Verbintenissenrecht
Huur parkeerplaats/carport: geen huur gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:230a BW. SO-procedure
Gerechtshof Den Haag, 29 maart 2022
ECLI:NL:GHDHA:2022:2691 · Gerechtshof Den Haag · 29 maart 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/civiel-recht/verbintenissenrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2022-2691
Zaakgegevens
Op 29 maart 2022 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 maart 2022
- Datum publicatie
- 6 januari 2023
- Zaaknummer
- 200.292.753/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.A.J van Wingerden te Dordrecht, mr. M.W. Kox te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2022:2691
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Huur parkeerplaats/carport: geen huur gebouwde onroerende zaak in de zin van artikel 7:230a BW. SO-procedure
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 29 maart 2022deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2022:2691
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 6 januari 2023
ECLI:NL:PHR:2023:35Hoge Raad · 24 februari 2023
ECLI:NL:HR:2023:308Niet ontvankelijkNiet-ontvankelijkDe rechter behandelt de zaak niet inhoudelijk, omdat niet aan een formele eis is voldaan, bijvoorbeeld omdat iemand te laat is.Meer uitleg · Conclusie gevolgdGevolgd of contrair‘Gevolgd’: de Hoge Raad besliste zoals de advocaat-generaal adviseerde. ‘Contrair’: hij besliste anders.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer: 200.292.753/01
Zaak-/rolnummer rechtbank: 8912038 / CV EXPL 20-6051
Arrest van 29 maart 2022
in de zaak van:
[appellant],
wonende te [woonplaats],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. R.A.J. van Wingerden te Dordrecht,
tegen
Stichting Trivire,
gevestigd te Dordrecht,
geïntimeerde,
hierna te noemen: Trivire,
advocaat: mr. M.W. Kox te Amsterdam.
Het geding
1. Bij exploot van 24 maart 2021 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de vonnissen van de kantonrechter te Dordrecht van 7 januari 2021 en 11 februari 2021. Bij arrest van 4 mei 2021 heeft het hof een mondelinge behandeling bevolen. Deze is gehouden op 20 juli 2021 en voortgezet op 5 augustus 2021. Van beide zittingen is een proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting van 5 augustus 2021 hebben partijen verzocht om toelating tot de Second Opinion-procedure. Beide partijen hebben daartoe een ingevuld en ondertekend SO-formulier als bedoeld in het Second Opinion Reglement (SOR) ingediend. Het verzoek tot toelating tot de Second Opinion-procedure is toegewezen, waarna arrest is bepaald.
Beoordeling van het hoger beroep volgens de Second Opinion-procedure
2. Door indiening van de SO-formulieren hebben partijen ingestemd met het SOR en worden zij geacht de conclusies als bedoeld in artikel 347 lid 1 Rv te hebben genomen (artikelen 3.3 en 3.4 SOR). De grief van [appellant] bestaat eruit dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van Trivire heeft toegewezen door voor recht te verklaren dat de huurovereenkomsten ter zake van de twee parkeerplaatsen zijn opgezegd en door [appellant] te veroordelen tot ontruiming van die parkeerplaatsen en tot betaling van de proceskosten.
3. Partijen hebben ermee ingestemd dat het hof de zaak herbeoordeelt in de stand waarin deze zich bevond op het tijdstip waarop voor het laatst vonnis werd gevraagd (artikel 3.6 SOR). De zaak wordt in hoger beroep dus herbeoordeeld aan de hand van de stukken in eerste aanleg met inachtneming van de grief.
4. Het hof – dat kennis heeft genomen van de stukken in eerste aanleg – verenigt zich met de overwegingen van de kantonrechter en maakt die tot de zijne. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.
5. De onderhavige twee huurovereenkomsten hebben geen betrekking op gebouwde onroerende zaken in de zin van artikel 7:230a BW aangezien niet gebleken is dat de muren en vloeren die deel uitmaken van het boven de parkeerplaatsen gelegen gebouw onderdeel van het gehuurde uitmaken (althans zijn deze van verwaarloosbare betekenis voor het gehuurde) (HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:899, rov. 3.5.1, tweede volzin) en [appellant] daarvoor huur betaalt. Blijkens de huurovereenkomsten huurt [appellant] alleen twee parkeerplaatsen/carports, waaronder het hof verstaat: overdekte parkeerplaatsen.
6. De vonnissen zullen worden bekrachtigd. Dit behoeft, gezien artikel 4.2 SOR, geen nadere motivering.
7. Als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, die ingevolge artikel 4.4 SOR beperkt zijn tot het door Trivire betaalde griffierecht en één punt volgens het toepasselijke liquidatietarief voor de mondelinge behandeling.
Beslissing
Het hof:
- bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter van 7 januari 2021 en 11 februari 2021;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Trivire bepaald op € 772,- aan griffierecht en op € 1.114,- aan salaris voor de advocaat.
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.E.H.M. Pinckaers, M.E. Honée en H.J.M. Burg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2022 in aanwezigheid van de griffier.