Strafrecht overig

Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 16.000), meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr). Bewijsklachten…

Hoge Raad, 8 september 2026

Zaakgegevens

Op 8 september 2026 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
8 september 2026
Datum publicatie
3 september 2026
Zaaknummer
24/03827
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:1420
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Medeplegen witwassen van geldbedrag (€ 16.000), meermalen gepleegd (art. 420bis.1.b Sr). Bewijsklachten “afkomstig uit enig misdrijf”. Kon hof oordelen dat verdachte met zijn verklaring dat geldbedrag afkomstig is uit verkoop van stuk grond van zijn overleden vader en diens compagnon in Turkije, geen concrete en verifieerbare verklaring heeft gegeven voor herkomst van geldbedrag?

HR: art. 81.1 RO.

Procesgang

  1. Gerechtshof Den Haag · 4 oktober 2024

    ECLI:NL:GHDHA:2024:1750
  2. Conclusie A-G · 18 augustus 2026

    ECLI:NL:PHR:2026:776
  3. Hoge Raad · 8 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:HR:2026:1420

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

STRAFKAMER

Nummer 24/03827

Datum 8 september 2026

ARREST

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2024, nummer 22-002207-22, in de strafzaak

tegen

[verdachte] ,

geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,

hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Vermaat en E.A. Blok bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.