Materieel strafrecht
De verdachte heeft onder invloed van een bovenmatige hoeveelheid alcohol een personenauto bestuurd. Het hof…
Gerechtshof Den Haag, 1 maart 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:489 · Gerechtshof Den Haag · 1 maart 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/materieel-strafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2019-489
Zaakgegevens
Op 1 maart 2019 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 1 maart 2019
- Datum publicatie
- 7 maart 2019
- Zaaknummer
- 22-002362-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2019:489
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
De verdachte heeft onder invloed van een bovenmatige hoeveelheid alcohol een personenauto bestuurd.
Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.
Uitspraak
Rolnummer: 22-002362-18
Parketnummer: 96-212140-17
Datum uitspraak: 1 maart 2019
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 29 mei 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1963,
[adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op
15 februari 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van veertien uren, subsidiair zeven dagen hechtenis. Voorts is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 26 mei 2016 te Rotterdam als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 375 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu onduidelijk is of er voldoende is gedaan om de strafbeschikking te executeren en omdat de geldboete die bij de strafbeschikking is opgelegd meegenomen had kunnen worden in de al bestaande betalingsregeling die de verdachte had met het CJIB, zodat in strijd met de regels in de Aanwijzing executie en het vertrouwensbeginsel is gehandeld.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Na het uitvaardigen van een strafbeschikking is het aan het openbaar ministerie voorbehouden om al dan niet tot vervolging in de vorm van een dagvaarding over te gaan zo lang de strafbeschikking niet (volledig) ten uitvoer is gelegd. Het openbaar ministerie kan dan besluiten om een verdachte alsnog te dagvaarden, ook als nog niet alle dwangmiddelen zijn uitgeput. Dat geldt temeer indien de verdachte, zoals hier, nalatig blijft bij de voldoening van de bij die strafbeschikking opgelegde geldboete. Evenmin was het openbaar ministerie gehouden om te bevorderen dat de bij die strafbeschikking opgelegde boete meegenomen zou worden in de betalingsregeling die de verdachte met het CJIB voor andere boetes had getroffen. Voor dat laatste had het op de weg van de verdachte gelegen om daartoe contact op te nemen met het CJIB.
Nu het openbaar ministerie naar het oordeel van het hof ook overigens niet heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde of van een behoorlijke strafrechtspleging faalt het beroep van de raadsman op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde taakstraf en de motivering daarvan alsmede de vermelding van de wettelijke voorschriften waarop deze is gegrond.
Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft onder invloed van een bovenmatige hoeveelheid alcohol een personenauto bestuurd. Daarmee heeft de verdachte blijk gegeven van een miskenning van zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer. Gelet op de financiële positie van de verdachte zal het hof in plaats van een geldboete een taakstraf opleggen.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 januari 2019, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van verkeersdelicten.
Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd is het hof - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke, hogere taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde taakstraf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,
mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. A.J.P. van Essen, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 1 maart 2019.