Strafrecht overig

Profijtontneming, nadat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan w.v.v. uit het plegen van…

Zaakgegevens

Op 3 november 2023 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
3 november 2023
Datum publicatie
27 mei 2026
Zaaknummer
22-005188-19
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2023:3028
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming, nadat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan w.v.v. uit het plegen van voorbereidingshandelingen voor de verlengde invoer van cocaïne in Nederland, alsmede aan de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne.

Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 3 november 2023deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2023:3028

  2. Conclusie A-G · 17 maart 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:267
  3. Hoge Raad · 26 mei 2026

    ECLI:NL:HR:2026:790

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-005188-19 PO

Parketnummer: 10-750165-13

Datum uitspraak: 3 november 2023

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 7 november 2019 in de ontnemingszaak tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

adres: [woonadres] , [woonplaats] .

Procesgang

Bij arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van dit gerechtshof van 3 november 2023 is de betrokkene ter zake van het in zijn strafzaak onder 1 primair bewezenverklaarde, gekwalificeerd als:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

onder 2, 3, 4 en 5 bewezenverklaarde, telkens gekwalificeerd als:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door een ander trachten te bewegen daarbij behulpzaam te zijn en om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,

veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 66 maanden, met aftrek van voorarrest.

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 64.145,07 ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 7 november 2019 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 64.145,07 en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.

Namens de betrokkene is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de betrokkene naar voren is gebracht.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De oorspronkelijke vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat, zal worden vastgesteld op € 64.145,07 ter ontneming van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het wederrechtelijk voordeel zal worden geschat op een bedrag van € 64.145,07, maar dat gelet op de overschrijding van de redelijke termijn de betalingsverplichting met 20% zal worden verlaagd.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het hof stelt vast dat de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten zijn begaan in de periode van 22 mei 2013 tot en met 30 juni 2013. De betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Met deze vaststelling wordt het niet-ontvankelijkheidsverweer verworpen.

Tegen betrokkene is het proces-verbaal Ontnemingsdossier d.d. 18 april 2014 (hierna ook: het rapport) opgemaakt. Het hof is van oordeel, gelet op dat rapport, dat aannemelijk is geworden dat de feiten waarvoor hij is veroordeeld in de strafzaak of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Immers volgt uit het hierna te melden resultaat van het onderzoek dat de betrokkene uitgaven heeft gedaan die niet kunnen worden verklaard uit het van hem vastgestelde legale inkomen.

Het hof zal op grond van artikel 36e, derde lid, Sr, de verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de betrokkene vorenbedoeld voordeel heeft verkregen op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen genoemd in de voetnoten zijn vervat en ontleent aan de inhoud daarvan tevens de schatting van bedoeld voordeel.

Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gegrond op de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de inhoud van (de in de voetnoten vermelde) bewijsmiddelen. In het rapport is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. Het hof zal de verbalisanten in de door hen gebruikte berekeningsmethode volgen.

De onderzoeksperiode is vastgesteld op de periode van 1 januari 2012 tot en met 29 oktober 2013.

Beginsaldo contant geld

Het beginsaldo contant geld kan worden vastgesteld op nul euro omdat niet gebleken is dat betrokkene over contant vermogen beschikte per 1 januari 2012.

Opnames van de bankrekening

In het rapport wordt een bedrag van € 1.760,00 aan contante opnames van de bankrekening van betrokkene verantwoord. Dit bedrag is niet betwist door betrokkene.

Legale contante inkomsten

Betrokkene is ingeschreven geweest bij de Kamer van Koophandel als eenmanszaak [bedrijf] van 1 augustus 2012 tot 28 september 2012 en als vennoot van de [bedrijf] , van 28 september 2012 tot 18 juni 2013. In die vennootschap onder firma had hij één medevennoot, namelijk [medevennoot] . Uit de gegevens van de belastingdienst blijkt dat noch betrokkene noch de v.o.f. over de onderzochte periode omzetbelasting heeft afgedragen. Over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn bij de belastingdienst geen loon- en werkgeversgegevens bekend van betrokkene.

De verdediging heeft gesteld dat betrokkene in de eenmanszaak en later in de vennootschap onder firma winst maakte en dat zijn handel voornamelijk in contanten plaatsvond. Hij stelt dat zijn contante uitgaven en de stortingen op zijn bankrekening daaruit verklaard kunnen worden. Betrokkene heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een brief overgelegd van zijn adviseur [adviseur] van 20 november 2018 aan de belastingdienst. Die brief bevat een overzicht van openstaande aanslagen inkomstenbelasting en zorgverzekeringswet. De verdediging concludeert hieruit dat er dus inkomen is geweest.

Het hof volgt deze redenering niet. Allereerst is van belang dat betrokkene geen enkel bewijsstuk heeft overgelegd van de gestelde inkomsten; er is geen begin van administratie, er zijn geen kopieën van belastingaangiftes, er zijn geen schriftelijke overeenkomsten om aan te tonen dat er sprake was van handel in het bedrijf van betrokkene. Daar komt bij dat betrokkene tot november 2018 geen aangiften inkomstenbelasting heeft gedaan, hetgeen in de brief van de adviseur wordt bevestigd. In eerste aanleg is door de verdediging een kopie overgelegd van een op 21 november 2018 ingezonden aangifte inkomstenbelasting 2013. Daarin is nul euro als inkomen opgegeven. Uit de door de verdediging overgelegde stukken kan niet de conclusie kan worden getrokken dat de betrokkene legale contante inkomsten heeft gehad.

Het hof concludeert dat betrokkene zijn stelling dat er legale contante inkomsten zijn geweest, niet aannemelijk heeft gemaakt.

Uitgave: MOT-melding

Uit onderzoek in de database van het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties is gebleken dat betrokkene op 20 februari 2013 middels een moneytransfer een bedrag van € 3.884,00 heeft getransfereerd naar [persoon 1] in Turkije. Betrokkene heeft deze transfer erkend.

De verdediging heeft gesteld dat het geld van [persoon 1] zelf was. [persoon 1] zou vanuit Turkije aan betrokkene hebben gevraagd een contant bedrag naar hem over te maken en betrokkene zou daarop naar Rotterdam zijn gereden, het contante bedrag van een andere vriend van [persoon 1] in ontvangst hebben genomen en vervolgens via een moneytransfer naar Turkije hebben overgemaakt.

Deze verklaring roept vragen op omdat het omslachtig is contant geld van de een aan de ander te overhandigen alvorens het via een moneytransfer over te maken. Voorts heeft betrokkene verzuimd aan te geven wie deze derde persoon zou zijn. Het hof verwerpt derhalve deze verklaring als onvoldoende concreet en overigens onaannemelijk.

Het hof neemt een bedrag van € 3.884,00 in aanmerking als contante storting voor een moneytransfer.

Uitgave: contante stortingen eigen bankrekening

Uit het rapport blijkt dat een totaal van € 16.590,00 is gestort op de eigen bankrekening van betrokkene. Betrokkene heeft deze stortingen erkend en gesteld dat die afkomstig zijn van legaal verdiende contante inkomsten.

Dat verweer is hierboven besproken en verworpen.

Uitgave: Inrichting

Uit het rapport blijkt dat een totaal van € 1.500,00 contant is uitgegeven aan artikelen bij de [elektronica winkel] en [beddenwinkel] , bestemd voor de inrichting van zijn woning. Betrokkene heeft deze uitgaven erkend en gesteld dat die afkomstig zijn van legaal verdiende contante inkomsten.

Dat verweer is hierboven besproken en verworpen. Het hof schat deze uitgave op € 1.500,00.

Uitgave: BMW [kenteken 1]

Deze auto heeft van 14 juli 2012 tot en met 13 augustus 2012 op naam gestaan van betrokkene. De aan betrokkene voorafgaande geregistreerde kentekenhouder is [persoon 2] . Deze [persoon 2] is op 28 januari 2014 telefonisch bevraagd door verbalisanten en heeft verklaard dat hij de auto aan een Turkse jongen waarvan hij de naam niet meer weet, heeft verkocht en dat deze persoon hem daarvoor € 17.000,00 heeft betaald.

Betrokkene stelt dat hij deze auto weliswaar op zijn naam heeft gehad, maar dat deze is gekocht door zijn medevennoot voor de nog op te richten vennootschap. De medevennoot zou er € 10.000,00 voor hebben betaald. Omdat de vennootschap nog niet was opgericht is de auto op naam van betrokkene gezet.

Vervolgens zou de auto op 12 augustus 2012 met winst zijn verkocht.

Het hof acht aannemelijk dat betrokkene zelf degene is geweest die de auto heeft gekocht en betaald, nu de auto op 14 juli 2012 op zijn naam is geregistreerd. De verklaring die betrokkene geeft is niet aannemelijk geworden. Voorts acht het hof aannemelijk dat de aankoopprijs € 17.000,00 was. Dit bedrag is door de verkoper genoemd in zijn eerste gesprek met de verbalisanten. Het is inderdaad zo dat [persoon 2] in zijn verhoor bij de rechter-commissaris een bedrag van € 15.000,00 heeft genoemd en vervolgens zegt dat hij het niet meer precies weet als hij met het door betrokkene genoemde bedrag van € 10.000,00 wordt geconfronteerd. Het hof acht de als eerste afgelegde verklaring aannemelijk. Hij is bij de rechter-commissaris in juni 2018 gehoord. Het is begrijpelijk dat [persoon 2] het dan niet meer precies weet en het hof acht aannemelijk dat zijn eerst afgelegde verklaring adequaat is. De stelling dat de auto met winst zou zijn verkocht is niet concreet gemaakt. Het ligt op de weg van betrokkene zijn stellingen voldoende te concretiseren en specificeren. Bij gebreke hiervan gaat het hof aan deze stelling voorbij.

Het hof neemt inzake de BMW [kenteken 1] een contante uitgave van € 17.000,00 in aanmerking.

Uitgave: Audi A3 [kenteken 2]

Deze auto heeft van 13 augustus 2012 tot en met 3 december 2012 op naam van betrokkene gestaan.

De aan betrokkene voorafgaande geregistreerde kentekenhouder is [persoon 3] . Deze [persoon 3] is op 28 januari 2013 telefonisch bevraagd door verbalisanten. Zij heeft verklaard dat de auto inderdaad op haar naam heeft gestaan, maar dat zij dat op verzoek van een Turkse man had gedaan. Zij heeft verklaard dat zij de auto nooit in bezit had gehad, maar wel veel bekeuringen ontving. Uiteindelijk heeft de Turkse man de auto op zijn eigen naam geregistreerd.

De aan [persoon 3] voorafgaande kentekenhouder is [persoon 4] . Deze [persoon 4] is op 28 januari 2014 telefonisch bevraagd door verbalisanten. De auto heeft tot 8 mei 2012 op zijn naam gestaan. Hij heeft verklaard dat hij de auto had verkocht aan [medevennoot] van [bedrijf] voor € 8.000,00. Dat bedrag is contant aan hem betaald.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geen uitgave van betrokkene is, maar van [medevennoot] , de medevennoot in de later opgerichte VOF. In zijn verweer heeft betrokkene tevens erkend dat het inderdaad betrokkene is geweest die aan [persoon 3] heeft gevraagd of de auto op haar naam kon worden gezet en dat hij de auto daarna op zijn eigen naam heeft laten zetten.

Het hof acht het op grond van bovenstaande aannemelijk dat het betrokkene is geweest die de auto gebruikte, zowel in de periode dat die op naam van [persoon 3] stond, als toen die op naam van betrokkene stond. Nu het ook betrokkene is geweest die aan [persoon 3] heeft gevraagd de auto op haar naam te zetten, is het naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk dat het ook betrokkene is geweest die het aankoopbedrag van de auto heeft gefinancierd. Dat [medevennoot] mogelijk degene is geweest die feitelijk contact met [persoon 4] heeft gehad, maakt dit niet anders.

Het hof neemt inzake de Audi A3 [kenteken 2] een contante uitgave van € 8.000,00 in aanmerking.

Uitgave: BMW [kenteken 3]

Deze auto heeft op naam van betrokkene gestaan vanaf 15 juli 2013. De auto is op 29 oktober 2013 in beslag genomen en toen stond het kenteken nog op naam van betrokkene.

Uit onderzoek is gebleken dat deze auto op 14 december 2012 door een Duits bedrijf is verkocht aan [bedrijf] voor een bedrag van € 8.400,00 en contant is betaald. De verschuldigde BPM is voldaan vanaf de zakelijke rekening van de vennootschap onder firma en van 13 februari 2013 tot 15 juli 2013 stond het kenteken op naam van deze vennootschap.

Op 2 mei 2013 is betrokkene als verdachte gehoord in onderzoek Spits. Hij heeft toen verklaard dat hij eigenaar is van de BMW met het kenteken [kenteken 3] en dat de auto op naam staat van zijn autoschadebedrijf. Hij verklaart ook dat hij de auto heeft gekocht en ingevoerd en meestal in de auto rijdt. Op 30 april 2013 en op 8 juni 2013 is deze auto staande gehouden wegens overtredingen. Beide keren was betrokkene bestuurder, hetgeen is geverifieerd aan de hand van een rijbewijs.

Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene enig bedrag aan de vennootschap onder firma heeft voldaan toen de auto per 15 juli 2013 op zijn eigen naam werd overgeschreven. Op grond van de verklaring van betrokkene op 2 mei 2013 en de staandehoudingen waarbij betrokkene bestuurder was van de auto, acht het hof aannemelijk dat betrokkene de auto in Duitsland heeft gekocht en betaald voor eigen gebruik en niet ten behoeve van de handelsvoorraad van de vennootschap onder firma. Het feit dat de auto eerst op naam van de vennootschap onder firma heeft gestaan, acht het hof niet van doorslaggevende betekenis, evenmin als het feit dat de BPM en nog enkele kosten vanaf de bankrekening van de vennootschap onder firma is betaald. Die registratie en betalingen doen niet af aan de vaststelling dat betrokkene zelf de auto heeft gekocht in Duitsland en de auto feitelijk gebruikte.

Het hof neemt inzake de BMW [kenteken 3] een contante uitgave van € 8.400,00 in aanmerking.

Uitgave: Facturen [autobedrijf]

Er zijn twee facturen gevonden met betrekking tot reparaties aan de BMW met het kenteken [kenteken 3] . De eerste is in de auto zelf gevonden en op die factuur is € 3.980,00 contant betaald. Deze factuur is gedateerd op 25 april 2013 en gericht aan [bedrijf] . Het is aannemelijk dat betrokkene feitelijk de betaling heeft gedaan. Gezien de omstandigheden dat uitsluitend betrokkene deze auto gebruikte en dat hij de auto als zijn eigendom beschouwde hoewel het kenteken op naam van vennootschap was geregistreerd, acht het hof het aannemelijk dat betrokkene deze kosten heeft gedragen. Het hof zal deze factuur derhalve als contante uitgave in aanmerking nemen.

De tweede factuur is gevonden in een andere auto van betrokkene en daarop staat aangetekend dat het verschuldigde bedrag van € 965,35 contant is voldaan. Deze factuur is gedateerd 28 juni 2013 en geadresseerd aan betrokkene op diens privé adres. Het hof acht aannemelijk dat betrokkene deze uitgave heeft gedaan.

Het hof schat de contante uitgaven inzake reparaties aan de BMW [kenteken 3] op een bedrag van (€ 3.980,00 + € 965,35) € 4.945,35.

Uitgaven: [kledingwinkel 1] , [kledingwinkel 2] , [kledingwinkel 3]

Tijdens de doorzoeking van de woning van betrokkene zijn een aantal kassabonnen gevonden.

Een kassabon is van [kledingwinkel 1] en heeft betrekking op een contant betaalde aankoop op 5 oktober 2013 voor een bedrag van € 73.

De verdediging heeft gesteld dat deze aankoop is gedaan door de vriendin van betrokkene die destijds studiefinanciering zou hebben ontvangen.

Naar het oordeel van het hof is deze stelling onvoldoende concreet nu niet wordt gesteld wie dit geweest zou zijn. Het hof acht aannemelijk dat betrokkene deze uitgave heeft gedaan en het hof schat de uitgave op € 73.

Een tweede gevonden kassabon betreft een aankoop van € 99,90 bij [kledingwinkel 2] die contant is voldaan op 16 augustus 2013.

Betrokkene heeft bevestigd deze uitgave te hebben gedaan.

Het hof acht aannemelijk dat hij dat heeft gedaan en schat de uitgave op € 99,90.

Als derde zijn er twee kassabonnen gevonden betreffende aankopen gedaan bij [kledingwinkel 3] ten bedrage van € 485,00 op 6 september 2013 en € 435,00 op 21 juni 2013. Ook deze uitgaven zijn blijkens de bonnen contant voldaan.

De verdediging heeft aangevoerd dat betrokkene deze zaken, namelijk een zonnebril en schoenen, tweedehands via Marktplaats heeft gekocht voor de helft van de nieuwwaarde, te weten € 460,00 en daarbij om de aankoopbonnen heeft gevraagd en deze ook heeft gekregen.

Deze stellingen zijn niet concreet onderbouwd en gespecificeerd en naar het oordeel van het hof zijn deze om die reden niet aannemelijk geworden.

Het hof acht aannemelijk dat betrokkene contant enkele [kledingwinkel 3] goederen heeft gekocht voor een bedrag van in totaal € 920,00 (€ 485,00 + € 435,00) en schat derhalve de in aanmerking te nemen uitgave op dit bedrag.

Het totaal van deze drie uitgaven is € 1.092,90.

Uitgave: brandstof

Hierboven is overwogen waarom het hof aannemelijk acht dat betrokkene de BMW met het kenteken [kenteken 3] in gebruik had vanaf de aanschaf.

Bij taxatie van de auto op 10 januari 2013 stond de kilometerteller op 93.864. Op 30 oktober 2013, één dag na de inbeslagname, stond de teller op 140.620. Het verschil tussen deze standen is 46.756 zodat geconcludeerd kan worden dat binnen deze twee genoemde data er 46.756 kilometer met de auto is gereden.

De verdediging heeft er op gewezen dat de auto stond geregistreerd op naam van de vennootschap onder firma en dat deze vennootschap onder firma alle kosten van deze auto op zich heeft genomen. Voorts wijst de verdediging er op dat deze auto onder medeverdachte [persoon 1] in beslag is genomen.

Gezien de verklaring van betrokkene dat de auto van hem is en hij degene is die meestal in de auto rijdt, acht het hof aannemelijk dat betrokkene ook de brandstofkosten van deze auto voor zijn rekening heeft genomen. Naast de blote stelling van betrokkene is er geen enkele aanwijzing in het dossier dat de brandstofkosten door de vennootschap onder firma zijn voldaan. Het hof acht die stelling daarom onaannemelijk. Het enkele feit dat de auto voor de deur van [persoon 1] stond toen die in beslag is genomen brengt niet automatisch mee dat [persoon 1] de brandstofkosten heeft voldaan. Betrokkene heeft niets concreets aangevoerd op dit punt en het hof verwerpt daarom het verweer.

Uit de onderzochte bankrekening van betrokkene blijkt dat hij een bedrag van € 42,18 via de bank heeft voldaan aan brandstofkosten.

Conform het rapport schat het hof de uitgave inzake de brandstofkosten op € 4.007,82.

Bezit contant geld

Tijdens de doorzoeking van de woning van betrokkene op 29 oktober 2013 is een bedrag van € 485,00 aan contant geld aangetroffen. Het hof neemt dit bedrag in aanmerking als eindsaldo contant geld.

Kasopstelling

De kasopstelling luidt op grond van voorgaande overwegingen als volgt:

Beginsaldo contant geld € 0,00

Opnames bankrekening 1.760,00

Legale contante inkomsten 0,00

Eindsaldo contant geld 485,00

Beschikbaar voor uitgaven € 1.275,00

Werkelijke uitgaven

MOT-melding € 3.884,00

Contante stortingen eigen rekening 16.590,00

Inrichting 1.500,00

BMW [kenteken 1] 17.000,00

Audi A3 22-TGP-8 8.000,00

BMW [kenteken 3] 8.400,00

Facturen [autobedrijf] 4.945,35

[kledingwinkel 1] , [kledingwinkel 2] , [kledingwinkel 3] 1.092,90

Brandstof 4.007,82

Totaal uitgaven: € 65.420,07

Het verschil tussen de werkelijke uitgaven en het bedrag dat voor uitgaven beschikbaar was is € 64.145,07.

Het hof stelt vast dat door of namens de betrokkene geen aannemelijke verklaring is gegeven voor het negatieve kasverschil en stelt derhalve het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op dit bedrag.

Vaststelling van de betalingsverplichting

Ter zitting is door de verdediging aangevoerd dat de redelijke termijn in de ontnemingszaak is overschreden met vijf jaar en dat dientengevolge de resterende betalingsverplichting met € 25.000 moet worden gematigd.

De advocaat-generaal heeft zich in zijn repliek op het standpunt gesteld dat een matiging van 20% op zijn plaats is.

Het hof overweegt het volgende.

De redelijke termijn is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft ook in de onderliggende strafzaak plaatsgevonden.

Een effectieve compensatie via de strafoplegging is niet mogelijk nu de betrokkene de straf die in eerste aanleg is opgelegd al heeft uitgezeten en het hof niet tot een hogere strafoplegging komt dan de rechter in eerste aanleg.

Het hof stelt vast dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de berechting in eerste aanleg niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat op 23 juni 2015 de termijn in eerste aanleg is aangevangen. Nu het vonnis door de rechtbank op 7 november 2019 is gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met circa 2 jaren en 5 maanden overschreden. Voorts is sprake van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep, gelet op de omstandigheid dat op 8 november 2019 hoger beroep is ingesteld en het eindarrest van het hof circa 4 jaren later is gewezen.

Het hof acht vanwege deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn een vermindering van de betalingsverplichting op zijn plaats van 20%.

Daarnaast ziet het hof in de persoonlijke omstandigheden van betrokkene aanleiding het bedrag van de betalingsverplichting verder te verminderen tot

€ 45.000,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 64.145,07 (vierenzestigduizend honderdvijfenveertig euro en zeven cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 45.000,00 (vijfenveertigduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 900 dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. Th.W.H.E. Schmitz,

mr. H. Steenhuis en mr. M. Koole, in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 3 november 2023.

Het arrest van het gerechtshof Den Haag van 3 november 2023. Het proces-verbaal Ontnemingsdossier Onderzoek ‘Hozen’ [verdachte] (het hof leest: [verdachte] ), procesverbaalnummer [nummer] , op 18 april 2014 op ambtsbelofte opgemaakt door opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk rechercheur en financieel rechercheur bij de districtsrecherche van het district Zeehavenpolitie, Eenheid Rotterdam. Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal Ontnemingsdossier Onderzoek ‘Hozen’ [verdachte] (het hof leest; [verdachte] ), p. 1 tot en met 22 en de bijlagen bij dat proces-verbaal pagina 1 tot en met 207. Het rapport, pag. 21. Het rapport, pag. 12. Bijlage 2 bij Conclusie van Antwoord in hoger beroep Proces-verbaal, document [documentnummer 1] , het rapport, bijl. pag. 66-68. Het rapport, pag. 12. Het rapport, pag. 12 en 13. Het rapport, pag. 12 en 13. Het rapport, pag. 15. Proces-verbaal, document [documentnummer 2] , het rapport, bijl. pag. 137, 138. Het rapport, pag. 15. Proces-verbaal, document [documentnummer 3] , bijlagen pag. 139, 140. Idem. Conclusie van antwoord, randnummer 42. Het rapport, pag. 15. Proces-verbaal, document [documentnummer 4] , bijlagen pag. 170. Proces-verbaal, document [documentnummer 5] , bijlagen pag. 173 en 195. Proces-verbaal, document [documentnummer 6] , bijlagen pag. 141. Proces-verbaal, document [documentnummer 6] , bijlagen pag. 142. Idem. Proces-verbaal, document [documentnummer 7] , bijlagen pag. 157-166. Proces-verbaal, document [documentnummer 7] , bijlagen pag. 157. Proces-verbaal, document [documentnummer 8] , bijlagen pag. 167-169. Proces-verbaal, document [documentnummer 9] , bijlagen pag. 143-145. Proces-verbaal, document [documentnummer 10] , bijlagen pag. 146-150. Proces-verbaal, document [documentnummer 11] , bijlagen pag. 151-153. Proces-verbaal, document [documentnummer 12] , bijlagen pag. 154-156. Proces-verbaal, document [documentnummer 4] , pag. 170. Idem. Zie voetnoot 21. Proces-verbaal, document [documentnummer 4] , pag. 171. Rapport, pag. 17.