Materieel strafrecht
Het hof verenigt zich met het vonnis, met uitzondering van de straf. Aanvulling van de gronden van het…
Gerechtshof Amsterdam, 26 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:3032 · Gerechtshof Amsterdam · 26 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/materieel-strafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-3032
Zaakgegevens
Op 26 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23-001740-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:3032
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof verenigt zich met het vonnis, met uitzondering van de straf. Aanvulling van de gronden van het vonnis. Constatering overschrijding redelijke termijn. Aanvulling artikel 63 aan de toepasselijke wettelijke voorschriften. De verdachte heeft met zijn handelen een voorwaarde gesteld aan zijn medewerking aan het ademonderzoek. Het hof wijst op jurisprudentie waaruit blijkt dat het verbinden van een voorwaarde aan de medewerking gelijk wordt gesteld aan een weigering in de zin van artikel 163, lid 2 WvW. Geldboete 750 euro en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 270 dagen, met aftrek, waarvan 206 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001740-23
datum uitspraak: 26 oktober 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 mei 2023 in de strafzaak onder parketnummer 96-338912-22 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, behalve ten aanzien van de straf – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
-
de gronden van het vonnis aanvult;
-
de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep constateert;
-
de toepasselijke wettelijke voorschriften aanvult met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;
-
de door de politierechter gebruikte bewijsmiddelen, na het eventueel instellen van beroep in cassatie, zal uitwerken in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Aanvulling van de gronden
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde omdat de verdachte het bevel tot ademanalyse niet heeft geweigerd.
Het hof volgt dit standpunt niet en kan zich vinden in wat de politierechter heeft overwogen en voegt daar het volgende aan toe.
De verdachte heeft op het politiebureau gezegd dat hij mee wilde werken maar eerst een glas water wenste. Nadat hem was gevraagd of hij wilde meewerken aan de ademanalyse zei de verdachte: ‘Ik ben duidelijk geweest, ik wil eerst water.’ Het hof is van oordeel dat de verdachte met zijn handelen een voorwaarde heeft gesteld aan zijn medewerking aan het ademonderzoek. Het hof wijst in dit verband op de uitspraken van de Hoge Raad van 9 september 1986, ECLI:NL:PHR:1986:AC1011 en van dit gerechtshof, ECLI:NL:GHAMS:2024:2668, waaruit volgt dat het verbinden van een voorwaarde aan de medewerking gelijk wordt gesteld aan een weigering in de zin van artikel 163, tweede lid, Wegenverkeerswet 1994.
Oplegging van straf
De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 750,00 te vervangen door 15 dagen hechtenis, te betalen in 10 termijnen van € 75,00 per maand, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 270 dagen met aftrek waarvan 216 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 675,00 te vervangen door 6 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 270 dagen waarvan 216 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft het hof verzocht een kortere proeftijd te verbinden aan de voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft geweigerd een bevel tot medewerking aan een ademanalyse op te volgen. De ademanalyse strekt ertoe te kunnen vaststellen of en, zo ja, in welke mate door een bestuurder onder invloed van alcohol is gereden en de uitslag daarvan is mede van belang voor de bepaling van de op te leggen straf. Door niet mee te werken aan dit onderzoek kan de verdenking niet nader worden geconcretiseerd. Het hof rekent dit de verdachte aan.
Het hof houdt rekening met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Verder heeft het hof acht geslagen op de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het hof acht een geldboete en een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden. Het hof zal wat betreft de hoogte van de geldboete aansluiting zoeken bij hetgeen door de politierechter is opgelegd. Het hof ziet in de gewijzigde (financiële) omstandigheden – zoals deze door de raadsman ter terechtzitting naar voren zijn gebracht – geen aanleiding om te bepalen dat de verdachte de geldboete in termijnen mag voldoen.
Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van € 750,00 te vervangen door 7 dagen hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 270 dagen waarvan 206 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest, en met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
Redelijke termijn
Het hof stelt vast dat er in hoger beroep sprake is geweest van een overschrijding als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De verdachte heeft op 14 juni 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 26 oktober 2026 arrest en de redelijke termijn is daarom met 1 jaar en ruim 4 maanden overschreden.
Nu het hof aan de verdachte een gelboete van minder dan € 1.000,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid oplegt, zal het hof – gelet op het arrest HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492 – volstaan met de enkele vaststelling dat er inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de oplegging van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 270 (tweehonderdzeventig) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 206 (tweehonderdzes) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R. ter Haar, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Steur, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 oktober 2026.
Mr. R. ter Haar is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]