Strafrecht overig
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een tweetal geldbedragen van in totaal €…
ECLI:NL:GHDHA:2024:1750 · Gerechtshof Den Haag · 4 oktober 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2024-1750
Zaakgegevens
Op 4 oktober 2024 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 4 oktober 2024
- Datum publicatie
- 4 oktober 2024
- Zaaknummer
- 22-002207-22.a
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2024:1750
Samenvatting
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een tweetal geldbedragen van in totaal € 45.000.
Gepubliceerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad.
Procesgang
Gerechtshof Den Haag · 4 oktober 2024deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2024:1750
Conclusie A-GConclusie A-GEen onafhankelijk advies aan de Hoge Raad over hoe de zaak beslist moet worden. De Hoge Raad hoeft dat advies niet te volgen.Meer uitleg · 18 augustus 2026
ECLI:NL:PHR:2026:776Hoge Raad · 8 september 2026
ECLI:NL:HR:2026:1420
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-002207-22
Parketnummer: 10-960443-16
Datum uitspraak: 4 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1967,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 en
2, het eerste gedachtestreepje, tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2, het tweede gedachtestreepje, en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair
50 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent het inbeslaggenomen geldbedrag als nader in het vonnis omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 2, het eerste gedachtestreepje, is tenlastegelegd. Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en daarom mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte om die reden niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans in hoger beroep nog aan de orde - tenlastegelegd dat:
2.
hij op of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 tot en met 31 december 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten:
- een geldbedrag van in totaal (ongeveer) EURO 29.000,00, althans een hoeveelheid geld heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans van voornoemd geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
3.
hij op of omstreeks 26 juni 2017 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, een voorwerp, te weten een (contant) geldbedrag van (in totaal) 16.000,00 euro, heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of van dit geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis waarvan beroep met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf, de motivering daarvan en de toegepaste wetsartikelen.
Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het witwassen van een tweetal geldbedragen van in totaal € 45.000,-.
Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Opbrengsten van misdrijven worden hierdoor bovendien aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen kan worden gezien als een misdrijf dat andere misdrijven faciliteert.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
6 september 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Het hof heeft bij de beoordeling tevens meegewogen dat de bewezenverklaring ziet op feiten van meer dan 7 jaar geleden. In dit tijdsverloop op zich ziet het hof evenwel geen reden om de verdachte geen onvoorwaardelijke straf op te leggen. Het hof heeft hierbij naast de ernst van de bewezenverklaring acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte geen openheid van zaken heeft gegeven en ook verder op geen enkele wijze ervan blijk heeft gegeven de verwijtbaarheid van de gedragingen als bewezenverklaard in te zien.
Bij de hierna te noemen straf heeft het hof verder rekening gehouden met het gegeven dat de verdachte na zijn aanhouding 17 dagen (in algehele beperkingen) heeft doorgebracht in voorarrest.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 100 uren, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Het hof stelt evenwel vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
De termijn ten aanzien van de volledige behandeling van de zaak in eerste aanleg, die is aangevangen op 27 juni 2017 terwijl het vonnis is gewezen op 13 juli 2022, is met 3 jaren overschreden. Vervolgens is de redelijke termijn in hoger beroep met 2 maanden overschreden.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 70 uren, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen ter zake van het onder 1 en 2, het eerste gedachtestreepje, tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen ten aanzien van de opgelegde straf, de motivering daarvan en de toegepaste wetsartikelen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange, als voorzitter, mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en
mr. O.M. Harms, leden, in bijzijn van de griffier
A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 oktober 2024.