situatie bij de vader; de ontwikkelingsbedreiging voor de minderjarige ligt vooral in de effecten van het conflict tussen de ouders op de minderjarige. Diverse instanties hebben vastgesteld dat het verblijf van de minderjarige bij de vader veilig is en dat het contact positief verloopt. Het advies van de raad is daardoor niet in strijd met het Verdrag van Istanbul. De vader heeft aan zichzelf gewerkt en erkent het partnergeweld uit het verleden, maar ontkent dat hij nog dwingende controle op de moeder uitoefent.

De verhuizing van de moeder naar [plaats 1] bemoeilijkt de uitvoering van de vastgestelde zorgregeling, waardoor de minderjarige niet een volledige schoolweek kan volgen. Afspraken hierover worden door de moeder niet nagekomen, wat heeft geleid tot betrokkenheid van de leerplichtambtenaar en tot het verzoek van de gecertificeerde instelling om een bijzondere curator te benoemen voor de minderjarige.

Naast de praktische onmogelijkheid van de zorgregeling heeft de vader ook geen ‘vrije’ tijd met de minderjarige omdat hij haar alleen ziet als zij naar school gaat en hij werkt. De vader vindt het in het belang van de minderjarige als de minderjarige doordeweeks bij hem verblijft, en twee of drie weekenden bij de moeder. Op deze manier kan de minderjarige naar haar eigen school blijven gaan, waar zij inmiddels ook gewend is. Daarnaast heeft de vader onvoldoende vertrouwen in de bereidheid van de moeder om de zorgregeling na te komen als de minderjarige doordeweeks bij de moeder verblijft.

2.6

De gecertificeerde instelling deelt de zorgen die de moeder heeft over de opvoedsituatie bij de vader niet. Vanwege de praktische onuitvoerbaarheid van de zorgregeling mist de minderjarige wel veel school. Hoewel er gesprekken met de moeder zijn gevoerd om te komen tot een oplossing, heeft dit niet geleid tot verbetering van de schoolgang van de minderjarige. Sinds de minderjarige leerplichtig is, gaat zij slechts op dinsdag en donderdag naar school, terwijl zij ook op maandag en vrijdag aanwezig moet zijn. De moeder is verantwoordelijk voor het brengen van de minderjarige op deze dagen. De gecertificeerde instelling vindt het in het belang van de minderjarige dat zij volledig naar school gaat. Daarom heeft de gecertificeerde instelling op 19 maart 2026 een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven om de minderjarige op maandag en vrijdag naar school te brengen. Tot op heden heeft deze aanwijzing echter niet geleid tot verbetering van de schoolgang van de minderjarige. De minderjarige is bang dat zij bij een wijziging van de zorgregeling haar vader of haar moeder niet meer zal zien. De minderjarige heeft bij de gecertificeerde instelling aangegeven het liefst de helft van de tijd bij de vader en de helft van de tijd bij de moeder te willen zijn.

Oordeel van het hof

Nieuw onafhankelijk raadsonderzoek

2.7

De moeder heeft het hof bij journaalbericht van 2 april 2026 verzocht om een nieuw onafhankelijk onderzoek te gelasten volgens de ‘veilige hulp methodiek’, uit te voeren door het Expertisecentrum Dwingende Controle.

2.8

Het hof oordeelt als volgt. Het hof acht zich met de informatie uit het raadsrapport en hetgeen de partijen naar voren hebben gebracht voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen over de zorgregeling en de aanvullende verzoeken van de zijde van de moeder. Het hof zal dit verzoek van de moeder afwijzen.

De zorgregeling

2.9

Het hof heeft kennis genomen van hetgeen de raad en de gecertificeerde instelling naar voren hebben gebracht over de huidige voorlopige zorgregeling. Die instanties hebben geconstateerd dat de moeder onvoldoende meewerkt aan de uitvoering hiervan, maar dit gebrek aan medewerking is voornamelijk gelegen in de praktische onmogelijkheid van de moeder om te voldoen aan deze – door de rechtbank in augustus 2024 vastgestelde en door het hof bij de tussenbeschikking in stand gelaten – zorgregeling. Vanwege de lange duur tussen de tussenbeschikking, de totstandkoming van het raadsrapport en de voortgezette mondelinge behandeling is de minderjarige inmiddels leerplichtig geworden. Door de afstand, de reistijd en het werk van de moeder was het voor haar onmogelijk om de minderjarige op maandag en vrijdag op tijd naar school te brengen.

Door de vaststelling van de nieuwe zorgregeling, waardoor de minderjarige in [plaats 1] naar school zal gaan, is er voor de moeder geen belemmering meer om deze na te komen. De gecertificeerde instelling dient daarbij toezicht te houden op de naleving van deze regeling en kan bij eventuele problemen de rechtbank verzoeken tot aanpassing. Het hof deelt de zorgen van de vader en de raad dat de moeder de zorgregeling bij verhuizing niet zal naleven, niet. Het hof weegt hierbij mee dat de moeder zich, ondanks haar zorgen over de veiligheid bij de vader en de afstand en reistijd, de afgelopen periode heeft ingezet om de huidige zorgregeling binnen haar mogelijkheden zo goed mogelijk na te komen.

2.10

Het hof heeft bij beschikking van heden in de zaak met zaaknummers 200.327.683/01 en 200.327.683/02 de moeder vervangende toestemming verleend om met de minderjarige naar [plaats 1] te verhuizen. Voor de overwegingen daarvoor verwijst het hof naar die beschikking. In die beschikking is het hof ook ingegaan op het belang van de minderjarige om met beide ouders goed contact te hebben. Gelet op de verlening van vervangende toestemming aan de moeder om met de minderjarige naar [plaats 1] te verhuizen, acht het hof het in het belang van de minderjarige om een zorgregeling vast te stellen waarbij zij doordeweeks bij de moeder in [plaats 1] is en drie van de vier weekenden bij de vader in [plaats 2] . De minderjarige zal dan volledig naar school kunnen gaan in [plaats 1] . Het hof betrekt daarbij ook dat de vader heeft aangegeven dat hij het jammer vindt dat hij weinig ‘vrije’ tijd heeft met de minderjarige omdat hij op zijn dagen met de minderjarige moet werken en de minderjarige naar school moet. De moeder heeft daartegenover gesteld dat zij graag de doordeweekse dagen met de minderjarige doorbrengt en dat deze regeling ook beter uitvoerbaar is met het brengen en halen van de minderjarige naar de vader. Het hof acht dat deze zorgregeling recht doet aan de band tussen de minderjarige en haar ouders en de vader compensatie biedt voor de verhuizing van de moeder.

2.11

Het hof stelt als zorgregeling daarom vast dat de minderjarige doordeweeks bij de moeder verblijft in [plaats 1] en drie van de vier weekenden, van vrijdag uit school, in ieder geval voor het avondeten, tot en met zondag na het avondeten bij de vader in [plaats 2] verblijft. Qua volgorde betekent dit dat de minderjarige twee weekenden bij de vader zal verblijven, waarna zij vervolgens één weekend bij de moeder verblijft, waarna deze cyclus zich herhaalt. De moeder moet de minderjarige op vrijdag naar de vader brengen en de vader moet de minderjarige op zondag na het avondeten weer terugbrengen naar de moeder. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven hiertegen geen bezwaar te hebben.

2.12

Het hof zal de vakanties en feestdagen bij helfte verdelen. Gezien de jonge leeftijd van de minderjarige zal het hof vaststellen dat zij in de zomervakantie 2026 en 2027 voor twee aaneengesloten weken bij een ouder is. Vanaf 2028 stelt het hof vast dat zij drie weken aaneengesloten bij de ouders is.

2.13

Het hof stelt de volgende vakantieregeling vast. De minderjarige zal in het kader van de vakantieregeling bij de partijen zijn:

  • de zomervakantie 2026: in de eerste twee weken bij de moeder, de derde en vierde week bij de vader, de vijfde week bij de moeder en de zesde week bij de vader;

  • de zomervakantie 2027: in de eerste twee weken bij de vader, de derde en vierde week bij de moeder, de vijfde week bij de vader en de zesde week bij de moeder;

  • vanaf de zomervakantie 2028: in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de tweede drie weken bij de vader, in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de tweede drie weken bij de moeder;

  • de herfstvakantie: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;

  • de kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader, waarbij geldt dat de minderjarige in ieder geval kerst bij de moeder viert en oud & nieuw bij de vader, in de oneven jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, waarbij geldt dat de minderjarige in ieder geval kerst bij de vader viert en oud & nieuw bij de moeder;

  • de voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;

  • de meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader.

Bij de vakantieregeling geldt dat het halen en brengen geschiedt volgens de reguliere regeling, waarbij de ouder bij wie de minderjarige is, haar naar de andere ouder brengt. De vakantieregeling gaat in vanaf de vrijdag uit school, waarbij de minderjarige in ieder geval voor het avondeten bij de ouder die de minderjarige volgens de regeling op dat moment bij zich heeft, moet zijn, en eindigt op de zondag voor het begin van de school, waarbij de ouder waar zij op dat moment is, haar na het avondeten bij de andere ouder terugbrengt.

Benoeming bijzondere curator

2.14

De moeder verzoekt het hof om een bijzondere curator over de minderjarige te benoemen. Het hof is gebleken dat dit verzoek reeds voor ligt bij de rechtbank Arnhem. Het hof oordeelt dat de moeder geen belang heeft bij dit verzoek.

Voorlopige voorzieningen

2.15

De moeder heeft het hof bij journaalbericht van 2 april 2026 verzocht om verschillende voorlopige voorzieningen te treffen. Aangezien het hof in deze beschikking is gekomen tot een einduitspraak, heeft de moeder geen belang meer bij haar verzoeken.

2.16

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze ziet op de zorgregeling, en opnieuw beschikkende:

stelt vast dat de minderjarige als volgt bij de vader verblijft:

  • drie van de vier weken van vrijdag uit school, in ieder geval voor het avondeten, tot zondag na het avondeten, waarbij zij twee weekenden bij de vader verblijft, het derde weekend bij de moeder en het vierde weekend bij de vader;

  • de moeder brengt de minderjarige naar de vader op de vrijdag en de vader brengt de minderjarige naar de moeder op de zondag;

stelt de volgende verdeling van de vakantie- en feestdagen vast:

  • de zomervakantie 2026: in de eerste twee weken bij de moeder, de derde en vierde week bij de vader, de vijfde week bij de moeder en de zesde week bij de vader;

  • de zomervakantie 2027: in de eerste twee weken bij de vader, de derde en vierde week bij de moeder, de vijfde week bij de vader en de zesde week bij de moeder;

  • vanaf de zomervakantie 2028: in de even jaren de eerste drie weken bij de moeder en de tweede drie weken bij de vader, in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de tweede drie weken bij de moeder;

  • de herfstvakantie: in de even jaren bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;

  • de kerstvakantie: in de even jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader, waarbij geldt dat de minderjarige in ieder geval kerst bij de moeder viert en oud & nieuw bij de vader, in de oneven jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, waarbij geldt dat de minderjarige in ieder geval kerst bij de vader viert en oud & nieuw bij de moeder;

  • de voorjaarsvakantie: in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;

  • de meivakantie: in de even jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder, in de oneven jaren de eerste week bij de moeder en de tweede week bij de vader;

  • de ouder bij wie de minderjarige is brengt de minderjarige naar de andere ouder;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.B.J. van Elden, H.J.M. Smid-Verhage en
H. Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. M.J. Warning als griffier, en is op 27 mei 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.