Strafrecht overig

Profijtontneming. Wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Gepubliceerd naar aanleiding van het…

Zaakgegevens

Op 22 december 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
22 december 2023
Datum publicatie
2 januari 2024
Zaaknummer
22-002565-22 PO
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:2652
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming. Wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt.

Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 22 december 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2023:2652

  2. Conclusie A-G · 10 februari 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:158
  3. Hoge Raad · 21 april 2026

    ECLI:NL:HR:2026:706

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-002565-22 PO

Parketnummer: 10-094735-17

Datum uitspraak: 22 december 2023

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 13 september 2022 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof Den Haag van heden is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 bewezenverklaarde,

gekwalificeerd als:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod,

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 dagen met aftrek van voorarrest en een taakstraf voor de duur van 100 dagen, te vervangen met 50 dagen hechtenis.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 47.966,00, ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De politierechter in de rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 13 september 2022 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 42.016,00 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 42.016,00.

De betrokkene heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 5, van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 47.966,00 en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis zal worden bevestigd en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat zal worden op € 42.016,00.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewijsvoering

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Naar het oordeel van het hof is voldoende aannemelijk geworden dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde feit, te weten het telen van hennep.

Het hof heeft zich bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op het ontnemingsrapport, zoals opgemaakt door de politie Rotterdam-Rijnmond. Het hof gaat er, net als de politierechter, vanuit dat twee eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel zoals omschreven in het ontnemingsrapport.

Gelet op bovenstaande stelt het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 47.966,00.

Vaststelling van de betalingsverplichting

Het hof zal tevens de betrokkene de verplichting opleggen het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat aan de Staat te betalen. Hoewel de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden in eerste aanleg ruimschoots is overschreden, ziet het hof geen reden om de hoogte van de betalingsverplichting te matigen, nu deze schending reeds is verdisconteerd in de straf die het hof bij arrest van heden aan de betrokkene heeft opgelegd.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit rechtens geldt dan wel gold.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 47.966,00 (zevenenveertigduizend negenhonderdzesenzestig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 47.966,00 (zevenenveertigduizend negenhonderdzesenzestig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 959 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven, mr. E.A. Lensink en mr. J.H. Crijns, in bijzijn van de griffier mr. H.E.M. Lucas.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2023.

Mr. J.H. Crijns is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.