Strafrecht overig

Het oordeel dat het aangetroffen voorwerp een omgebouwd gas-/alarmpistool en daarmee een vuurwapen is, vindt…

Zaakgegevens

Op 4 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Zittingsplaats
Den Haag
Datum uitspraak
4 augustus 2026
Datum publicatie
4 augustus 2026
Zaaknummer
22-000685-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:2518
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Het oordeel dat het aangetroffen voorwerp een omgebouwd gas-/alarmpistool en daarmee een vuurwapen is, vindt grondslag in de verklaring van de verdachte en niet in de eerste plaats in het proces-verbaal van bevindingen van de WWM-deskundige.

Procesgang

  1. Rechtbank Den Haag · 17 februari 2025

    ECLI:NL:RBDHA:2025:2118
  2. Gerechtshof Den Haag · 4 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHDHA:2026:2518

Uitspraak

Inhoudsopgave

Rolnummer: 22-000685-25

Parketnummer: 09-125511-23

Datum uitspraak: 4 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

adres: [woonadres] , [woonplaats] ,

ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [naam P.I.] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 2 impliciet cumulatief (voor zover dat ziet op het voorhanden hebben van een geweer en meerdere revolvers) en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 overige impliciet cumulatief tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts is een beslissing genomen omtrent het beslag zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De verdachte is door rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 en 3 is tenlastegelegd. Voorts heeft het onder 2 tenlastegelegde te gelden als een impliciet cumulatieve tenlastelegging, waarin cumulatief meerdere feiten zijn opgenomen. Hiervoor is al vermeld dat de verdachte van twee van deze feiten – te weten het voorhanden hebben van een (ingekort) geweer (pomp en slide) en meerdere revolvers, merk Bruni, type Olympic 6 – is vrijgesproken.

Het hoger beroep is namens de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus mede gericht tegen die in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven (partiële) vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van “de tenlastelegging” of “de zaak” of “het vonnis”, wordt daarmee bedoeld de tenlastelegging of de zaak of het vonnis voor zover dat op grond van het vorenstaande nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 september 2020 tot en met 14 september 2021 te Zoetermeer en/of Almere, althans in Nederland, meerdere wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een (omgebouwd) gas/alarm pistool, van het merk Ekol, type Major

zijnde (telkens) een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen reeds omdat het tot een enigszins andere bewezenverklaring komt.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 14 september 2020 tot en met 14 september 2021 te Zoetermeer en/of Almere, althans in Nederland, meerdere een wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een (omgebouwd) gas/alarm pistool, van het merk Ekol, type Major

zijnde (telkens) een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat het door de verdachte voorhanden gehouden gas-/alarmpistool was omgebouwd tot een vuurwapen, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een vuurwapen als bedoeld in categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie (hierna: WWM).

Evenals de rechtbank komt het hof tot een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een vuurwapen in de vorm van een omgebouwd gas-/alarmpistool. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van de materiedeskundige wapens volgt dat deze deskundige met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heeft vastgesteld dat het op de foto afgebeelde wapen – afkomstig uit de telefoon van de verdachte - een gas/alarm pistool betreft. Daarnaast heeft de verdachte in zijn verhoor bij de politie verklaard dat het een echt wapen was, dat hij voor zijn veiligheid bij zich had, dat daar 9 mm-patronen in konden en dat hij eerlijk heeft verklaard welke van de in het dossier opgenomen wapens echt waren, waarbij hij – zo concludeert het hof – doelt op het onderhavige ten laste gelegde gas-/alarmpistool.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, voldoende grondslag bieden voor het oordeel dat het door de verdachte voorhanden gehouden gas-/alarmpistool was omgebouwd tot een vuurwapen als bedoeld in categorie III, onder 1 WWM. Het vuurwapen dat de verdachte op de foto in handen heeft, dient dan ook als zodanig te worden gekwalificeerd.

Het verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een omgebouwd gas-/alarmpistool gedurende een periode van ten minste een half jaar. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen leidt tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Vuurwapens worden niet zelden gebruikt bij het begaan van strafbare feiten en circuleren veelvuldig in het criminele circuit. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen maakt dan ook een ernstige inbreuk op de rechtsorde en brengt een onaanvaardbaar risico met zich mee voor de veiligheid van de maatschappij.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar niet eerder voor een soortgelijk feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsrapport van 27 maart 2026. Daaruit volgt dat de verdachte zich in een kwetsbare woonsituatie bevindt en arbeidsongeschikt is verklaard, waardoor bij hem een structurele dagbesteding ontbreekt. De reclassering signaleert dat daarbij ook het psychosociaal functioneren van de verdachte en zijn pro-criminele houding risicofactoren vormen voor recidive. Daartegenover staan evenwel enkele beschermende factoren. Zo toont de verdachte zich gemotiveerd om een delictvrij bestaan op te bouwen, waarbij zijn kinderen een belangrijke bron van motivatie vormen. De reclassering acht de verdachte – met enige begeleiding – in staat om de daarvoor benodigde stappen te kunnen zetten en schat het risico op recidive in als gemiddeld.

Het hof is – evenals de rechtbank – van oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden een passende en geboden reactie vormt.

Tot slot stelt het hof vast dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, nu de inzendtermijn van het dossier na het instellen van hoger beroep op 3 maart 2025 met ruim drie weken is overschreden. Het hof is evenwel van oordeel dat deze geringe overschrijding wordt gecompenseerd doordat de zaak na ontvangst van het dossier bij het hof bijzonder voortvarend ter terechtzitting is behandeld. Gelet daarop en mede in aanmerking genomen dat een geheel voorwaardelijke straf wordt opgelegd, ziet het hof geen aanleiding om de overschrijding te verdisconteren in de strafmaat. Derhalve kan thans met de enkele vaststelling van de overschrijding worden volstaan.

Beslag

Het hof zal ten aanzien van de inbeslaggenomen, nog niet teruggeven voorwerpen, te weten:

  • [nummer 1] (iPhone);

  • [nummer 2] (iPhone);

  • [nummer 3] (broek); en

  • [nummer 4] (shirt),

de teruggave aan de verdachte gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissingen tot vrijspraak ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

  • [nummer 1] (iPhone);

  • [nummer 2] (iPhone);

  • [nummer 3] (broek); en

  • [nummer 4] (shirt).

Dit arrest is gewezen door mr. H. Steenhuis, als voorzitter, mr. A.S.I. van Delden en

mr. M.E.L. Hendriks, leden, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Jonkhoff.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 augustus 2026.