Strafrecht overig
Vrijspraak van voorhanden hebben/vervoeren cocaïne. Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier en…
ECLI:NL:GHDHA:2026:2662 · Gerechtshof Den Haag · 14 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-den-haag/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghdha-2026-2662
Zaakgegevens
Op 14 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Den Haag in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Den HaagGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 augustus 2026
- Datum publicatie
- 18 augustus 2026
- Zaaknummer
- 22-002992-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2662
Samenvatting
Vrijspraak van voorhanden hebben/vervoeren cocaïne.
Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aangetroffen cocaïne in de sporttas in de auto.
Beslissingen op het beslag.
Procesgang
Rechtbank Rotterdam · 30 september 2025
ECLI:NL:RBROT:2025:11987Gerechtshof Den Haag · 14 augustus 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHDHA:2026:2662
Uitspraak
Inhoudsopgave
Rolnummer: 22-002992-25
Parketnummer: 10-080360-25
Datum uitspraak: 14 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 september 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] ,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep gedetineerd in de [naam penitentiaire inrichting] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is ter zake van de in beslag genomen voorwerpen beslist, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 13 maart 2025 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10621 gram, in elk geval een (grote)hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren, onder algemene en bijzondere voorwaarden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Het hof is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aangetroffen cocaïne in de sporttas in de auto. Dat er in de telefoon van de verdachte afbeeldingen en chatberichten zijn aangetroffen die doen vermoeden dat de verdachte zich
bezighoudt met (de handel in) verdovende middelen, doet aan het oordeel van het hof niet af, nu desbetreffende afbeeldingen en berichten er niet op wijzen dat de verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de specifieke partij cocaïne in de bewuste sporttas.
Het verweer van de verdachte dat de aangetroffen DNA-sporen op de handvatten van de sporttas kunnen worden verklaard door zijn beschrijving hoe hij de tas slechts even opzij heeft getrokken om de eigenaar van die tas de gelegenheid te bieden plaats te nemen op de achterbank kan niet op voorhand als ongeloofwaardig worden aangemerkt. Mitsdien kan het op de handvatten van de sporttas in een mengprofiel aangetroffen DNA, afkomstig van de verdachte, evenmin bewijs leveren voor enige wetenschap van de verdachte omtrent de inhoud van de sporttas.
Gelet op het voorgaande, is naar het oordeel van het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Beslag
Ten aanzien van de in beslag genomen telefoons overweegt het hof als volgt. De telefoons zijn niet van de verdachte. In hoger beroep is nog altijd niet bekend geworden wie de rechthebbende(n) van deze telefoons is/zijn. Net als de rechtbank, zal het hof de bewaring van de telefoons ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten. In het geval dat de telefoons nog in enkele andere strafzaken onderzocht worden, zoals in eerste aanleg door de officier van justitie is betoogd, is het aan het Openbaar Ministerie om in het kader van die andere strafzaken beslag op deze telefoons te leggen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- 1 STK GSM [omschrijving 1] , zwart, merk: Apple iPhone);
- 1 STK GSM [omschrijving 2] , zwart, merk: Reno);
- 1 STK GSM [omschrijving 3] , Apple iPhone).
Dit arrest is gewezen door mr. J.P.L.M. Remmerswaal, als voorzitter, mr. F.W. van Lottum en mr. W.J. van Boven, leden, in bijzijn van de griffier mr. E.E.N. Birkhoff.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 augustus 2026.