Civiel recht overig

Opeisbaarheid van vordering uit rekening courant.

Gerechtshof Leeuwarden, 12 oktober 2010

Zaakgegevens

Op 12 oktober 2010 heeft het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Leeuwarden
Datum uitspraak
12 oktober 2010
Datum publicatie
5 april 2013
Zaaknummer
107.002.160/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J.V van Ophem, mr. E.L Zondervan
ECLI
ECLI:NL:GHLEE:2010:BO0494
E-mail

Samenvatting

Opeisbaarheid van vordering uit rekening courant.

Uitspraak

Arrest d.d. 12 oktober 2010

Zaaknummer 107.002.160/01

HET GERECHTSHOF TE LEEUWARDEN

Arrest van de eerste kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[naam] B.V.,

gevestigd te Sneek,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.L. Zondervan, kantoorhoudende te Utrecht.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 1 augustus 2007 door de rechtbank Leeuwarden.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 27 september 2007 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van [geïntimeerde] tegen de zitting van 14 november 2007. Het petitum van de appeldagvaarding luidt:

"om bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, het op 1 augustus 2007 onder zaaknummer 77251/HA ZA 06-554 door de Rechtbank Leeuwarden tussen partijen gewezen vonnis te vernietigen, en, opnieuw recht doende, geïntimeerde als nog te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellant te betalen een bedrag van € 42.500,= uit hoofde van een verstrekte lening, een bedrag van € 113.445,05 uit hoofde van een verstrekte lening en een bedrag van € 100.000,= uit hoofde van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk gegeven ontslag en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij exploot van anticipatie van [geïntimeerde] van 16 oktober 2007 is [appellant] opgeroepen

tegen de zitting van 24 oktober 2007.

[appellant] heeft een akte vermindering van eis genomen.

De conclusie van de memorie van grieven, waarbij één productie is overgelegd,

luidt:

"om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het op 1 augustus 2007 door de Rechtbank Leeuwarden tussen partijen gewezen vonnis te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellant te betalen een bedrag ad € 45.940,71 op de gronden voornoemd, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2007 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

Bij memorie van antwoord is door [geïntimeerde] verweer gevoerd met als conclusie:

"om bij arrest, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Leeuwarden d.d. 1 augustus 2007 onder zaaknummer 77251/HA ZA 06-554 te bekrachtigen, waar nodig met verbetering van gronden, met veroordeling van appellant in alle kosten van beide instanties."

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft twee grieven opgeworpen.

De beoordeling

Vaststaande feiten

1. Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1

tot en met 2.6) van het vonnis, waarvan beroep, zijn geen grieven gericht, zodat in

appel van deze feiten kan worden uitgegaan.

Procedure in eerste aanleg en omvang van het appel

2. In eerste aanleg heeft [appellant] drie vorderingen ingesteld, te weten betaling van een

door [geïntimeerde] van hem geleend bedrag van € 113.455,05 (1), betaling van een door

[geïntimeerde] van hem geleend bedrag van € 42.500,00 (2) en betaling van een

schadevergoeding van € 100.000,00 vanwege kennelijk onredelijk ontslag (3). De

rechtbank heeft alle drie de vorderingen afgewezen en [appellant] in de proceskosten

veroordeeld.

3. [appellant] komt in appel niet op tegen de afwijzing van de hierboven als 1 en 3

aangeduide vorderingen. In de akte vermindering van eis heeft hij deze

vorderingen uitdrukkelijk ingetrokken. Zijn grieven richten zich ook alleen tegen

de beslissing om de als 2 aangeduide vordering af te wijzen en tegen de beslissing

over de proceskosten. Daarnaast maakt [appellant] in appel voor het eerst aanspraak op

betaling van een bedrag van € 3.440,71. Anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen,

staat het [appellant] - binnen de grenzen van de goede procesorde - als oorspronkelijk

eiser vrij in appel een nieuwe vordering in te stellen. [appellant] heeft de eerste

mogelijkheid in de appelprocedure te baat genomen om de vordering in te stellen.

[geïntimeerde] heeft (gelet op het tijdsverloop tussen de memorie van grieven en de

memorie van antwoord: ruimschoots) de gelegenheid gehad en genomen om (ook)

op de nieuwe vordering te reageren. De eisen van de goede procesorde staan er

dan ook niet aan in de weg om in appel uit te gaan van de gewijzigde vordering

van [appellant].

Bespreking van de grieven

4. Met grief I komt [appellant] op tegen de beslissing van de rechtbank zijn vordering

betreffende de geldlening van € 42.500,00 af te wijzen. De rechtbank heeft aan

deze beslissing ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] gemotiveerd verweer heeft

gevoerd tegen deze vordering - door te stellen dat de lening onvoldoende vaststaat

en niet opeisbaar is nu geen aflossingstermijnen noch enige andere voorwaarden

zijn overeengekomen - en dat [appellant] zijn vordering in het licht van dit verweer

onvoldoende onderbouwd heeft. Volgens de rechtbank had van [appellant] verwacht

mogen worden dat hij zijn stellingen zou hebben onderbouwd door het overleggen

van schriftelijke stukken. In de toelichting op zijn grief stelt [appellant] dat hij niet in

staat is schriftelijke stukken in het geding te brengen, omdat deze stukken zich

bevinden in de boekhouding van [geïntimeerde]. Volgens [appellant] mag van [geïntimeerde] verwacht

worden dat zij overzichten van de rekening-courant in het geding brengt, waaruit

blijkt dat er inderdaad een bedrag van € 42.500,00 door [appellant] aan [geïntimeerde] is

geleend. Volgens [appellant] staat echter niet ter discussie dat hij dit bedrag in 2005

aan [geïntimeerde] heeft geleend.

5. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] noch in eerste aanleg noch in appel gemotiveerd heeft

betwist dat [appellant] haar een bedrag van € 42.500,00 ter beschikking gesteld heeft.

Dat [appellant] dit bedrag aan [geïntimeerde] beschikbaar heeft gesteld, volgt trouwens ook uit

de overgelegde accountantsrapporten betreffende 2005 en het eerste halfjaar van

2006. In deze rapporten worden in de toelichting op de balans in de

post ”rekening-courant met [appellant]” betalingen van respectievelijk

€ 32.000,00 en €10.500,00 vermeld. Per 30 juni 2006 sluit de rekening-courant

blijkens het rapport van de accountant op een bedrag van € 57.966,00 in het

voordeel van [appellant]. [geïntimeerde] laat weliswaar in het vage of dit bedrag aan haar

geleend is, maar dat het bedrag aan haar beschikbaar is gesteld door [appellant] heeft

zij niet betwist. Daarvan kan dan ook worden uitgegaan.

6. [geïntimeerde] heeft echter ook betoogd dat onduidelijk is onder welke voorwaarden de

(volgens haar:vermeende) geldlening is aangegaan, waardoor ook onduidelijk is

onder welke voorwaarden zou moeten worden afgelost en of de lening opeisbaar

is. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat [appellant] haar nimmer in gebreke heeft

gesteld, waardoor van verzuim volgens haar geen sprake is.

7. Het hof volgt [geïntimeerde] niet in dit betoog. [geïntimeerde] gaat er aan voorbij dat [appellant] er in

appel op heeft gewezen dat het door hem aan [geïntimeerde] betaalde bedrag in rekening-

courant is geboekt. [geïntimeerde] heeft deze stelling van [appellant], die zoals hiervoor is

aangegeven steun vindt in de in het geding gebrachte accountantsrapporten, niet

gemotiveerd betwist. Op grond van artikel 6:140 lid 1 BW is het saldo van een

rekening-courantverhouding op ieder tijdstip verschuldigd, zodat het enkele feit

dat geen afspraken zijn gemaakt over de terugbetaling van het bedrag van

€ 42.500,00 er niet aan in de weg staat dat het bedrag opeisbaar is. Daartoe is

voldoende dat het saldo van de rekening-courant toereikend is op het moment dat

[appellant] aanspraak maakt op terugbetaling. Dat het saldo van de rekening

courantverhouding niet toereikend is, heeft [geïntimeerde] echter niet gesteld. Dat partijen

over de opeisbaarheid van het saldo een van artikel 6:140 lid 1 BW afwijkende

afspraak hebben gemaakt, of dat (en waarom) uit hun rechtsverhouding een

afwijking voortvloeit, heeft zij evenmin aangevoerd.

8. De slotsom is dat [geïntimeerde] haar verweer tegen de - in appel op de rekening

courantverhouding gebaseerde - vordering van [appellant] onvoldoende heeft

onderbouwd. De vordering is dan ook, in hoofdsom, toewijsbaar. Dat geldt niet

voor de vordering tot vergoeding van de wettelijke handelsrente. Zonder nadere

toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de overeenkomst tussen partijen,

waarbij [appellant] geldbedragen aan [geïntimeerde] beschikbaar stelde die in rekening-courant

werden geboekt, een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a lid 1 BW

is. [geïntimeerde] is wel de wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd vanaf de

gevorderde ingangsdatum, 23 oktober 2007, nu [appellant] ruimschoots vóór die tijd

een vordering tot betaling van dit bedrag heeft ingesteld en betaling desondanks

achterwege bleef.

9. [appellant] maakt tevens aanspraak op betaling van een bedrag van € 3.440,71. Hij stelt

dat hij uit eigen middelen een aan [geïntimeerde] gerichte factuur van Centerpoint

Charters van € 878,22 voor [geïntimeerde] heeft betaald en dat klanten van de v.o.f. van

[appellant] facturen van die v.o.f. ad in totaal € 1.512,49 abusievelijk aan [geïntimeerde]

hebben betaald. [geïntimeerde] heeft deze vordering van [appellant] gemotiveerd betwist. Zij

stelt dat de factuur van Centerpoint Charters haar onbekend is en door haar wordt

betwist en ook dat de onterechte betalingen op haar rekening haar niet bekend

zijn.

10. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zijn vordering, gelet op de gemotiveerde

betwisting door [geïntimeerde], onvoldoende onderbouwd. Nog daargelaten dat het door

[appellant] gevorderde totaalbedrag van € 3.440,71 niet correspondeert met de

optelling van de beide deelvorderingen en dat [appellant] heeft nagelaten een juridische

grondslag voor zijn vordering aan te voeren - subrogatie, ongerechtvaardigde

verrijking wellicht - heeft hij niet aangetoond dat hij de factuur van Centerpoint

Charters betaald heeft en dat [geïntimeerde] het factuurbedrag ook daadwerkelijk

verschuldigd was en evenmin dat debiteuren van zijn v.o.f. aan [geïntimeerde] betaald

hebben. Zo heeft hij zelfs de naam van de desbetreffende debiteuren onvermeld

gelaten en de facturen die het betreft niet in het geding gebracht.

11. De slotsom is dat de “nieuwe” vordering van [appellant] niet toewijsbaar is.

12. Met grief II komt [appellant] op tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg.

De grief faalt naar het oordeel van het hof. Allereerst blijkt in appel dat van de

oorspronkelijk ingediende vordering van in totaal - afgerond - € 256.000,00

slechts één onderdeel tot een bedrag van € 42.500,00 toewijsbaar is. Betreffende

dat laatste onderdeel geldt, vervolgens, dat [appellant] zich eerst in appel op het

standpunt heeft gesteld dat het door hem beschikbaar gestelde bedrag in rekening

courant is geboekt. [appellant] is dan ook terecht in de proceskosten in eerste aanleg

veroordeeld.

Conclusie

13. De vordering van [appellant] is toewijsbaar tot een bedrag van € 42.500,00,

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2007.

14. In hoger beroep is [appellant] wel grotendeels in het gelijk gesteld. Doordat hij zijn

vordering pas in de loop van de appelprocedure heeft verminderd, is aan beide

partijen een griffierecht geheven, dat is gebaseerd op de oorspronkelijke

vordering. Het betreft een bedrag van € 5.916,00. Wanneer [appellant] zijn vordering

tijdig had beperkt tot € 42.500,00 zouden beide partijen een bedrag van

€ 1.275,00 aan griffierecht verschuldigd zijn geweest, derhalve € 4.641,00 minder.

Naar het oordeel van het hof zijn deze kosten nodeloos veroorzaakt, waardoor

[appellant] enerzijds geen aanspraak kan maken op vergoeding van deze kosten en

anderzijds gehouden is deze kosten aan [geïntimeerde] te vergoeden. Per saldo dient [appellant]

dan nog aan [geïntimeerde] te vergoeden het verschil tussen € 4.641,00 en het bedrag van

de proceskostenveroordeling wanneer wordt uitgegaan van een vordering van

€ 42.500,00. Die veroordeling zou € 1.275,00 (griffierecht) + € 84,31 +

€ 1.631,00 (geliquideerde kosten van de advocaat, 1 punt naar tarief IV) =

€ 2.990,31 belopen hebben, zodat [appellant] per saldo nog een bedrag van € 1.650,69

aan [geïntimeerde] verschuldigd is.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van 1 augustus 2007, behoudens voor wat betreft de

beslissing omtrent de proceskosten;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 42.500,00,

vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2007

tot aan het tijdstip van voldoening van de vordering;

- veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 1.650,69,

zijnde het bedrag van de door hem nodeloos veroorzaakte proceskosten in

hoger beroep verminderd met het bedrag van de proceskostenveroordeling

in hoger beroep;

- verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis van 1 augustus 2007 voor wat betreft de

proceskostenveroordeling;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mrs. R.A. Zuidema, M.E.L. Fikkers en H. de Hek, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 12 oktober 2010 in bijzijn van de griffier.